Dolf, Dokter, Hope, Schmidt, Jaap.
JAAP... ’k Wou daarnet niet storen, meneer—maar dat meissie is benejen
niet goed geworden—het ’n toeval of zoo iets....
DOLF. Had je niet eerder.... (naar deur).
DOKTER... Ik zal even kijken, Dolf—blijf jij..... (af door Jaap
gevolgd).
DOLF. Dan kunnen wij de séance opbreken, meneer Schmidt—Mocht voor die
twee beneden uw advies noodig blijken, dan telefoneer ik.
SCHMIDT. Goed meneer.
DOLF. En uw declaratie ontvang ’k graag met zeer bekwamen spoed.
SCHMIDT. Dank u, meneer. Dus nièt langer adverteeren?
DOLF. (luchtig). Nee—nee. ’t Heeft geen Zweck. Ik heb m’n Schuldigkeit
gedaan—”der Mohr kann gehen”... Een moment nog. U zendt me de adressen
van die erfenisjaagsters. Licht dat ze ’n kleine verrassing krijgen!
Bonjour! Bonjour!
SCHMIDT. Uw dienaar, meneer—u heeft me maar te ontbieden. (bij de deur
voor Jaap uitwijkend). Uw dienaar, meneer.
DOLF. En?
JAAP. Of ’k effen om ’n rijtuig mag telefoneeren?
DOLF. (in de bibliotheek kijkend). Ga je gang.
JAAP... 1290... Rijnders?... Met Van Walden. Dadelijk
vigelante—dadelijk. (schelt af).
DOKTER... ’k Ga ’r vandoor Dolf—Zijn de anderen al weg? (Jaap af)... ’k
Zal ’r met ’n rijtuig thuis brengen.
DOLF. Toch niet sérieus, boy?
DOKTER. ’n Epileptisch toeval, de stakker—is alweer bij kennis...
HOPE... Kan ik behulpzaam zijn, dokter? (komt uit doorgang van de
bibliotheek).
DOKTER.... Nee zuster. De eigen moeder is ’r óók bij—en dan rijd ik
meteen door. (tot Dolf)... En geen sprake van dat!... Heeft nooit ’n
voetstap in Leiden gehad... Kind van ’n marinier die in ’t gekkenhuis
overleden is... Wat ’n stakker, wat ’n wurm!... Zit benejen te snikken,
nou ze ’r positieven terug heeft, dat je ’r beroerd bij wordt....
Adieu. Tot ziens, Dolf... Tot straks, zuster. (af).