DERTIENDE TOONEEL.

Dolf, Hope.

DOLF. Je heb toch gehoord, dat Linden ’t alleen af kan?

HOPE. Ik word aan de Stichting gewacht.

DOLF. Lunchen we samen—kom zeg nou niet nee! (wil schellen). ’k Zal

orders geven, dat ze in vijf minuten.

HOPE. Dank u. Dag meneer.

DOLF. Dag meneer! Dag meneer! Hope, je behandelt me niet fair, niet

loyaal! Al m’n voorkomendheden stuiten af—op ’k weet niet wat.... Ik

buig me—ik gehoorzaam, om ’t zoo te zeggen, aan élk van de dingen, die

jij nog niet eens uitgesproken heb, en jij—jij gaat voort—met ’n

stugheid, die me razend maakt...

HOPE. Meneer...

DOLF... Schei uit met je ge-meneer—voor jou ben ’k Dolf!...

HOPE... Dat laat zich niet dwingen...

DOLF... Niet dwingen?... niet dwìngen?... Kan ’k je niet volkomen

eerlijk in je oogen kijken, als ’k beweer dat ’k nà dien nacht bij

mama’s lijk van elk gebaar, van ieder uur rekenschap kan geven? Dat

wordt op die manier ’n soort coqueteeren, ’n misbruik maken van dat

ééne incident...

HOPE... Meneer...

DOLF... Ik wìil je meneer niet meer hooren!

HOPE. (wrevelig)... Daar zal u toch aan moeten wennen. Ik heb niet één

reden vertrouwelijker met u om te gaan...

DOLF... Dus die onzinnige jacht op ’n kind—doorgezet, om de belofte aan

mama—maar nòg meer om jóú—wat je wist, wat je voelde!—die was je geen

afdoend bewijs, hoe me dat vroegere speet, hoe ik van jou....

HOPE... Nee—die onzinnige jacht heeft me... Dag meneer. Ik geloof dat

’t beter is, op ’t oogenblik allerminst met elkaar uit te spreken.

DOLF. Hope—ik sta ’r juist op. Misschien zet je hier in geen tijden ’n

voet....

HOPE... Nóóit meer.

DOLF. (gebelgd)... Heb ’k de minste onhoffelijkheid begaan?... Was m’n

welkom geen bloemen-attentie?

HOPE... Meneer, meneer—ik ben op ’t moment in zoo’n verbitterde

stemming, sta zoo wanhopig-vervreemd tegenover u, dat ’k bang ben voor

’n explicatie.

DOLF... Heb ìk tot die „verbitterde stemming” aanleiding gegeven?

Ik....

HOPE... (neerzittend—gejaagd-smartelijk)... Ik heb daarstraks zoo’n

moeite gehad me in te houden—u niet in ’t bijzijn van de anderen te...

te beleedigen... U is zoo gezond—zoo gezond—zoo stevig—zoo stellig—zoo

geestig—ik zoo zwaar op de hand—zoo aarzelend... O, wat háát ik u—wat

heb ’k u innig zitten haten—vanaf m’n binnenkomen hier, toen u enkel

vernuft, vernuft, vernuft in plaats hàrt, hàrt toonde...

DOLF... Hope....

HOPE... ’t Was „onbetaalbaar, buitengewoon” dat uw bediende me in de

wachtkamer bij die kinderen liet—door de telefoon vroeg u of ze

chocolade, anijsmelk moesten hebben... De belofte aan dat prachtige

menschje, dat nog geen minuut nadat ’k ’r verlaten had, dood uit ’r bed

viel, is voor u ’n hartelooze grap, ’n „plechtige gebeurtenis”....

DOLF... Hope....

HOPE... Hou uw mond! Verzin geen nieuwe vernuftsdingen—ik haal uw eigen

woorden aan!... ’t Heette ’n „plechtige gebeurtenis”, ’n

„vertooning”... Geen seconde had u de ernst van ’n misdadiger, die bang

is z’n òffer te zien!... Wat is dat niet te vinden—in die radelooze Zee

van menschen verdwenen kind, anders dan ’n misdadig offer geworden?

(heftig)... En nu nòg staat u te glimlachen, met dien ellendigen

supérieuren glimlach!... Met die roos in uw knoopsgat—na „de heele

nacht onder de wijn te hebben gezeten”—dat is toch zoo, nietwaar?...

DOLF. (glimlachend)... Ja, ja...

HOPE... Met die roos—of ’t ’n studentikooze fuif was—of u ’n „typisch”

uurtje meeleefde, heeft u in uw luxe-kamer—wat heb ù anders dan luxe,

luxe, luxe, van af uw geboorte gekend?—die kleine optocht van

verlatenenen, verwaarloosden gezien... die op ’n brokje erfenis

hoopten!... Die stumper, waarvan de moeder met witte haren in ’t

Gasthuis gestorven is—de stumper op „Sinterklaasavond” op de wereld

geschopt—was de eerste „niet uit de loterij”—aan de fabrieksmeid, voor

’r moeder sjouwend, moest u nog ’ns droog vragen over den bijnaam

Kreeftje—en ’r handen hadden den St. Vitusdans!—bij de twee zusters,

was u angstig, niet verheugd, niet blij iets te kunnen herstellen—toen

weer, terwijl ’k in de boekerij was, sprak u van ’n roman

fin-de-siècle!... Jammer dat de laatste niet hièr ’r epileptisch toeval

gekregen heeft—u zou ’r nog glossen en glossen bij gemaakt hebben!....

DOLF... Hope—dat gaat te ver!

HOPE... Te ver?... Te ver?... Die brief, die wanhoopsbrief van

Kreeftje, Kreeftje...

DOLF.... Die ìk niet verleid heb!...

HOPE... Die brief heeft u laten slingeren—was zoek, zoek—kwam uit dat

ding daar tevoorschijn—die brief, dien ’k haast van buiten ken, waarin

ze smeekte, smeekte, als ’n bedelares—voor jouw, jouw kind!....

DOLF. (driftig)... ’n Vrouw die met Plums en Baars en anderen leefde...

Wie zwetst dat ’t mijn kind?...

HOPE... Ik! Zij! Je eigen moeder! Jijzelf!... Heeft je vernuft, je

hatelijk vernuft straks niet gezegd, dat de stem van de vrouw de stem

van God is?.... Hoe durf jij dan vragen, twijfelen, ontkennen, bij de

woorden in dien simpelen brief?.... (’t papier van tafel grijpend—en

driftig lezend)... „Ik lieg niet, ik lieg niet—het is het kind van uw

zoon!”....

DOLF.... Nonsens! Nonsens!... ’t Kind van ’n studentenscharrel!—Wiè,

wiè, wiè zou zich daar, zònder bewijs, zorgen van aantrekken?

HOPE.... Heeft ze geld van je aangenomen, die schàrrel?... Is ze je

vrouw niet geweest, je passe-temps, die scharrel? Heb je de „opvoeding”

van je dochter niet aan ’r overgelaten, aan die schàrrel! Is m’n eigen

moeder niet op dezelfde manier... Wat voel jij met je glimlach van dat

alles?... Wat raakt ’t jou met je roos in je knoopsgat?... (in snikken

uitbarstend)... O, ik hààt je zoo, hààt je zoo, hààt je zoo....

DOLF.... Hope—Hope—laat me....

HOPE... (wild haar tranen drogend en opspringend)... Redeneer niet

meer—praat niet meer—ik kan je stem niet meer hooren!... (af door

boekerij—hij staat even houdingloos—maakt een gebaar of hij den brief

wil verscheuren—zakt in nadenken op een stoel—begint hem te lezen).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 74 / 167 题