SCHMIDT... Herinnert u zich—’95 is ’n heele tijd—welke kleur haar uw
moeder had?....
SOFIE. Rood—as me zus.
AGNES. Dat hoef-ie ’r niet bij te zegge—ze zijn blind.....
DOLF... Rood?... En ze heette Sofie?
SOFIE... As ik. (een stilte).
AGNES... Nou zeit niemand wat?
DOKTER. (tot de twee)... Ik zou wel graag willen hooren wàt uw moeder
in ’90 in Leiden dee? Weet ù dat of ù?
AGNES. Niet veel bijzonders ken je wel denke.
DOKTER. Dàt bedoel ik niet. Had ze de een of andere betrekking?
SOFIE. Hoe kenne wìj dat raje?
AGNES. Toe tante nog leefde, zee ze dat moeder—nou laa’k ’t maar nièt
zegge....
SOFIE... Nee, zeg ’t niet. ’t Het ’r niks mee uit te staan.....
DOLF... (aarzelend).... Kan uw moeder ’n relatie met ’n student hebben
gehad?
SOFIE... Wat geloof jij, Agnes?
AGNES. Ik geloof niks. Student of geen student—’n pàtser was ’t
gedorie—om me zus te late stikke....
SCHMIDT... Jawel, jawel. Maar nu de puntjes op de i—wat noodzakelijk
is!—Zou een van uw andere familieleden zich misschien kunnen
herinneren.....
SOFIE... Me hebbe ènkel ’n neef, die we nooit zien.
SCHMIDT... Zou die weten.....
AGNES. Dat broekie!... Die weet enkel van vuile en schoone kinnen—die
barbiert....
DOKTER... Kàn uw moeder bijvoorbeeld in ’n sigaren- of in ’n
manufacturen- of in ’n handschoenenwinkel in betrekking zijn geweest?
SOFIE... Alles ken....
AGNES... Wij benne op ’n atelier—dan ken zij.... Kan òns ’t schelen!
HOPE. Wil u mij eens antwoorden?
SOFIE. Natuurlijk juffrouw.
AGNES. (verbeterend)... Zuster—zie je toch!
HOPE. Hindert niet. Heeft uw moeder nooit aan uw tante ’n woordje
geschreven?
SOFIE. Jawel juffr....—zùster.
HOPE. Uitstekend. Dat móét zekerheid geven—voor de erfenis—als u een of
meer brieven bewáárd heeft..
AGNES... Ja. Me hebbe d’r ’n berg van—uit Amerika, wat Fie?... Van ’96
en ’97—as ze cente an tante stuurde—en toe nog is een van ’99—sekuur
hoor—twee negetjes naast mekaar—dat was de laatste.....
SOFIE... Vergis je je niet?
AGNES... Nee hoor!.. D’r was vijftien dollar bij...
HOPE.... Zouen wij die brieven.....?
DOLF... Waarvoor?... Voor wat?
DOKTER... Ja, zuster, is dat nóódig?
HOPE... Nee. Dat is te omslachtig. We kunnen ’t makkelijker af! (tot
Dolf)... Heeft u den brief, die bij ’t testament van.... van....
kapitein van Reesen lag, bij de hand, meneer?....
SCHMIDT... Voortreffelijk, zuster! Bravo! Ik begrijp uw bedoeling!—Ja,
meneer Van Walden: die brief kan den doorslag geven, bijna
volkomen.....
DOLF. (een la van het bureau opensluitend)... Ja, dien heb ’k ergens
gestopt—gestopt—gestopt—Nee, hier niet (andere la openend)... Da’s ’n
sla overal—’n hutspot—moet ’k toch eens probeeren te ordenen.... Wel
wat drommel, gevlogen kan-ie niet zijn... (zoekend). Nee—nee—nee...
Waar kan-ie dan? Curieus: gebeurt altijd als je iets noodig heb!....
Eureka!.... Eureka!.... ’t Lag vlak voor m’n neus... (neemt den brief
uit den sigaren-schedel).... Zeker door Jaapje verlegd.... Voilà,
monsieur Schmidt.... Snappen doe ’k ’t niet....
SCHMIDT. (fluistert Hope iets toe—zij knikt)... Zoo dames—nu hou ik
dezen brief ’n beetje gevouwen—den héélen inhoud hoeft u niet te
lezen!—en antwoordt nu eens vooral niet te haastig of de handteekening
Sofie èn of ’t handschrift op dat van uw moeder lijken. Zegt u ja—dan
moeten wij op onze beurt uw brieven inkijken. Niet haastig—’r hangt ’n
boel van af!.... (een aangehouden, nieuwsgierige stilte. Agnes buigt
over Sofie’s schouder, leest hardop).
AGNES.... „..Ik—ik”.....—ja daar staat „ik”—„ik ben wel lichtzinnig
maar niet slecht mevrouw”... (tot Sofie).... Hou je duim opzij!.....
„en ik lieg niet.... Zoo.... zoo”—hou dan stil, Fie!—„zoo ferachtig as
God me hoort.... het is het kind van u zoon... Die zich noempt...
Sophie...”
SOFIE. (haar zuster aankijkend).... Nee, hè?.... Wat vin jij?
AGNES... Vraag-ie dat nog?.... Da’s ’n keukenmeidepootje!... Of ze met
d’r linkerhand het geschreve! Nee—moeder het ’n lóópende hand—dat lijkt
op niks!—„ferachtig as God me hoort”.... Ferachtig.... Ferachtig!....
Daar hoef-ie geen twee telle over te prakkizeere.... Da’s zoo min van
onze móéder as ìk van me schooier van ’n vader ben.
DOLF. (opgelucht)... En is ’t ònmogelijk, dat uw moeder vroeger
Kreeftje heette?
SOFIE... Kreefje, hahaha!
AGNES... Nou beginne me te merreke hoe laat ’t is! Wat ’n flauwe bak!
Goed da-je niet alleen op visite gegaan ben, Fie. Magge me de papiere
terug asjeblief?
HOPE. ’t Was geen aardigheid, juffrouw—ìk zal zoo vrij zijn nog eens
persoonlijk bij u aan te komen.
AGNES. As ’t voor die brieve is, hoeft ’t niet, zuster—moeder d’r
schrift is met dat vuur en water. Blijf jij nog zitte?... Dag
mensche!...
SOFIE.... Dag juffr... zùster. Dag heere...
AGNES. (bij de deur)... As ’t géén aardigheid met dat Kreeftje was—dan
het de màn van die Kreeftje toch zeker óók ’n fijne bijnaam gehad...
Bejour allemaal! (geprikkeld af. Hope is bij de laatste woorden de
bibliotheek ingeschuifeld.)
DOLF. (schellend)... Dat was ’n stelletje! En die kleinste... nou! ’n
Verbazend vief ding! Twee, drie jaar ouwer, dacht ’k terwijl ze bezig
was—en ze zou... Complicatie voor ’n roman fin-de-siècle: de zuster van
je dochter trouwen—grootpapa van je dochter—goed dat Hope me niet
corrigeert... (tot Jaap)... Nou? Waar blijft de moeder met... ’k Had je
toch gezegd...