De vorigen, Hope.
HOPE (door de bibliotheek binnentredend). Goeien morgen, heeren.
DOLF. Was jij daar al làng?
HOPE. Pardon. Ik kom zoo juist binnen—stoor toch niet?—Dag dokter—dat
is charmant van u....
DOLF. Heeft die ezel van ’n Jaap je den weg niet gewezen?
HOPE. Jawel—zou u me even....
DOKTER. Meneer Schmidt, detective—zuster Hope.
HOPE (na wederzijdsche buiging). Jawel zeker heeft ie den weg naar de
wachtkamer gewezen. Hij dacht dat ik ook....
DOLF. Hahaha! Onbetaalbaar!.... Buitengewoon!
HOPE. Toe meneer—we zijn niet „onder ons”.
DOLF. ’k Zie ’t ’m zoo doen met dat gebit, dat-ie nog ’ns inslikt,
als-ie strooppannekoeken eet—en met z’n gedistingeerden duim,
hahaha!... Hope, wat kijk je weer als ’t laatste kwartier achter ’n
wolk! Mag ik je even ontlasten?
HOPE. Nee meneer—ik hou liever alles aan.
DOLF. Ook je hoed?
HOPE. Ook m’n hoed.
DOLF (haar de rozen presenteerend). Met m’n eerbiedigst welkom bij je
eerste bezoek—en als souvenir aan de plechtige gebeurtenis van
vandaag....
HOPE (koeltjes). Dank u wel. En mogen die meisjes nu boven komen? ’n
Bijzonder genoegen voor ze..
DOLF. Wat bedoel je?
HOPE. Ik bedoel—nee niets. Of ja! Waarom zou ’k ’t niet?.... Héél
kiesch lijkt ’t niet, meneer, vijf in elkander’s tegenwoordigheid te
brengen die nu van mekaar wéten dat ze onechte kinderen zijn.....
DOKTER. Kom, vindt u dat zoo erg....
HOPE. Ik ja—Als kind heb ’k dat óók erg gevoeld....
DOLF. Hope—we zijn niet alléén....
HOPE. Nee—dat zei ’k juist zelf. Meneer—meneer....
SCHMIDT. Schmidt....
HOPE. Meneer Schmidt blijft voor ’t..... kruisverhoor?
DOLF. Schmidt is opzettelijk gekomen, om met de stukken te verifieeren
of de identiteit kan worden....
HOPE... Vastgesteld?
DOLF. Jà, Hope!... Of moet ìk in ’n vloek en ’n zucht pà van ’n
anderman’s pa-lóós kind worden?
HOPE. Op weg hier na toe, dacht ’k, dat ik als vróúw—als eenige vrouw
met de zaak bekend—de aangewezen ondervraagster van die meisjes kon
zijn—uw mama zou ’t beslist hebben gedaan, als ze nog leefde....
SCHMIDT. Pardon, zuster—en neem me niet kwalijk, als ik me in ’t
gesprek meng—ik geef in overweging, dat uitsluitend ik en niemand
anders de noodige vragen stel. U heeft den ondergrond van ’t geval in
uw gedachten—zij weten niet beter dan voor ’n erfenis, ’n èrfenis,
opgeroepen te zijn. En zelfs als een van de vijf de meest frappante
antwoorden geeft, dienen we nog gereserveerd te blijven—moet ’t aan mij
worden overgelaten de laatste informaties in te winnen op ’t
bevolkingsregister, bij buren en zoo voort....
HOPE. Dus dan ben ìk niet noodig?
SCHMIDT. Direct nee!—Noodig zijn meneer Van Walden en misschien de
dokter, die Kreeftje—pardon juffrouw Sofie—’n paar maal gezien meent te
hebben....
HOPE. Dan wensch ’k de heeren veel succes....
DOLF. Is dat ernst, Hope? We staan ’r op, Jan Linden en ik—wat Jan?—dat
je de vertooning van a tot z volgt....
HOPE. Ik houd niet van dat soort vertooningen.....
DOLF. Val je weer over ’n woord, hahaha!...
DOKTER. Zuster, heel, heel erg verkeerd! Gesteld dat we slagen—begint
dan niet uw taak?...
HOPE. Nee, de zijne.
DOKTER. (haar in een fauteuil neerdrukkend) Stribbel niet verder
tegen!—Uw opmerking straks was niet onjuist—wij kunnen den raad van ’n
zuivervoelende vrouw uitnemend gebruiken—’t spijt me dat ’k m’n eigen
Annie niet meebrengen mocht....
DOLF. Diplomaat! (schelt) Nu exécuteur-testamentair van wijlen kapitein
Van Reesen—in positie asjeblief! (tot Jaap in de deur) Opdienen! Die
met ’r móéder ’t allerlaatst.... Ze weer uitlaten als ’k schel—’n
nieuwe bovenlaten als ’k voor de tweede maal roep. En avant. Den heelen
middag spendeeren we ’r nièt aan.... (telefoonschel—tot Linden, met
angstige stem)... Wil jij even, Jantje—of nee: jij gaat ’r te onstuimig
mee om! (vraagt met veranderde stem) Wie daar?... Hallo? (opnieuw
gewoon) Ben jij ’t Bannema?... Kerel, ’k ben gekookt!... Nee, geen
dankjes!... ’t Eenige wat ’k je kwalijk neem, is dat je me zoolang
onder de wijn heb gehouen! Geen vier uur getukt! Goed, goed—maar op ’t
oogenblik heb ’k belet. Adieu! Tot vanmiddag! (tot het meisje dat de
laatste woorden gehoord heeft, en bij de deur verlegen lacht). Ben
jij?... Pardon—ik zou m’n mond houden! Laat ’r gaan zitten, meneer
Schmidt.