De vorigen, Schmidt.
SCHMIDT (nadat Jaap de deur gesloten heeft)... Ze zijn ’r. Kan ’k
praten waar meneer bij is?
DOLF. Sans gêne! Dokter Linden—ook uit dien tijd—rechercheur Schmidt.
SCHMIDT. Detective, als ’t u ’t zelfde is.
DOLF. Je mag je precies noemen zooals je wil, als je ’r maar heb! ’t
Zit me tot hier!
SCHMIDT. Over mij heeft u geen reden van klagen! ’t Onmogelijkste, ’t
bijna bovenmenschelijke, heb ’k gedaan. Voor niet één zaak moest zoo
gesnuffeld worden—niet één was zoo ingewikkeld. Dat behoef ’k zeker
niet te resumeeren!....
DOLF. Resumeer gerust—laat m’n vriend, den dokter meesmuilen—die denkt
honderd tegen een, dat we stil hebben gezeten! Moordenaarswerk! In ’n
woestijn vind je iemand makkelijker, dan in de zoogenaamde geordende
samenleving! ’n Schande, ’n schande.... Niet rooken?....
SCHMIDT. ’k Steek ’m liever bij me. Dank u. Dokter, die vrouwspersoon
is met of zonder ’r kind radikaal, spoorloos verdwenen—spoorloos. Toen
de zaakgelastigde van wijlen mevrouw me bij zich ontbood, zonder te
zeggen wat ’r aan ’t handje was, zei ’k, zoo zeker als van ’t uur van
m’n dood, dat ’t bagatel—’t bagatel: ’k had lastiger zaakjes
uitgepluisd—binnen ’n week afgehandeld zou worden. Dat kon ’k beloven,
kon ’k, omdat we aan de kleine strafzaak tegen meneer houvast hadden,
dat van....
DOLF. Jawel jawel—meneer is me zelf met nòg wat vrienden met ’n
tweespan aan de gevangenis komen afhalen, hahaha! Herinner je je,
Jantje?
DOKTER. Hahaha, en hoe!
SCHMIDT. De dossiers heb ’k nageslagen—vond den naam van den
koloniaal—werkte den Burgerlijken Stand ’89, ’90, ’91 af, zag dat de
koloniaal in ’94 in Atjeh stierf—geen zuster ingeschreven—niet één
zuster....
DOKTER. Hoe is dat mogelijk? Hij trok toch voor z’n zùster partij!
DOLF. Val nou niet in de rede, Jantje, kind! Je hoort toch de feiten!
Natuurlijk ’n uit z’n duim gezogen zuster, om zelf geen straf op te
loopen—we hebben allebei legio zusters in die dagen gehad!
SCHMIDT. Toen zat ’k vast. De brief aan mevrouw, dien ’k in ’t begin
niet lezen mocht, was met Sofie onderteekend—en meneer had ’r nooit
anders dan, dan....
DOLF. Dan kreeftje genoemd—omdat ze zulk magnifiek rood haar had—en gek
met kreeft was—één avond twee heele bussen....
SCHMIDT. Toch erg onverstandig, als ik ’t opmerken mag—’n verhouding
zonder vàn....
DOLF. Gebeurt me ook nooit meer. Kreeftje, Puckje, Snipje—’k moet ’t me
afwennen.
SCHMIDT. ’n Volle maand ben ’k bezig geweest—de sigarenwinkel was
verdwenen—de handschoenenwinkel sinds jaren op de flesch. De
college-vrienden van meneer, die ’k zoo voorzichtig mogelijk en met de
wanhopigste tact polsen wou, hadden niet zooveel geheugen
meer—getrouwde menschen mèt posities—alleen ’n ongetrouwd lid van de
Rechtbank sprak óók van Kreeftje....
DOLF. Hahaha! Plums! Herinner je je Plums nog—Plums met z’n museum
schelknoppen en andere gemoerde dingen! En vertel ’ns van je bezoek aan
Baars, Schmidt—Kostelijk! Kostelijk!
SCHMIDT. Mr. Plums zei dat Dominee Baars ’r mogelijk ook gekend kon
hebben—mógelijk. Die was juist naar ’t Noorden beroepen. Die vroeg ’k
met ’n niet te beschrijven tact, dokter—’k zette overal ’t gesprek in,
of ’n erfenis losgekomen was—of hij Kreeftje.... Net kwam z’n vrouw de
studeerkamer in. Dominee keek me niet bepaald aangenaam aan, liet me
tot an de deur uit, sméét die achter me toe—met ’n bons....
DOKTER. Vermakelijk!
DOLF. ’k Had er bij willen zijn!
SCHMIDT. Op de registers van den Burgerlijken Stand van die jaren heb
’k gezweet, dokter—ben ’t monnikenwerk begonnen na te gaan welke
juffrouwen met den voornaam Sophie—aan Kreeftje had ’k bijzonder
weinig—verhuisd of.... bevallen.... of gestorven waren. Hielp
niemendal. Een Sophie, dochter van ’n slager, was naar Antwerpen
vertrokken—een, dat was onder de onechte geboorten, had ’n tweeling
gekregen....
DOLF. De hemel beware me!
SCHMIDT.... Later getrouwd met ’n aannemer—geen sprake van ’n bijnaam
Kreeftje.... Drie waren ’r gestorven, dochters van bekende
ingezetenen—een was in ’n bordeel beland, stond in de ouwe
politieregisters geboekt met zwàrt haar. Ik verzeker u, dat ik ’r
nachten voor opgezeten heb—en namen overgeslagen, in die kleine
universiteitsstad, behoort tot de wetenschappelijke onmogelijkheden,
zou ’k durven beweren. Jammer dat mevrouw destijds dien allereersten
dreigbrief mèt ’t goeie adres verscheurd heeft—dan waren we ’r geweest.
DOKTER. En waar haalt u dan die vijf meisjes, die beneden wachten,
vandaan?
SCHMIDT. Waar? Als niets je meer helpt—je niet ’t minste, geringste
spoor vindt—de jonge dames die zich met studenten afgeven, zijn
dikwijls overdag fatsoenlijk in betrekking....
DOLF. Zij ook—in die handschoenenwinkel......
SCHMIDT.... Op de flesch en zonder adres vertrokken—voor schulden—Als
je uitgepraat ben, kun je nog enkel aanhoudend adverteeren....
DOKTER. Gezocht ’n juffrouw met rood haar, die in ’90 den bijnaam
Kreeftje had?
SCHMIDT. Nee, dokter.
DOLF. Heb ik je de kranten nog niet laten zien?
DOKTER. Jij mij? Wanneer?
DOLF. Heeft Hope je niet ingelicht?
DOKTER. Hope? Die wordt al stil en gesloten als ze je náám hoort!
DOLF (pakket van de schrijftafel nemend). Dossier van de... verloren
dochter. Die blauwe potloodhalen! Je hoeft ’r maar een te
lezen—allemaal ’t zelfde! Ach, ach, wat ’n fumisterie, om m’n woord
tegenover de goeie, geëxalteerde ziel te houden!
DOKTER (lezend). „Erfgenaam opgeroepen”? Is ’t dat?
SCHMIDT. Natuurlijk. Om met tact—met tact—achter de waarheid te raken,
moet je ’n gevatten aanloop zoeken....
DOLF. Wou jij soms liever, dat ik annonceerde: Adolf van Walden, zoekt
de dochter van ’n zekere Sofie, bijgenaamd Kreeftje, aan wie hij in ’90
(korzelig)... alle duivels, de historie hangt me de keel uit!... De
nonsens, om iemand zoo’n absurditeit op te dringen....
DOKTER. „Erfgenaam opgeroepen”. Dat zijn advertenties, die ’r inhakken!
(lezend). „De exécuteur-testamentair van wijlen kapiteìn Van
Reessen”... Ben jij dat?
DOLF. Doe me ’t genoegen en lees zachtjes!
DOKTER. Veel te merkwaardig, om in je eentje te genieten!... „van
wijlen kapitein Van Reessen, bij leven gezagvoerder ter koopvaardij,
heeft in opdracht een belangrijk legaat uit te keeren, aan de dochter
van zekere juffrouw Sofie, achternaam onbekend, dewelke dochter einde
1890 of begin 1891 geboren werd, vader onbekend”. Dat is niet bijzonder
duidelijk!
DOLF. Zeg, zou jij ’r de zegen niet van af willen nemen?... De vijf
komen toch niet uit de lucht vallen!
DOKTER. En àls—áls—’t gelúk je meeloopt: wat dan?... Wat doe je dan met
zoo’n meisje?
DOLF. Ik doe niets—kapitein Van Reessen, oud-gezagvoerder doet. ’n
Betamelijk jaargeld—’n centje om te trouwen—’n... Als mama me zoo in de
klem zag, zou ze meelijden met me hebben!... In geen drie maanden rust,
om ’n caprice! Heb jij—die daar zoo genoegelijk zit te
grunneken—makkelijk lachen van ’n ander z’n pech!—heb jij zekerheid,
dat ’r niet ergens ’n Lindentje zwerft? Dat kleine rooie Kreeftje—nee
kwaad mag ’k niet van ’r spreken—’t was ’n aardig ding.... Als ’k ’n
enkele, dood-enkele keer op m’n kamer zat te zwóégen, zwerend dat ’k
niet naar de kroeg zou gaan, dan kon je zoo zachies in de straat
(imiteert het signaal van daareven) hooren fluiten—en als je dan je kop
door ’t raam stak, zag je de leuke rooie pruik... Dan smeet je de
sleutel naar beneden—en dan—dan leien je gedrochtelijke boeken ’s
morgens net zoo eender—Jammer toch—jammer—verdomd jammer van de
meìd—heeft nooit geld van mìj willen aannemen—Plums, Baars moesten
dubbel betalen.... Nou, Schmidt—waar wachten we op?