De vorigen, Mevr. van Walden.
MEVR. V. WALDEN. Nee ik.
HOPE. Ben u opgestaan? De dokter....
DOLF. Mama, hoe dùrft u? ’t Was u verboden!
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). M’n krant had ’k uit en toen méénde ik
jouw stem te hooren....
HOPE. Mevrouw, u moet dadelijk, dadelijk weer....
DOLF. Hoe kunt u dat doen? (Omhelst haar). Ongehoorzaam moedertje! Ik
blijf hier zóolang u me houden wil—maar u gaat naar uw kamer.
MEVR. V. WALDEN (Hope afwerend). Nee kind—vijf minuten—op de klok af
vijf—dan mag je desnoods met geweld....
HOPE. Mevrouw....
MEVR. V. WALDEN. Spreek ’k óóit onwaarheid, Hope? Ik ben beter—de
aanval is voorbij. Dat voel ’k zelf ’t beste.... En—nee, ik neem den
stoel bij ’t balkon—even de zee hooren—dank je!—en wou ik zeggen, als
’t ergste nièt voorbij is, dan wil ’k van ’t gevoel van opluchting
profiteeren, om ’n oogenblikje, één oogenblikje met jou, jongen, te
praten....
HOPE. Praten doet u vooral niet....
DOLF. Beslist niet.
MEVR. V. WALDEN. Goed kinderen... ’k Zal matig zijn. Doe de deur achter
me toe, Hope—’t trekt ’n beetje—’t raam in de slaapkamer staat open.
HOPE. Dan doe ’k ’t dicht. (af).
MEVR. V. WALDEN. Dolf, beste jongen: dat meisje is meer dan ’n
engel—dat meisje is ’n vrouw zooals God ’r weinig geschapen heeft... Ik
heb geluisterd. Ik weet dat ze—dat jij ’r ongelukkig maakt—dat ze...
(Hope treedt binnen).... Ik zei, Hope, dat ik de Stichting... Je mag
vannacht niet opblijven, kind—onder geen omstandigheden—twee heele
nachten heeft ze gewaakt, Dolf.... En jij—heb ik je in de jacht
gestoord?...
DOLF. Nee. Nee. ’k Wou vandaag hier in de buurt...—toen hoorde ’k
toevallig dat u in ’t zelfde hotel....
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Ja. Jawel. Mag ik ’t niet weten dat je
gewaarschuwd ben? Ik ben niet bang voor den dood....
DOLF. Nou mama! Op uw honderdsten jaardag zullen we over dood beginnen
te....
MEVR. V. WALDEN.... Nee jongen—je hoeft ’r niet over heen te praten.
Hope weet hoe ’k ’r over denk. ’t Leven is ’n reis—’n reis—Wie heengaat
komt wat vroeger aan. En die reis maken we allen, is ’t niet?.... Hoe
komt ’t dat ’k je zoo lang niet gezien heb?....
DOLF (glimlachend). Drukte. Buitengewone drukte, mama.
MEVR. V. WALDEN. Dat is ’n genot hier voor ’t raam. Ja—’n buitengewoon
genot. Neem ’n stoel, Dolf—dicht bij me—nog dichter—dan kan ’k zacht
blijven spreken. Jij ook, Hope, m’n goeie, beste Hope. Zoo is ’t goed.
Zoo zit ’k of me niets kan gebeuren. Jammer dat Charles weg is gegaan.
Heb jij bezwaar tegen ’n legaat, ’n heel groot legaat, Dolf—laat me je
hand houden—dat ik per testamentaire beschikking aan de Stichting... ’t
Staat in m’n wil... maar van kracht is ’t niet, zei de notaris—als
jullie....
DOLF (vroolijk). Alweer over dingen waarover we na dertig jaar zouen
spreken....
MEVR. V. WALDEN. M’n jongen—gekscheer niet. Ik ben opgeschreven....
HOPE. Nou mevrouw! Toe!
MEVR. V. WALDEN. Op mijn leeftijd voel je precies—hoelang nog en
(glimlachend) wanneer... Zul jij je niet verzetten?—Dolf?
DOLF (luchtig). Ik geef permissie me te onterven! Daar!
MEVR. V. WALDEN. ’t Is ’n enorm bedrag.
DOLF. Doe zooals u ’t zelf wil—’k vraag naar niets...
MEVR. V. WALDEN. Ook niet waarom die Stichting me zóó na aan ’t hart
ligt?
DOLF. Mama—u heeft die liefhebberij—ik ’n àndere.
MEVR. V. WALDEN. Liefhebberij? Nee—ik lieg niet—ik draag ’n schuld.
Geef me ’n glas champagne, Hope. Ik ben toch ièts vermoeider dan ’k
dacht.
HOPE. Nee mevrouw. Dan gaat u naar bed.
MEVR. V. WALDEN. Geef me ’n glas, Hope—je zou ’r later spijt van
hebben. Ik wil, wìl van m’n schuld vertellen—voor ’t eerst—en voor ’t
laatst, omdat je alles toch onder de papieren zal vinden.
DOLF. Mamaatje—ga niet op die malligheid door! Als ù—ù—hahaha!—schuld
heeft, nemen wij die graag over, niet waar, Hope?
HOPE. Natuurlijk, mevrouw—zulke gesprekken winden nutteloos op... Wil
ik de deuren sluiten? ’k Geloof dat de wind begint op te steken.
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Een glas—doe wat ’k vraag. Dank je
(drinkt). ’k Kan op die manier aan de drank raken. Luíster. Ik zeg ’t
zonder opwinding, omdat ’k er overheen ben. ’n Halve eeuw jaagt de
ergste gebeurtenissen uit je herinnering. Ik heb uit m’n eerste
huwelijk....
DOLF. Eérste?... Wat zegt u?...
MEVR. V. WALDEN. Niet in de rede vallen, jongen—uit m’n eerste huwelijk
twee kinderen gehad—’n jongen en ’n meisje, was toen de vrouw van
’n—van ’n man waarvan ’k nièt hìeld, die me door m’n vader op was
gedrongen—ik was negentien, zelf ’n kind. Toen gebeurde wat zoo
dikwijls gebeurt—ik raakte op je vader verliefd—hij op mij—zoo
verliefd—zoo verliefd—daar vecht je tegen—vecht je tegen, tot.... Met
geweld wou m’n man me houen—hij dee leelijke díngen—laat ’k ’r over
zwijgen. Ik liep weg. Het was uit. En ik hertrouwde....
DOLF. Mamaatje—al wat jij gedaan heb, gedaan kan hebben, is goed en te
begrijpen. Niet verder op doorgaan.
MEVR. V. WALDEN. Nee jongen. Hiér begint m’n schuld. Ik had twee jonge
kinderen verlaten—de jongen drie, ’t meisje twee. En dat màg niet. Dat
is zoo wreed, zoo misdadig—schaapjes op dièn leeftijd, die op de móéder
aan zijn gewezen. Nee—niet in de rede vallen! Niemand kan over zoo iets
oordeelen. ’t Wordt ’n ding voor je geweten. Enkel voor je éigen
geweten. M’n eerste man had ’t niet breed. Ze hebben armoe
gekend—later. En nooit genegenheid, de stumpers. Als hij aan z’n werk
was, werden ze door ’n meid verzorgd—vérzòrgd. Drie, viermaal heb ’k
geprobeerd met gèld te helpen—wou-ie niet. ’k Wou ze voor mijn rekening
’n opvoeding geven—wou-ie niet. Toen ’k eens de reis had gemaakt, om ze
te zien, werd ’k ziek zooals ze ’r verwaarloosd uitzagen—’t kleine
lekkere meisje vooral—mijn dochtertje, als ’k ’t recht heb dat nu nog
te zeggen. Op ’n dag—nee, maak je niet ongerust—’t is zoo dood en
ver—is ’t ventje overreden—’n jaar later stierf ’t meisje—dat tengere,
zwarte ding aan typhus—ongekookte melk. Dolf, m’n jongen—’k heb m’n
plicht bij de grafjes mogen doen—m’n plicht... m’n plicht...
DOLF. Zie geen spoken mama—plicht is ’n ding...
MEVR. V. WALDEN... ’n Ding, dat ik in die dagen als ’n last, ’n
machtspreuk—over boord wierp—dat toch zoo’n genot, zoo’n rust geeft....
DOLF. U zegt zelf: u wàs verliefd—èn, dat mogen wij vóor alles zeggen:
voor òns was u....
MEVR. V. WALDEN. Niet doen. Mij hoef je onder geen omstandigheden
te—te—overtuigen, te troosten. ’t Is zoo ver weg, zoo zonderling-ver,
of ’k als ’n gestorvene over wat-begraven-is babbel. Na den dood van je
papa en je broer, ben ’k wakker geworden, heb ’k geprobeerd aan andere
kinderen te vergoeden, wat ’k naliet toen ’k nog niet dacht, nee niet
dacht. Ja, Dolf, dat werd m’n liefhebberij, m’n „liefhebberij”....
DOLF. Excuseer, dat ’k dat woord gebruikte.... Mag ze nòg langer
praten, Hope?
HOPE. Toe, mevrouw—wat luistert u slecht....
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Ik heb niet de geringste
benauwdheid—en—en.... nu ’k den vogel, die zoo zelden op ’t nest is,
even bij me heb—moet ’k nòg een, nòg één belofte....
DOLF. Mamaatje, ik geef je mijn eerewoord, dat ik èlk verlangen, zònder
uitzondering, zal respecteeren—’t legaat en ook het andere dat je nog
niet gezegd heb—handslag!
MEVR. V. WALDEN. Je ben ’n beste jongen—en wij—ik—hou heel veel van
je—maar die eene belofte moet, moet je nu, nú—je kan nooit weten hoe
gauw ’t...
DOLF. Afgesproken, mamaatje—ik doe ’t....
MEVR. V. WALDEN (hem de hand op den mond leggend). Ssst! Sssst!.... Wij
hebben sàmen iets leelijks gedaan, samen—jij en ik...
DOLF. Hahaha!.... Goed.
MEVR. V. WALDEN. Niet lachen—’t is heelemaal niet om te lachen. En als
’k ’t zeg, Hope, kind, met opzet in jouw tegenwoordigheid, is ’t met de
opdracht dat je hem dag aan dag zal helpen onthouden als-ie lichtzinnig
doet....
DOLF. Excellent! Hoor je dat, Hope? ’k Zal volgens de letter....
HOPE. Ik wou liever—mevrouw....
MEVR. V. WALDEN. Niet tegenstribbelen, Hope, m’n allerbest kind.... In
achttien-honderd-negentig, Dolf, heb je—heb je veertien dagen (met
moeilijken glimlach) gezeten....
DOLF (luchtig-vergenoegd). Ja mamaatje, daar staat me wat van bij....
MEVR. V. WALDEN. Je was met ’n meisje (beschaafd-aarzelend)—te ver
gegaan—en de broer, die ’t zich aantrok—mishandelde je....
DOLF (vroolijk). Gretchen—Valentijn—Faust....
MEVR. V. WALDEN. Dolf! Dolf!... Heusch, we hebben iets léélijks gedaan
in die dagen.... Zij was in—zie me niet zoo làchend aan, jongen!—zij
was in—omstandigheden. Jij heb niet meer, nóóit meer naar ’r omgekeken.
DOLF. Mamaatje!.... Laten we ’n tikje redelijk blijven..
MEVR. V. WALDEN. Dat bèn ’k....
DOLF. U heeft geen flauw begrip over wie, over wat u spreekt....
MEVR. V. WALDEN. Ik spreek over—over de moeder van—laten we zeggen: ’n
kind....
DOLF. Slik ’t maar niet in! Ik kan ’n stootje velen, hahaha!... Och,
och!... Twéé paar gefronste wenkbrauwen!... Nee zeg, laat me geen uur
op ’t zondaarsbankje zitten, hahaha!... ’n Kluifje voor Hope..
Mamaatje: alle gekheid op ’n stokje—èn àls ’k ’t me goed herinner—ja,
al kijken jullie als scherprechters!—àls ’k me goed herinner: ’k heb
geen dagboek van m’n zonden aangelegd, hahaha!—die juffrouw, die me
indirect belet heeft door te studeeren—jammer!—had—was... Is dàt ’t
onderwerp voor ’n gesprek met jùllie—was ’n—(met lachend geweifel) ’n
dametje van licht....
HOPE. ’n Gevallen vrouw.
DOLF. Dat kun je ook minder sòmber zeggen! Ze had al met meer dan
een—nou flap ’k ’t ’r uit, omdat jullie me ’t vuur aan de schenen
legt—met ’n paar dozijn gelééfd—toen ik aan de beurt kwam. Dat klinkt
hard en ruw, mamaatje: ik maak ’t leven niet. Op ’n dag beweerde ze,
dat ’k vader—en de mogelijkheid wàs helaas niet buiten gesloten....
Drie, vier, vijf maanden later—leg me op de pijnbank—precies weet ik ’t
niet!—had je de herrie met ’r zoogenaamden broer.... ’k Herhaal—om ’r
’n eind aan te maken—laten we redelijk blijven—ik heb ’t mijne
gedaan... heb behoorlijk gedokt—tot ze, gelukkig voor ons allen van de
vlakte verdween....
MEVR. V. WALDEN. Dàt wist ’k allemaal. Maar ’t kind is geboren—’n
meisje, Dolf....
DOLF (luchtig-verwonderd). Och kom!... Hoe weet ù dat?
MEVR. V. WALDEN. Voor de geboorte heeft ze me—’n „dreigbrief”
geschreven—nà de geboorte nòg een....
DOLF. En?....
MEVR. V. WALDEN. En.... En niets.... In één-en-negentig dacht ’k zoo
alleen aan mezelf, was ’k zóó’n egoïst—zoo bang voor de wereld, die m’n
eerste huwelijk vergeten was—dat ’k ’r nièt antwoordde, geen letter. Je
papa zond ’n honderd gulden in gesloten couvert. Den eenen brief heb ’k
verscheurd—den anderen bewaard, om ’r—hoe láát ben ’k mènsch
geworden!—om ’r politiezaken van te maken, als ze nog eens probeerde
„af te dreigen”.... Verleden week bij ’t sorteeren van paperassen, vond
’k ’m.... En ’k kreeg ’r de tranen van in m’n oogen.... ’t Wàs ’t
geluid van ’n moeder, die geen uitweg weet.... Je kunt ’m zelf
lezen—hij ligt bij m’n laatsten wil—en die laatste wil is ook, vóóral
ook, Dolf, dat je onderzoekt wat ’r van die vrouw is geworden, als ’t
mij niet lukt..
DOLF (luchtig). Ik ben ’r paf, paf, paf van—ù niet lukt...?
MEVR. V. WALDEN. ’k Heb m’n chargé-d’affaires last gegeven informaties
in te winnen—zoo discreet mogelijk.... Begrijp je, jongen, dat als ik
toen wakker was geweest—ik—jij was misschien te jong voor
verantwoordelijkheidsgevoel—dat ik jouw.... jouw....
HOPE. Zijn dòchter....
DOLF. Merci voor ’t waarmerk!
MEVR. V. WALDEN. Dat ik jouw dochter—ze kàn ’t geweest zijn—nóóit aan
’r lot zou overgelaten hebben?.... Geen glimlach, jongen.... Toe, toe,
geen cynisme! (grijpt z’n hand opnieuw).... Doe de belofte, die ’k je
vraag, dat je die vrouw en vooral dat kind—kind—hoe de tijd vliegt!—àls
ze onder de lévenden is, moet ’t ’n meisje van zeventien, achttien
zijn—dat je ’r zóó lang zal zoeken tot je ’r vindt....
DOLF. Kom, mamaatje—wat ’n excessieve....
MEVR. V. WALDEN (dringender). Je zal ’r me zóó gelukkig mee maken,
jongen—ik pleit niet voor die vrouw—ik pleit niet tegen ’r—ik denk aan
’t kind....
DOLF. Wat is dat mamaatje? Tranen! Tranen?
HOPE. Mevrouw!
DOLF (glimlachend). Daar—ik beloof ’t.
MEVR. V. WALDEN. Glimlachend? Glimlachend?
DOLF. Als ’k ’t maar belóóf, hé?... (zwak-spottend). ’k Steek ’r m’n
vingers bij op, dat ’k waarachtig moeite zal doen ’r te vinden. Hoe
heet m’n.... vrouw ook weer?
MEVR. V. WALDEN. Weet ’k niet. Sofie... Sofie...
DOLF. Dat marcheert. Ik ken ’r enkel als Kreeftje! Kreeftje....
MEVR. V. WALDEN. Zul je dat kind als ’n dochter...?
DOLF. Als ’k er ù—en m’n vriendin Hope—mee plezier....
MEVR. V. WALDEN. Zoo waar Gòd ons ziet?
DOLF. Mamaatje—moet ’t zoo plechtig! ’t Wordt ’n geweldig
stuivers-romannetje....
MEVR. V. WALDEN. Ik heb zoo’n spijt van m’n harteloosheid.
DOLF. Geexalteerd moedertje: op één conditie herhaal ’k m’n belofte in
vòlste ernst—als je weer een, twee, drie gaat rusten—we zullen Jan
Linden niet onder de oogen durven komen....
MEVR. V. WALDEN (hem op ’t voorhoofd zoenend). Dank je—dank je, jongen.
Al lijkt ’t je nog zoo overdreven—’t gaf me den heelen dag ’n gevoel
van gejaagdheid, of ’k iets vergeten, iets vergeten had... Je arm,
Hope—’k zal vannacht als ’n roos slapen. (bij de deur). Ontbijten we
samen? Ja? Acht uur.... En vast afgesproken, Dolf?
DOLF (bij de deur). Vast.
MEVR. V. WALDEN (reeds onzichtbaar). En zonder uitstel?... Van af
morgen?
DOLF (lachend). Van af morgen. M’n jachtkostuum kan ’k ’r voor
aanhouden, hahaha! Dat zal ’n jacht met hindernissen worden. Mamaatje!
Mamaatje! (sluit de portières). Binnen!