Hope, Dolf, de Kelner.
HOPE. Heeft u me noodig, meneer?
DOLF. Zou jij anders niet komen?
HOPE. Natuurlijk wel.
DOLF. Hope—ik heb voor jou ’t grootste respect.
HOPE (pijnlijk). Jawel, meneer.
DOLF. Waarom zeg je dat „jawel” met dat vervloekte „meneer” ’r bij—op
de ouwe haatdragende manier?
HOPE. Ik ben niet haatdragend.
DOLF. Kom nou—op m’n eerewoord....
HOPE. Doe u me één genoegen—en maak niet zoo’n misbruik van
eerewoorden... Eer is zoo’n bijzonder ding voor ’n vróúw...
DOLF. Door ’n man zou ’k me zoo iets niet laten... En in jouw mond
klinkt ’t leuk... Jij heb ’n methode (met nadruk)... Hope—ik vraag je
zoo echt en zoo welgemeend excuus voor m’n gemeenheid van dien
avond!—Ik heb geen bedoeling, geen bijbedoeling—’k voel enkel de
behoefte je met genegenheid, met eerlijke vriendschap, de hand te
drukken... Wees niet stijfhoofdig...
HOPE. Nee, meneer! (weigert de hand. Geklop) Binnen. Wat is ’r?
KELNER. Vous avez sonné...?
DOLF. Breng jij ’ns vlug ’n biefstuk of ’n chateaubriand of ’n
entrecote—met pommes frites—(tot Hope). Màg ’t hier?
HOPE. ’r Is gedekt.
DOLF. En wat groenten...
KELNER. Pointes d’asperges?... Epinards?
DOLF. Pointes d’asperges.
KELNER. Et après...
DOLF. Niemendal. Verdwijn! ’k Val flauw. (Kelner af). Hope, schenk je
vergiffenis?... ’t Heeft me zoo gefrappeerd dat jij weer bij mama terug
ben, dat jij me—me—seinde—jij... na m’n onhebbelijke, lage, laffe,
liederlijke—meer adjectieven zul je wel niet verlangen!—behandeling,
dat ik goed met je móét worden... Die bloemen zijn voor jou...
HOPE. Dank u—zal ik nièt accepteeren.
DOLF (glimlachend). ’n Páár kun je ’r drogen zooals die in je
verzenboek...
HOPE (schrikkend). Begrijp u niet...
DOLF. De derde keer! Nièmand begrijpt me vandaag! Race van onbegrepen
naturen! De boschviooltjes die ’k dien fameuzen Zondag—die ’k zóó dicht
bij ’t water greep, dat jij m’n hand moest vasthouen—liggen die niét in
dat buitengewoon boek gedroogd?
HOPE. Dat boek heb ’k geleend—die bloemen interesseeren me niet! (laat
ze er uit vallen—wil naar haar kamer terug).
DOLF. Dus—géén wapenstilstand?...
HOPE. Als ’r geen oorlog is, hoeft ’r niet over wapenstilstand
gesproken te worden.... (nieuw gebaar naar de kamer).
DOLF. Ik had dien nacht wat te veel champie...
HOPE. Hoe langer u ’r op doorgaat—hoe onkiescher ’t vooral voor mij
is—voelt u dat niet?....
DOLF. Eén woord van je, Hope....
HOPE (bitter). Vanmorgen, terwijl ’k me aankleedde, had de kelner, die
straks hier was, de impertinentie binnen te komen—zonder kloppen—ik
stond in m’n onderlijfje....
DOLF. Goed dat je ’t zegt.... De kwajongen!...
HOPE. Dien avond—toen u te veel „champie”—nee, nu zàl ik ’t zeggen—toen
u te veel gedronken had, dee u èrger.... Als ’k niet geschreeuwd en
gegild had—als er geen dienstboden bóven hadden geslapen—zou u....
(smartelijk).... Terwijl u wist hoeveel ik tóén—tóén—lach niet: dat’s
uit, ùit—hoeveel ’k tóén van u hield... (met bedwongen tranen).... Dien
heelen nacht heb ik liggen huilen, dacht ’k die beleediging—dat ’n
vrouw zóó schandelijk in ’r bed te overvallen—dat ’n vrouw als ’n dier
willen behandelen—had ìk reden gegeven?—ooìt?—niet te boven te zullen
komen.... U had geen respect voor ’t dak van uw mama, die meer dan ’n
engel voor me was—geen consideratìe voor m’n herinneringen, geen ontzag
voor de beste, liefste dingen van ’n meisje, dat in de droomen van ’r
kamer zoo laag, zoo ontuchtig opgeschrikt wordt!
DOLF. Ik wàs toen ’n bruut, Hope—had je den volgenden morgen—daar: op
m’n knieën excuus willen vragen!—jij was geëclipseerd....
HOPE. Natuurlijk....
DOLF. En m’n brief van vier—zès zijdjes, ’n vol uur werk!—bleef
beantwoord....
HOPE. Natuurlijk....
DOLF. Wat kon ’k meer doen?... En summa summarum, Hope-lief, àls ’k ’t
zeggen mag—dat lijkt nu nog alles ’n tragedie—’n half Sabijnsche
maagderoof—’n... (posteert zich voor haar deur). Nee, je gaat ’r niet
vandoor!...
HOPE. Dat zal van uw toon afhangen....
DOLF. ’k Heb nu maar één glas gedronken, Hope—en mama ligt daar,
Hope—en wànneer ’k ’n Blauwbaard ben, Hope, ben ’k toch ook nog ’n
beetje gentleman, waarachtig ’n beetje—een, die fair genoeg is zich te
schamen over ’n laagheid... Ga je nu weer dáár zitten?... Spelen we
verstoppertje...?... (zet zich over haar). Enkel twee vragen.... Klopt
’r niets, niets meer voor me onder dat charmante verpleegsterskostuum,
dat je prachtig staat?
HOPE. Meneer, ik ben in geen stemming.......
DOLF. Ik wel.... Tweede vraag—en sérieus, Hope—zoo sérieus als ’t bij
’n bed, dat ’n sterfbed had kunnen zijn, mogelijk is!—zeg jij jà,
wanneer ’k je... wanneer ik je... wanneer ik je.... Dat is driemaal....
Hahaha!... ’k Zit te hakkelen, als ’n jongen van de Burgerschool....
Dat komt, omdat de knot van je haar me geweldig biologeert.... Kun je
je nu niet zoo’n heel klein tikje naar me toedraaien?... Hope!... Moet
’k alleen je haarknot en ’n schattig stukje oorlel zien—als ik je
vriendelijk verzoek meelij met ’n ouwen doordraaier te hebben, door ’m
te tróúwen....
HOPE (opstaand). Foei!
DOLF. Foei?... Is de vraag zoo misdadig?
HOPE. Als ’k die schandelijke inval in m’n kamer, dat twee, driemaal
met geweld ’n omhelzing opdringen....
DOLF. Wat heb je ze wanhopig-precies geteld....
HOPE. Als ’k dat zou kúnnen vergeten—zou de nieuwe grofheid....
DOLF. Nièuwe grofheid?....
HOPE (scherp). ’t Vereerend aanzoek, terwijl we u seinden bij de
dame—de dame—waarmee ’k diep meelijden voel....
DOLF. Meelij met de brave Snip?... Sta jij nog zóo groen tegenover ’t
leven, dat je me voor ’n hartebreker bij ’n vrouw, die ’r liaisons als
’n záák behandelt, aanziet?
HOPE. Doet ù ’t anders? Als zij geld aan-neemt—is ù ’t toch, die ’t
gééft? ’n Vrouw, die ’r hand ophoudt is meelij waard....
DOLF. Hahaha, ’n wel duur handje!
HOPE. De man, die betaalt, kóópt—daar....
DOLF. Die vin jij ’n schavuit....
HOPE (rustig).... Erger.
DOLF. Merci. Bijzonder dankbaar. Maar wanneer ik zoo’n climax van
schelmerij ben—één lachje, Hope, en ’k krijg de delikaatste kuiltjes in
’n paar niet te beschrijven wangen te zien... nee?...—wanneer ik ’n
ongewoon specimen van verdorvenheid lijk—op ’t punt in de armen der
Snippen en Snipjens onder te gaan, brrr!, steek jij me dan ’n stroohalm
toe.... Daar heeft de ellendigste drenkeling recht op....
HOPE (de schouders ophalend). Och, u heeft geld genoeg ’n beter houvast
te betálen.
DOLF. Jij praat met de rancune van ’n ouwe vrijster! Hoe leelijker ’n
vrouw is—hoe sekuurder ze zitten blijft—hoe ongezoutener ze tegen
beulen als ik tekeer gaat. Maar jij: waarom doe jij zoo
zwaar-op-de-hand zoo als ’n christelijk grootmoedertje, zoo....
HOPE.... Dat is ’n puzzle, meneer.
DOLF.... Iets voorwereldlijks....
HOPE (bitter).... En vervelends....
DOLF (glimlachend). De nonnekap zou je nog meer flatteeren....
HOPE. ’t Jachtcostuum flatteert u—ieder z’n keus niet waar?
DOLF. Alweer merci!—Hoe edeler ’t wild—hoe prikkelender de
tegenstand—Kom nou, Hope.... Die maanden en maanden na de gebeurtenis,
ben je niet uit m’n gedachten geweest—M’n dolle streken waren voor
negen tienden baloorigheid.... ik hóú van je. Ik kan—zoo waarachtig als
ik geloof te leven—ik kàn niet buiten je.... Zoo groot is geen
minachting....
HOPE (stil).... M’n moeder is verleid, als meisje van achttien—heeft
zich van kant willen maken, toen hij, zoo een als u, ’r verliet—met ’n
fooi voor ’t kind dat nog geboren moest worden—met ’n fooi—met ’n fooi.
Ik heb ’r nooit gekend, heb ’r niet zooveel duizend maal kunnen danken,
als ze duizend maal tranen gehuild moet hebben.... Voor m’n
vader—vader!—voel ’k de diepste, diepste verachting.... En geen
mogelijkheid, om ’m ’r iets van te zeggen—’k weet z’n naam
niet—(wraakzuchtig)—tot m’n spijt—tot m’n innigste spijt! Nou kan u
nagaan hoe ’k over u denk.
DOLF. Dien dag van de boschviooltjes dacht je toch minder
puriteinsch—ik heb m’n doen en laten nooit onder leugentjes
gemaskeerd....
HOPE. Dien dag ja.... Dien dag hóópte ’k, droomde ’k... dat u voor—voor
invloed vatbaar was—en ’k moest me in m’n eigen kamer—’s nàchts..
verdedigen.... ’n Week later had u ’n nieuwe liaison... (opstaand). Dat
is nu zeker de laatste maal, meneer, dat we over ons „verleden”
spreken. Over ’n paar dagen, wanneer mevrouw vervoerd mag worden, ben
ik weer in de Stichting—u in de „wereld”.... Laten we het mekaar niet
lastig maken. Ik heb geen lust u de les te lezen—u nòg minder genoegen
zoo’n weinig mondain discours op te houden.
DOLF. ’k Was juist van plan ’t in meer mondaine paadjes te leiden....
Dus àlles tusschen ons uit?
HOPE. Gesteld dat ’r iets bestaan heeft—dan ìs ’t uit.
DOLF. Hahaha!... Je ben om te stelen, Hope!... Ik heb nog nooit m’n
schavuite-hoofd gestooten—en jij, jij....
HOPE. ... En ik?...
DOLF (met hartstocht)... Jij wil niet beter dan dat ik je weerbarstige
handjes met geweld in de mijne neem, dat ik mijn lippen op de jouwe...
HOPE.... Liever zou ik me....
DOLF.... Zou je je.... Praat uit!
HOPE (heftig). Ik heb geen achting voor u!
DOLF. Ik voor jou dubbel.
HOPE. ’n Man waartegen ik niet opzie....
DOLF. Hoeft niet. Je hóúdt, hóúdt, hóúdt van me, Hope—je wil je zelf en
mij wat wijsmaken....
HOPE (heftig). Wijsmaken?... Wijsmaken, waar ’k geen grein eerbied...
(schrikt). Daar klopt iemand. Straks heeft de kelner staan
luisteren....