Charles, Dolf.
DOLF (robuste man, ongeveer veertig, blonde
volbaard—jachtkostuum—bloemruiker in de hand—praat tot den kelner
buiten). Als ’r geen kamer is, dan maak je d’r een. Wat zeg-je... Enkel
’n badkamer? Dan ’n badkamer! En de rommel uit de auto naar boven
halen.... Ja, ja.... Goed! (tot Charles). Wel wat drommel.... (Charles
wijst naar de portières). Heb jij geseind?... ’t Is toch niet....
(Charles ontkent). Dat is ’n pak van me hart.... We hebben over de
tachtig kilometer geloopen.... Midden op den weg oponthoud—’n boerekar,
die natuurlijk verkeerd uitweek in ’n sloot gerejen—scheelde geen haar
of we hadden met de auto ’n saut périlleux gemaakt.... Of de kaffers ’t
’r om doen, om doen!... Hoe is ’t met mama?... Meer angst dan ziekte,
zooals de laatste maal?... Of....
CHARLES. Ze moet op ’t oogenblik weer heel opgewekt zijn. De dokter is
juist bij ’r—ik ben nog geen uur geleden van Trouville binnen komen
vallen.
DOLF. Was dat telegram, aan Snip geadresseerd, van jou?... Verbazend
handige inval! M’n compliment. Anders was ’k mogelijk nog bij Beelaart
op de jacht!
CHARLES. Snip?... Snip?... Ik heb niet getelegrafeerd, omdat ’k pas
zèlf gearriveerd ben—en Snip—Snip? Wie is dat, als ’k vragen mag?
DOLF. Snip.... Madame Lebeau....
CHARLES. O. Wist niet dat die juffrouw ’n zoo gedistingeerden
bijnaam.... Hope heeft u aan dat gerenommeerd adres ’n laatst telegram
gestuurd—op de andere kreeg ze gister en eergister geen antwoord...
DOLF (eenigszins ontstemd). Hope?... Hope?... Is Hope hier?... Bij
mama?
CHARLES. Verwondert u dat?
DOLF. Och nee. En och ja. ’k Weet ’t niet (loopt een weinig geprikkeld
op en neer). Dat heb jij ’r toch niet?
CHARLES. Ik begrijp niet wat u bèdoelt....
DOLF. Of jij.... Doet ’r niet toe.... Geef me ’n sigaret. ’k Ben wee
van honger.... Me geen tijd gegund te dineeren. Merci.... M’n handen
trillen nog van den stuurstang (lucifer aannemend). Merci (zakt in den
stoel voor het raam). ’k Dacht waarachtig, dat ’t deze keer.... ’k Zou
’r enorm spijt van gehad hebben.... Want al ben ’k ’n dozijnmaal, op de
ongelegenste momenten opgeschrikt—niet waar?—al is ’t goddank—geloof
jìj an zoo’n sinjeur daar boven?—ik niet!—al is ’t goddank telkens met
’n sisser afgeloopen—één keer moet ’t gebeuren—en dan zou ’t meer dan
beroerd zijn, als je die oogen voor goed gesloten vond.... Duurt ’t nog
lang daarbinnen?... Kan ’k kloppen?...
CHARLES. Ze zullen wel dadelijk komen.
DOLF. Ze?... Ze?... O ja.... Attent van die kleine Hope. Dus diè heeft
Snip, Snipje, ’n dépêche gezonden.... Charley, boy, ik geloof....
CHARLES. U gelooft?...
DOLF. Niemendal. Niemendal. ’k Geloof heelemaal niet—zei ’k straks
al.... Kan ’k me handen ergens wasschen?... ’t Bloed van de
patrijzen—heele koppels hebben we onder schot gekregen—ja
waarachtig!—kleeft ’r nog an—zoo gehaast als ’k in de auto van Beelaart
gesprongen ben, toen de manke boschwachter op ’n fiets—dat had je
moeten zien—een kruk zoo en een zoo—me de boodschap van Snipje kwam
brengen.—Is hier geen waschgelegenheid?...
CHARLES. Hiernaast op 59—de kamer van Hope....
DOLF. De kamer van Hope?... Nee.... Wetboek van Strafrecht,
artikel—artikel.... Nou welk artikel?
CHARLES (lachend). Begrijp u niet....
DOLF. Dat ’s de tweede maal, dat ’k voor jou te diepzinnig ga (werpt de
sigaret uit ’t raam). Deugen niet—die papieren dingen van de régie....
Heb je Suus meegebracht?
CHARLES. Nee. Ze—ze kon niet zoo op slag mee.
DOLF. Hoe laat ben je uit Trouville vertrokken?
CHARLES. Vannacht—ja vannacht....
DOLF (glimlachend). Je zegt dat of je ’t zelf niet precies weet....
Maakt de kleine Ninette ’t goed?
CHARLES. Uitstekend.
DOLF. De bronchitis heelemaal weg?
CHARLES. Totaal. En gelukkig. Als dat kind wat overkomen was....
DOLF. Dan?
CHARLES. Nou dan niets—u kunt u voorstellen—of misschien ook niet—hoe
je van zoo’n baby houdt.... Ik dweep met ’t goudkopje (een portretje
uit z’n portefeuille nemend). Dat is ’t laatste kiekje aan ’t strand
van Trouville (kust het). Als ’t u interesseert (reikt het over).
DOLF. Pretendeert dat de een of andere nuance van hatelijkheid—„als ’t
u interesseert”—omdat ik deze maanden....
CHARLES (glimlachend). Laten we zeggen ’t heele jaar—van af
Nieuwjaar....
DOLF (knikkend). Van af Nieuwjaar—merkwaardig geheugen heb jij!—geen
gelegenheid heb kunnen vinden?... Charley, boy: waar ik bezoeken afleg,
letterlijk waar, krijg ik verwijten.... Prachtig snuitje.... Ik kom
honderd jaar tekort.... Precies je vrouw.... De dagen vliegen, de weken
raken zoek, de maanden trek ’k met mudjes van den kalender.... Ja, daar
zul je plezier van hebben.... Mooi kind.... Leuk kind.... Mag ik ’t bij
me steken?
CHARLES. ’k Heb ’r maar één. En dan, beste oom—wat moet ù met ’n
portretje?
DOLF. Wat ik met portretten moet? ’n Half dozijn draag ’k ’r bij me...
(in z’n binnenzak tastend—dan aarzelend). Nee. Je heb gelijk. Merci
(reikt het over). Heb je Suze daar ook?
CHARLES. M’n vrouw—nee. Of misschien hier... (doorzoekt de
portefeuille). Nee. Zeker verlegd (in de slaapkamer weerklinkt gelach).
We behoeven ons voorloopig niet ongerust te maken, oom—zoolang ze in
dié stemming zijn....
DOLF. Tant mieux! (staat op, klopt zachtjes).