ZESDE TOONEEL.

Charles, Dokter, Hope.

DOKTER (duwt de schuifdeuren dicht). Dat is voor u ’n heele reis

geweest, meneer Van Walden....

CHARLES. Ja, ja—gelooft u nòg, dat grootmama...?

DOKTER. Alles is mogelijk.—’t Is zulk ’n verbazend krasse vrouw, dat ik

me na de tweede injectie aan geen voorspellingen wagen durf.... Ze

praat met ’n bedriegelijke opgewektheid.... Maar... Maar.... Als ze ’r

deze keer bovenop komt, blijft de toestand bijzonder précair—bijzonder.

De geringste complicatie, de kleinste stoornis, niet waar?... In ieder

geval is ’t uitnemend dat u er tenminste is. En ’k zou willen

adviseeren de eerste dagen in de directe nabijheid te blijven....

CHARLES. Als ik dus wel begrijp is ’t ergste gevaar geweken?

DOKTER. Nee—volstrekt niet—in de verste verte niet. Bij ’n

hartaandoening van dien aard en op dien leeftijd en met zulke

ontrustende aanvallen van bewusteloosheid, is ’t de plicht van de

naaste familieleden op hun qui-vive te zijn. Toen we u seinden, was ’t

mijn innige overtuiging, dat u telaat zou komen (met verheffing). Dolf

handelt—als ik ’t....

CHARLES. Dolf?... Kènt u....

DOKTER. Of ’k Dolf ken?... Hahaha!—hij heeft me helpen ontgroenen....

CHARLES. Ontgroenen?...

DOKTER. Weet u niet, dat uw oom—hij is toch uw óóm?...

CHARLES. Natuurlijk.

DOKTER. Dat-ie vier, vijf jaar college geloopen heeft—dat wil zeggen:

had behooren te loopen—’k taxeer ’m op nog geen vòlgeschreven

dictaatcahier! Toen ik van ’t gymnasium kwam, had Dolf al minstens vier

jaar ge—ge—ja wat feitelijk ge—ge...? Gedit, gedat, gefuifd,

gekroegjoold, ge...

CHARLES.... Boemeld....

DOKTER. Geboemeld, ’t juiste woord in volgorde—letterlijk alles had-ie

als corpslid ge—ge—gedaan—alleen niet gestudeerd. Toen-ie gesjeesd

werd....

CHARLES (na zacht geklop). Binnen! (tot den kelner, die enkel koffie

brengt). En de Moët?

KELNER. En deux secondes monsieur.... J’ai....

DOKTER. Spreek jij geen Hollandsch, vrindje?

KELNER. Oui monsieur....

DOKTER. Doe dat dan—flauwe kunsten!

KELNER. De champagne wordt koel gemaakt.

DOKTER. Heelemaal niet noodig.... We wachten ’r op (Kelner af). Dat’s

nou misschien ’n jongen uit (imiteert Fransch) uit Leeuwarden, uit

Hontenissen, hahaha!... Waar was ’k gebleven? Wat wou ’k....

CHARLES. Toen oom gesjeesd werd, zei u.... Drinkt u ’n kop mee, dokter?

DOKTER. Dank u.... Toen—vertel ’ns ’n historie zonder ’n dozijn

toen’s!—toen-ie gesjeesd werd—om ’n dolle geschiedenis—’n schandaaltje,

als je ’t zoo noemen wil....

CHARLES (rustig drinkend). Om ’n vrouw natuurlijk!

DOKTER. Spreekt van zelf.... Als ’k me goed herinner—’t geheugen is m’n

forte niet—alweer zoo’n Fransch woord!—had-ie ’n vechtpartij op

klaarlichten dag met den een of anderen kerel, ’n koloniaal of zoo

iets, dien-ie behoorlijk toetakelde.... Met groote moeite werd ’t

gesust—’n sisser van ’n week of twee brommen—en ’n paar honderd gulden

fooi....

CHARLES. Daar wist ik hoegenaamd niets van (glimlachend). Verwonderen

doet ’t me niet.... Hoe is ’t mogelijk—op klaarlichten dag—en met ’n

koloniaal—met ’n koloniaal!... Zóó iemand kàn je toch niet

beleedigen....

DOKTER. Iets met ’t meisje of de zuster van dien kerel—’t ware weet ’k

niet—is hijzelf waarschijnlijk glad vergeten.... Wanneer kan ’t geweest

zijn?... Negentig.... Een-en-negentig.... Om en om vijftien, zestien,

zeventien jaar—’k kan ’r geen slag in slaan.... Doet ’r ook niet

toe.... Hij werd van de corpslijst geschrapt.... Misschien studeerde-ie

anders nog, hahaha!... Ja, Dolf en ik hebben mekaar in die dagen meer

dan goed gekend—later ook nog wel, maar nooit meer zóó, zoo heerlijk,

onbezorgd.... Jammer van den vent.... ’n Hart van goud—’n wilde

rakker—’n bandiet.... Als-ie niet zoo vroeg z’n vader verloren had,

niet zoo vlug de beschikking over z’n erfdeel gekregen, zou-ie

iémand—iémand geworden zijn.... Zeldzame kop.... ’t Was toen—alweer

toen—’n lust om ’m te hooren, als-ie op dreef was.... ’n Vernuft, ’n

géést.... En nou!... En nou!... ’k Zou ’m z’n mantel kunnen uitvegen,

dat-ie met geen drie, vier telegrammen te bereiken is, dat-ie geen

adres achterlaat, terwijl z’n moeder doorloopend ziekelijk is.—Tot

zelfs die eerste-klasse-dame van ’m hebben we geseind.... Valt me

verbazend tegen. Verbazend. ’r Eenige zoon in leven.... Uw papa is

betrekkelijk vroeg gestorven, niet waar?...

CHARLES. Toen ik twee was....

DOKTER. Dan zult u wel geen voorraad herinneringen aan ’m hebben?...

CHARLES (koel). Nee—in geen enkel opzicht.

DOKTER. En uw mama?

CHARLES.... Kort na de kraam (gewild). Rookt u ’n sigaret mee—de

balkondeuren staan open.... Of heeft u er bezwaar tegen?

DOKTER. Bezwaar, nee—als u bij ’t balkon blijft. Pardon, ik zal ’r geen

gebruik van maken....

CHARLES. Bijzondere avond.... Geen rimpel op zee.... ’n Idylle.... ’k

Zou ’t persoonlijk geen week aan zee uithouden.... Parijs....

London.... De groote steden à la bonne heure.... Dat eeuwige water vind

’k assommant!

DOKTER (na een drukkende stilte). Ik heb in de twee maanden, dat ik het

genoegen heb over de Stichting van uw grootmama te gaan, buitengewoon

respect voor haar gekregen....

CHARLES. Ja—ja....

DOKTER. En u houdt zeker véel van haar—me dunkt ’n vrouw met dàt hart

moet meer dan vader en moeder sámen voor u geweest zijn?...

CHARLES. Natuurlijk. Natuurlijk.

DOKTER. Ze dweept met kinderen. Ieder bezoek aan de Stichting is ’n

feest! (een stilte). Had u geen idee te studeeren?

CHARLES. Heelemaal niet—twee jaar na de kostschool ben ’k getrouwd....

DOKTER. Zoo jong?

CHARLES. Zoo jong. ’k Zal den kelner nog eens schellen. Dat is ’n

ongemeene bediening. (Gelijk verschijnt de kelner met de flesch in een

koelemmer). Móést dat zoo lang duren?... De dokter zei toch dat

afkoelen niet noodig was?

KELNER. De gewoonte van ’t huis, meneer—niet gefrapeerd....

CHARLES.... ’t Is goed—hou je mond (hem belettend in te schenken).

Dicht laten.... Doen we zelf (kelner af). De ezel!... Een, twee, drie

glazen—of ’r gespeecht zal worden.... Laat me u helpen, dokter....

Draagt u ’t alleen?

DOKTER. Gaat best. Als u de deuren even zacht openschuift—schuiven—niet

duwen. Merci.

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 48 / 167 题