Charles, Dokter, Hope.
DOKTER (duwt de schuifdeuren dicht). Dat is voor u ’n heele reis
geweest, meneer Van Walden....
CHARLES. Ja, ja—gelooft u nòg, dat grootmama...?
DOKTER. Alles is mogelijk.—’t Is zulk ’n verbazend krasse vrouw, dat ik
me na de tweede injectie aan geen voorspellingen wagen durf.... Ze
praat met ’n bedriegelijke opgewektheid.... Maar... Maar.... Als ze ’r
deze keer bovenop komt, blijft de toestand bijzonder précair—bijzonder.
De geringste complicatie, de kleinste stoornis, niet waar?... In ieder
geval is ’t uitnemend dat u er tenminste is. En ’k zou willen
adviseeren de eerste dagen in de directe nabijheid te blijven....
CHARLES. Als ik dus wel begrijp is ’t ergste gevaar geweken?
DOKTER. Nee—volstrekt niet—in de verste verte niet. Bij ’n
hartaandoening van dien aard en op dien leeftijd en met zulke
ontrustende aanvallen van bewusteloosheid, is ’t de plicht van de
naaste familieleden op hun qui-vive te zijn. Toen we u seinden, was ’t
mijn innige overtuiging, dat u telaat zou komen (met verheffing). Dolf
handelt—als ik ’t....
CHARLES. Dolf?... Kènt u....
DOKTER. Of ’k Dolf ken?... Hahaha!—hij heeft me helpen ontgroenen....
CHARLES. Ontgroenen?...
DOKTER. Weet u niet, dat uw oom—hij is toch uw óóm?...
CHARLES. Natuurlijk.
DOKTER. Dat-ie vier, vijf jaar college geloopen heeft—dat wil zeggen:
had behooren te loopen—’k taxeer ’m op nog geen vòlgeschreven
dictaatcahier! Toen ik van ’t gymnasium kwam, had Dolf al minstens vier
jaar ge—ge—ja wat feitelijk ge—ge...? Gedit, gedat, gefuifd,
gekroegjoold, ge...
CHARLES.... Boemeld....
DOKTER. Geboemeld, ’t juiste woord in volgorde—letterlijk alles had-ie
als corpslid ge—ge—gedaan—alleen niet gestudeerd. Toen-ie gesjeesd
werd....
CHARLES (na zacht geklop). Binnen! (tot den kelner, die enkel koffie
brengt). En de Moët?
KELNER. En deux secondes monsieur.... J’ai....
DOKTER. Spreek jij geen Hollandsch, vrindje?
KELNER. Oui monsieur....
DOKTER. Doe dat dan—flauwe kunsten!
KELNER. De champagne wordt koel gemaakt.
DOKTER. Heelemaal niet noodig.... We wachten ’r op (Kelner af). Dat’s
nou misschien ’n jongen uit (imiteert Fransch) uit Leeuwarden, uit
Hontenissen, hahaha!... Waar was ’k gebleven? Wat wou ’k....
CHARLES. Toen oom gesjeesd werd, zei u.... Drinkt u ’n kop mee, dokter?
DOKTER. Dank u.... Toen—vertel ’ns ’n historie zonder ’n dozijn
toen’s!—toen-ie gesjeesd werd—om ’n dolle geschiedenis—’n schandaaltje,
als je ’t zoo noemen wil....
CHARLES (rustig drinkend). Om ’n vrouw natuurlijk!
DOKTER. Spreekt van zelf.... Als ’k me goed herinner—’t geheugen is m’n
forte niet—alweer zoo’n Fransch woord!—had-ie ’n vechtpartij op
klaarlichten dag met den een of anderen kerel, ’n koloniaal of zoo
iets, dien-ie behoorlijk toetakelde.... Met groote moeite werd ’t
gesust—’n sisser van ’n week of twee brommen—en ’n paar honderd gulden
fooi....
CHARLES. Daar wist ik hoegenaamd niets van (glimlachend). Verwonderen
doet ’t me niet.... Hoe is ’t mogelijk—op klaarlichten dag—en met ’n
koloniaal—met ’n koloniaal!... Zóó iemand kàn je toch niet
beleedigen....
DOKTER. Iets met ’t meisje of de zuster van dien kerel—’t ware weet ’k
niet—is hijzelf waarschijnlijk glad vergeten.... Wanneer kan ’t geweest
zijn?... Negentig.... Een-en-negentig.... Om en om vijftien, zestien,
zeventien jaar—’k kan ’r geen slag in slaan.... Doet ’r ook niet
toe.... Hij werd van de corpslijst geschrapt.... Misschien studeerde-ie
anders nog, hahaha!... Ja, Dolf en ik hebben mekaar in die dagen meer
dan goed gekend—later ook nog wel, maar nooit meer zóó, zoo heerlijk,
onbezorgd.... Jammer van den vent.... ’n Hart van goud—’n wilde
rakker—’n bandiet.... Als-ie niet zoo vroeg z’n vader verloren had,
niet zoo vlug de beschikking over z’n erfdeel gekregen, zou-ie
iémand—iémand geworden zijn.... Zeldzame kop.... ’t Was toen—alweer
toen—’n lust om ’m te hooren, als-ie op dreef was.... ’n Vernuft, ’n
géést.... En nou!... En nou!... ’k Zou ’m z’n mantel kunnen uitvegen,
dat-ie met geen drie, vier telegrammen te bereiken is, dat-ie geen
adres achterlaat, terwijl z’n moeder doorloopend ziekelijk is.—Tot
zelfs die eerste-klasse-dame van ’m hebben we geseind.... Valt me
verbazend tegen. Verbazend. ’r Eenige zoon in leven.... Uw papa is
betrekkelijk vroeg gestorven, niet waar?...
CHARLES. Toen ik twee was....
DOKTER. Dan zult u wel geen voorraad herinneringen aan ’m hebben?...
CHARLES (koel). Nee—in geen enkel opzicht.
DOKTER. En uw mama?
CHARLES.... Kort na de kraam (gewild). Rookt u ’n sigaret mee—de
balkondeuren staan open.... Of heeft u er bezwaar tegen?
DOKTER. Bezwaar, nee—als u bij ’t balkon blijft. Pardon, ik zal ’r geen
gebruik van maken....
CHARLES. Bijzondere avond.... Geen rimpel op zee.... ’n Idylle.... ’k
Zou ’t persoonlijk geen week aan zee uithouden.... Parijs....
London.... De groote steden à la bonne heure.... Dat eeuwige water vind
’k assommant!
DOKTER (na een drukkende stilte). Ik heb in de twee maanden, dat ik het
genoegen heb over de Stichting van uw grootmama te gaan, buitengewoon
respect voor haar gekregen....
CHARLES. Ja—ja....
DOKTER. En u houdt zeker véel van haar—me dunkt ’n vrouw met dàt hart
moet meer dan vader en moeder sámen voor u geweest zijn?...
CHARLES. Natuurlijk. Natuurlijk.
DOKTER. Ze dweept met kinderen. Ieder bezoek aan de Stichting is ’n
feest! (een stilte). Had u geen idee te studeeren?
CHARLES. Heelemaal niet—twee jaar na de kostschool ben ’k getrouwd....
DOKTER. Zoo jong?
CHARLES. Zoo jong. ’k Zal den kelner nog eens schellen. Dat is ’n
ongemeene bediening. (Gelijk verschijnt de kelner met de flesch in een
koelemmer). Móést dat zoo lang duren?... De dokter zei toch dat
afkoelen niet noodig was?
KELNER. De gewoonte van ’t huis, meneer—niet gefrapeerd....
CHARLES.... ’t Is goed—hou je mond (hem belettend in te schenken).
Dicht laten.... Doen we zelf (kelner af). De ezel!... Een, twee, drie
glazen—of ’r gespeecht zal worden.... Laat me u helpen, dokter....
Draagt u ’t alleen?
DOKTER. Gaat best. Als u de deuren even zacht openschuift—schuiven—niet
duwen. Merci.