ACHTSTE TOONEEL.

Charles, Dolf, De Dokter.

DOKTER (met de champagne-flesch en het presenteerblad). Sust!... Nee

vooral niet binnen!—Dolf?... Meneer Dolf van Walden? Herkent u me niet

meer?... Linden.... Jan Linden....

DOLF. Pardon—mogelijk dat....

DOKTER (de flesch in den koelemmer stellend). Ik heb uw schoenen nog in

’88, ’89 gepoetst—ik heb op één avond drie snijkoeken moeten slikken,

omdat ù zich verbeeldde, dat ik ’n speld binnen had gekregen.... Boven

de handschoenenwinkel in de Breestraat—met aan de overzij ’t Stadhuis.

DOLF. Ben jij—ben u.... die kleine bleeke Jan, die.... Kerel, ben jij

al dokter? (schudt z’n hand) En mama?.... We hebben daar zoo

luidruchtig hooren lachen.... Is ’t weer zoover beter, Jan of Linden of

dokter.

DOKTER. Hou je bij Jan, Dolf—dat is de makkelijkste herinnering, niet?

Mevrouw van Walden—jongen, jongen, wat ’n damp van de sigaretten—mag

heusch niet, meneer—je mama, Dolf—’t doet me verbazend genoegen, je na

zooveel jaren weer ’ns te zien—je ben d’r niet minder op geworden, ouwe

kameraad!—je mama—ja, ’k dùrf geen meening meer zeggen—bij dat soort

hartaandoening blijft ’t tasten.... Eergister en gister en vanmorgen

nog, had ’k ’r formeel opgegeven—en nu.... Niemand weet ’t. Niemand.

Als ze zich kalm houdt, ’t spreekt vanzelf dat ze ’t bed niet uit mag,

bestaat ’r kans—’n heel zwakke kans.... ’t Eenige wat ’k beslist

aanraden moet—en wat je gezond verstand je zal ingeven: ook al krabbelt

ze weer op—je moet ieder oogenblik te bereiken zijn—versta me wel iéder

oogenblik....

DOLF. Jantje—’t zelfde hoor ’k twee jaar lang—je collega die ’r in de

stad behandelde, heeft....

CHARLES.... Ons om ’n haverklap getelefoneerd of geseind....

DOLF. Zooals jij vandaag....

DOKTER. Natuurlijk, natuurlijk—maar iedere dag kàn ’t noodlottig zijn.

’t Was hoogst-bedenkelijk—hóógst. En daarstraks, na ’n met moeite

gedronken glas champagne, werkte ’r hart weer bijna normaal, liet ze

ons schudden van ’t lachen, omdat ze beweerde zóó’n eetlust te hebben,

dat ze minstens driemaal ’t menu van de table-d’hôte, telkens van voren

af aan, zou kunnen eten. En toen ik zei, dat zoo iets ’n weinig

bezwaarlijk moest zijn, antwoordde ze droog, dat ’r overleden man ’t

eens tweemaal gedaan had, nà ’n officieel diner, waaraan de koning had

aangezeten, en waarbij niemand ’n vollen mond durfde nemen, omdat Zijn

Majesteit elke plat liet passeeren, en alleen ’n cure-dent verlangde,

die ’r niet was....

DOLF. Hahaha!... Heel goed!... Maar doe me verder ’t genoegen,

Jan—kerel, wat heeft de praktijk jou ’n buikje gegeven!—en praat niet

meer over dineeren. Zoo als ’k mama heb gezien, moet ’k met overleg

iets uitzoeken—geeuwhonger....

DOKTER. Geen tijd gehad?

DOLF. Tijd? Tijd?... Twaalf uur per dag, vijf vingers aan elke hand,

kom ik tekort. Zou jij even de karaf water van Hope—die kleine attente

Hope!—van Hope ’r kamer willen krijgen, Charley?

CHARLES. Om uw handen te wasschen?

DOLF. M’n handen wasschen?... Wou je hebben dat ’k dat zoo maar hier?

(bootst het na).

CHARLES. O, met ’n glàs?

DOLF. Nee, neefje. Voor de bloemetjes. (Charles in de kamer links af).

Hoe vindt je ’m, de zoon van m’n broer? Nette jongen, hè?... Wat

gesloten—te vroeg getrouwd—drijven van... (tot Charles, die met de

karaf terugkeert). Merci—merci! Nee, laat mij ’t liever doen. Zoo—de

blaren vallen al af—symbool van de vrouwtjes, Jan—je bewondert ze—je

plukt ze—dat wil zeggen: zij plùkken jou, terwijl je ze plukt—en als je

ze ’n paar dagen in ’n bezeten stemming bezeten heb—geweldig die echo

van woorden, hè?—regent ’t verdorde ideaaltjes—hou je zoo’n ding als

dit—en profond négligé over... (werpt lachend ’n stengel uit ’t

venster).

DOKTER. Met je permissie—’t beste laat je schieten—’t stuifmeel, ’t

vruchtbeginsel....

DOLF (vroolijk). ’r Is niet één beginsel dat voor mij ’n beginsel

is—Charley stop je ooren toe—ik ben de slechtste mentor voor

jong-getrouwde mannen—èn vrouwen, hahaha! Kan ’k bij mama, dokter? Wat

klinkt ’t verduiveld gek, zeg, jou dokter te noemen....

DOKTER. Nee, nee, nee!... Vooral niet binnengaan! Ze mag niemand zien.

Rust, rust en nog eens rust. Morgen misschien, als de nacht kalm

doorgebracht wordt.... Ben je zoo van de jacht op reis gegaan?

DOLF. Nog geen twee minuten na ’n prachtige haas te hebben

neergelegd—roetsch, roetsch in de auto van Beelaart—roetsch ’n boerekar

ondersteboven—roetsch, binnen de drie uur hier—vanmorgen twaalf uur

gepicnict.... Zou ’k me wat laten brengen?... (een dekschaaltje op de

zijtafel oplichtend). ’n Gestolten lamskoteletje.... (tot Charles). Heb

jij dat besteld?

DOKTER. Nee. Hope moet ook nog eten.

DOLF. Ook nog?... Bij half negen!...

DOKTER. Dan kun je samen....

DOLF. Sàmen—met... Met-è... soupeeren?... Nee—Hope en ik hebben zoo af

en toe—af en toe.... Ik hou niet, of minder, van wat je ’n moderne, ’n

moderne vrouw, noemt—en zij heeft zoo eenige bezwaren tegen mijn

levensbeschouwing—als je mijn methode zoo’n wel-overwogen naam kunt

geven (tot Charles). Charley, boy, kruip je heelemaal weg op ’t balkon?

CHARLES. Hier hindert m’n sigaret niet—en misschien hebben de heeren te

praten.

DOLF. Heelemaal niet, jongen.

CHARLES. ’t Is zulk zacht weer—’k zit liever hier—’k zal nog enkel ’n

tweede kop nemen (komt van het balkon, vult zich een tweede kop—gaat

weer buiten).

DOKTER. En ik stap op.

DOLF. Wat heb je ineens zoo’n haast?

DOKTER. We zien mekaar, hoop ’k, dezer dagen méer en onder rustiger

omstandigheden. Loop je eens bij me aan—je ben nog niet éen keer op de

Stichting geweest....

DOLF. De Stichting van mama?... Praktiseer jìj daar?

DOKTER (glimlachend). Je ben wél op de hoogte, uitnemend op de hoogte

van de dingen, die je mama interesseeren....

DOLF. Kerel: ik vind ’t allemaal braaf en christelijk en voortreffelijk

en hoe-je-’t-meer-noemen-wil—maar—maar: ik ben eenmaal anders—ik voel

’r zoo wanhopig-weinig en mogelijk toch weer ’n massa voor.... Toen ’t

gebouw in aanbouw was, de kinderen nog in de barak logeerden, wou mama

met geweld dat ik de eerste-steenlegging bij zou wonen. Dat heb ’k

gedaan. De heele speech van dien dominee—die met ’n wràtje op z’n

kin—dat ’s ’t eenige dat ’k van ’m onthouen heb....

DOKTER. Hahaha!....

DOLF.... Heb ’k me gloeiend in de meer dan gloeiende zon staan vervelen

en ergeren—mama kreeg ’n uitbrander voor ’r ferme daad—ik ’n dozijn

steken onder water—m’n gestorven ouwe heer werd ’r bijgesleept—als ’r

geen paar beeldjes van kopjes bij waren geweest, met gedekoleteerde

halsjes om te zoenen, zou ’k waarachtig uit den band zijn

gesprongen!... Die eene met gitzwarte oogen en ’n moedervlekje hier—is

die nog verpleegster geworden?...

DOKTER (glimlachend). Zwart haar?

DOLF. Juist—ze werd met Annie, meen ’k, aangesproken.... (De dokter

schiet in een lachbui). Wat lach je?... Schei uit!... Is ’t zoo

grappig?...

DOKTER (moeilijk). Onbetaalbaar.... Daar zal ze van mee profiteeren,

als ’k thuis kom (lacht weer).

DOLF. Daar ga ’k bij zitten.

DOKTER. Ik ook.

DOLF. Ben je klaar met je lachen?

DOKTER. Ja. Eindelijk.

DOLF. Is die ’r nog?

DOKTER. Ja, Dolf. En als je ’r niet boos om ben—ik was zoo vrij ’r te

trouwen, hahaha!

DOLF. Hartelijk gefeliciteerd, kerel. Wel dat doet me màchtig pleizier.

Jij heb altijd smaak gehad, hè?... Altijd. Ja (begint zelf te lachen).

Heel aardig. Dat ’s me nòg eens gebeurd—en ’n beetje erger—voorverleden

week in Châtelard—’n engel van ’n vrouw, groot, slank—heelen dag mee

geflirt—volkomen correct—snap je!—Bij de pousse stapt ’n mormel van ’n

mannetje binnen—’n bouwval—’n antikiteit. „Kijk eens om, madame”, zeg

ik: „’n vogelverschrikker in ’n smoking”.... Ze kijkt om, laat ’r kopje

haast vallen—stelt me voor: „Mon mari—mon mari”.... ’k Heb je daarnet

toch niet beleedigd, ouwe Jan van boven de beruchte

sigarenwinkel-in-de-Breestraat....

DOKTER (lachend).... Handschoenenwinkel.... Boven de sigarenwinkel

woonde je niet meer.... ’s Nachts hebben we je door ’t raam verhuisd,

omdat de ploertin eerst ’r beer betaald wou hebben....

DOLF. Hahaha.... Ja-ja! Nee maar zeg—’r blijft toch niets van de

nonsens hangen—’k vond ’r op m’n woord lief, charmant—maar....

DOKTER. We—wè hopen je bij ons te zien....

DOLF. Merci.

DOKTER. Zou ’t voor jou ook geen tijd worden, Dolf? Die historie met

die juffrouw Lebeau....

DOLF. Heb jìj Hope ’t adres gegeven?

DOKTER. Ik? Hoe kom je daar op? Ze wist ’t—iedereen weet ’t....

DOLF (gepreoccupeerd). Zoo.

DOKTER. Ik dacht geen jaar geleden, dat jij père de famille, dat je

getrouwd was....

DOLF. Nee. ’k Heb ’t nog niet verder dan tot ’n bedriegelijke

nabootsing van ’t huwelijk kunnen brengen.

DOKTER. Jammer. Wij hebben ’n pracht van ’n villa, met uitzicht op

zee—alleen beneden ’n suite van vijftien meter, vijftien....

DOLF.... Excellent om te kegelen....

DOKTER. Je ben positief dezelfde. Maar die befaamde vrouw—uit dat

schandaalproces....

DOLF. Ja ’t is niet in den haak—„voorwaar niet” zou

dominee-met-’t-wratje zeggen.... Malle geschiedenis geweest—de

kennismaking—de eerste eenzame liefdesnacht....

DOKTER.... Eenzaam?....

DOLF. Hopeloos. Met de odeurtasch van je adoratie achter te blijven....

Dat was drie maanden geleden. Langer kan ’t niet. ’k Ben zelden langer

dan drie maanden in de bedriegelijke nabootsing. We nemen ’n hotel, ’n

groot hotel van over de vijfhonderd kamers—dat’s te verkiezen—Zij

drinkt ’n flesch met me—verwijdert zich even—wil naar de kamer

terug—heeft ’t nummer vergeten—gaat na ’n kwartier zoeken naar den

portier—die vraagt ’r den naam van ’r màn—Scène-à-faire voor ’n

theaterstuk: ze kent me na de korte kennismaking enkel bij m’n

vóórnaam—Stel je voor, Jan: geen nummer van de kamer, geen naam van den

man.... Hoogste tragiek.... De eigenaar van ’t hotel wordt door den

portier gewaarschuwd, dat-ie voor ’n puzzle staat—Snip mag heelemaal

niet meer binnen—familiehotel—goede naam—enzoovoort... Ik na ’n

kwartier aan ’t zoeken—hoor wat ’r gebeurd is—eclipseer met de

odeurtasch... Zou jij ’n vrouw na zoo’n hevig-bewogen avontuur, zònder

’r odeurtasch laten? Nee, nietwaar? Zoo hebben Snip en ik mekaar

„gevonden”. En als ’k Snip, Snipje, niet gekend had, zou je je dépêche

vanmiddag aan ’n ánder hart onder ’n ánderen duren hoed met

struisvogelveeren—gister betaald—hoedje van zeshonderd gulden—hebben

moeten lanceeren, boy....

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 50 / 167 题