Hope, Dokter, Hotelier.
HOPE (na nog eens achter de draperie gekeken te hebben, zit wederom in
den leunstoel bij het balkon, droogt zich de oogen. Een bescheiden
getik). Binnen... (staat op). Dag dokter.... Dank u wel—gaat u zitten:
ze slaapt—dat u zoo hartelijk is voor de tweede maal....
DOKTER.... Is u ’n paar uurtjes gaan liggen, zooals ’k u gezegd heb?
HOPE. ’k Heb in den stoel voor ’t raam....
DOKTER. Noemt u dat liggen?.... U zult uzelf kapot maken. Dat houdt u
vannacht niet uit. Mag ’k licht opsteken?...
HOPE. Een oogenblikje... (laat de portière geheel zakken, gaat op den
knop bij de deur toe, ontsteekt de kroon). Alsjeblief dokter.
DOKTER. Zoo zien we mekaar tenminste. De eerste regel bij
ziekenoppassen, zuster, is ’t zichzelf in acht nemen.... Charité bien
ordonnée....
HOPE.... Commence par soi-mème.... Zal ’k ’r wekken?
DOKTER. Zijn de benauwdheden terug gekomen?...
HOPE. Om zes uur nog even, maar gelukkig niet làng... Wie daar (tot den
Hotelier). Ik kan u nu niet ontvangen. U ziet dat ik belet heb....
HOTELIER. Pardon—als ik dérangeer, zuster—’t is juist om den dokter....
HOPE (uit de hoogte). Dien kunt u straks....
HOTELIER. Pardon—ik moet zoo dadelijk de deur uit... Als u ’t
permiteert wou ’k dokter één seconde lastig vallen, één seconde....
DOKTER. Ik zal onmiddellijk op uw kantoor....
HOTELIER. De zaak is... (op een ongeduldig gebaar van Hope). Pardon....
U moet toch ’n beetje consideratie met ons hotel gebruiken.... Als
mevrouw overlijdt....
HOPE. Zachter asjeblief....
HOTELIER. Als, als, zeg ik—worden de families van twee- en
drie-en-zestìg enorm gecontrarieerd... zullen andere families
onmiddellijk vertrekken—we zijn midden in ’t seizoen.... U weet,
dokter, hoe de menschen zijn.... Ik ben niet onbillijk.... Niet één
logeergast zal in de komende weken de appartementen willen
betrekken.... Als we hadden kunnen voorzien....
HOPE. Voorzien?... Als wìj hadden kunnen voorzien—zouden we in de
laatste plaats van ùw gastvrijheid geprofiteerd hebben.... Heeft u méer
de gewoonte logées lastig te vallen?...
DOKTER. Suscht! Suscht!... We gaan naar de conversatiezaal, meneer....
HOTELIER (retireerend). U heeft gelijk en ongelijk.... Maar....
DOKTER.... Geen verdere maren.... Ik kom bij u....
HOTELIER. ’t Gasthuis—’t Hopital Wallon—is telephonisch verbonden—heeft
’n magnifieke auto om zieken te vervoeren.
DOKTER. Onder géén omstandigheden! Onder géén. ’k Zal ’t u beneden
uitleggen—hier niet (af met Hotelier).