Hope, de kelner.
KELNER (na een paar maal geklopt te hebben, treedt van rechts binnen,
zet een presenteerblad met schalen op een zijtafeltje naast de deur,
spreidt op de groote tafel een servet, legt daarop bord, mes, vork,
lepel, kijkt Hope, die met een boek in de hand, in een leunstoel bij de
balkondeuren ingeslapen is, driest aan). Hum!... Hum!... (Hope beweegt
niet. Hij loert in de achter-slaapkamer, verlaat het vertrek door
dezelfde deur, keert besluiteloos terug, beklopt de deur luider aan de
binnenzij).
HOPE (wakkerschrikkend, het boek op tafel neerleggend). Wie daar?
KELNER. Ik, juffrouw—ik por maar wat harder—de boel wordt koud.
HOPE (snel op de kamer toegaand en luisterend). Heb ’k niet verzocht
zoo zacht mogelijk te kloppen?... U weet toch dat ’r ’n zieke ligt!
KELNER. Nou snap ’k niemeer waar ’k me an mot houen!... Toen ’k
vanmorgen tè stil binnen kwam, kreeg ’k ’n uitbrander, omdat u in uw
onderlijfie stond....
HOPE. Zeg ’ns—jij zal me ’n groot pleizier doen je afstand te
bewaren—dat ’s de derde waarschuwing... Je kan gaan....
KELNER. Sivoeplee... Alleen...
HOPE. Heb u me verstaan?
KELNER. Sivoeplee... (bij de deur). De wijnkaart ligt naast de servet
van de juffrouw... Une fois c’est pour moi!... Pour moi.... (af).