Zwaan, Jan, Schoenlapper, Bakker, Sien, Thijs, Bet, Aaltje, Lammersen.
BAKKER (verwoed). Me goudvissche, me brooje en me cente! ’k Maak ’r
politiezake van! Drie en zestíg goed doorbakke panne!... Vier
goudvissche!
BET (met een kerkboek in de hand). God-nog-an-toe, bakker—me wete d’r
niks van....
BAKKER. Drie en zestig brooje.... in de bedstee!
THIJS (met een takel in de hand). Eens gegeve blijft gegeve....
LAMMERSEN (met zijn harmonica onder den arm). Al stóóf je ’n
goudvisch—slikke ken je ze niet—d’r zel d’r geen in gezete hebbe.
Vliege doene ze niet...
AALTJE (met een pak quitanties in de hand). Me hart staat ’r van
overeind—wat ’n weer, wat ’n weer!—mot in de buurt ingeslage weze....
BET. Me lippe ziene d’r wit van... Wat was dat, Jan?...
BAKKER. Wat ’t was?... Wat ’t was?... Me kar met brood leeghale.... Me
goudvissche stele!... Valsche diamante in me poote stoppe.... Ik mot me
brooje terug!... Me brooje uit de bedstee! Ik mot me cente! (schiet op
het raam toe, springt op Jan’s bed, roept:) Politie!... Politie!...
DE ZWAAN (nijdig met de vlerken slaand). Ik ken getuige da-je ’m over
je knie het gebroke.... Daar kenne ze niet tegen....
BAKKER. Dan neem ’k met geweld! (holt op de bedstee toe).