De vorigen, Rijksveldwachter.
VELDWACHTER. Banes?
THIJS (op de trap). Voor mijn?
VELDWACHTER. Je zoon Jan mot kommende week Dinsdag voorkomme...
THIJS (het papier inkijkend). Nou eerst?... Dacht da-ze ’t vergete
ware...
VELDWACHTER (lachend). Nee, Banes—me schenke niks... wat in ’n goed vat
leit, wat?...
THIJS. De jongen ken ommers geen stap doen, zoo ziek as ’n hond...
VELDWACHTER. Mot jezelf gaan met ’n bewijs van de dokter... En anders
bij verstek. Wat het-ie uitgehaald?...
THIJS (norsch). Steen door ’n ruit—hallef jaar geleje, godbeter! (tot
Bet). Pak an (geeft haar de dagvaarding). Of niet elleke gezonde jongen
’s wild op z’n tijd is. (pratend op straat met den Rijksveldwachter).
La-ze mijn maar late bloeie... Die ’t breed het, laat ’t breed hange
(tot Sien). Veruit! Mot ’t jongen broeie? (af).