De eerste, die naar buiten komt snellen, is Martha, en als ze een
blik werpt op den bleeken, ernstigen man, die den linkerarm om zijn
kloeken zoon heeft geslagen, dan grijpt ze zijn rechterhand, en haar
hoofd op zijn breeden schouder leggend, snikt ze haar vreugde uit in
een stroom van tranen. Sterk is ze geweest, die stoere boerendochter,
in haar leed, maar de vreugde van het weerzien doet haar schreien als
een kind. En ook Hannes is de ontroering te machtig, en als ook Lize
hem omhelst, zijn blonde lieveling, en haar hoofdje verbergt aan zijn
borst, dan druppelen de tranen op haar blonde lokken. "O, mijn God,
ik dank U!" is alles wat hij op dit oogenblik zeggen kan.
"Welkom thuis, Hannes Klinge, welkom op de Schaapskooi!" zoo klinkt
de diepe basstem van Olbert, en dadelijk laat hij er op volgen:
"Martha, en gij kinderen, laat hem los en komt allen binnen, want de
wind blaast grimmig uit het Noorden." Vroolijk en schertsend zijn die
woorden gesproken, maar de stem van den grijsaard trilde en zijn oog
was vochtig geworden bij den aanblik van het wederzien van Hannes
Klinge en de zijnen.
Met beide handen grijpt Hannes de magere hand van Olbert en zegt:
"Nooit, nooit zal ik u kunnen vergelden, Olbert, wat ge voor de
mijnen geweest zijt, toen ze door mijn misdaad in het ongeluk gestort
waren; dat moge God u loonen, want dat ik hen zoo gezond en gelukkig
terug mag zien na die vijf eindeloos lange jaren, zie, dat dank ik
naast God aan u, want wie zou zich anders over hen hebben ontfermd!"
"O," vervolgt Hannes, op den ledigen leunstoel bij den haard wijzend,
waar vrouw Sanne placht te zitten, "o, dat de oude vrouw dit
oogenblik niet mocht beleven; het zou haar zulk een genoegen geweest
zijn, doch het heeft niet zoo mogen zijn; Olbert, wat zult ge haar
missen!"
"Het was Gods wil, Hannes, en wat Hij doet is welgedaan; doch gij
dankt mij voor hetgeen ik voor uw vrouw en kinderen deed, maar doe
dat niet, want ik moet hun dankbaar zijn.
Geen eigen dochter had mijn goede Sanne liefderijker kunnen verplegen
gedurende haar kort ziekbed, dan Martha, en hoe had ik, oude man, het
na het sterven van mijn vrouw zonder hen moeten stellen? En dan uw
Gert? Is hij het niet, die op de Schaapskooi alles in orde houdt? Het
schaapherdersleven is voor een jonkman van zijn slag geen leven,
zooals hij het zou wenschen, maar uit liefde voor mij zorgt hij voor
mijn kudde en voor huis en hof, zooals een eigen zoon het doorgaans
niet doet.
En dan Lize, is zij mij niet als de leeuwerik in de lente; niets hoor
ik liever dan haar lied en haar lach. Neen, Hannes Klinge, Hem willen
wij danken, Hem, den Vader der lichten, die u redde van wanhoop en
zelfmoord. Hem willen wij danken en Hem alleen."
En het dankgebed van den grijzen, veteraan stijgt op tot den troon
van den Allerhoogste, die Hannes Klinge, na zulk een wreede
scheiding, weer had doen huiswaarts keeren.
De dag vloog voorbij, en Olbert liet Martha het beste wat de
Schaapskooi opleverde, koken en braden, "want," zeide de oude man,
"heden moet het feest zijn op de Schaapskooi, en morgen, dan vieren
wij als God wil dat heerlijke schoone feest, waarvan de engelen
zongen: Vrede op aarde, in menschen een welbehagen."