Het is daags voor het Kerstfeest, en nog vroeg in den morgen, want de
torenklok van H. sloeg daar juist negen slagen.
Die slagen, hoe doen ze het hart trillen van den man, die daar met
kloeken tred den met sneeuw bedekten landweg volgt, welke zich met
grillige bochten langs den Davel slingert.
Het is onze oude bekende, Hannes Klinge, en die klokketonen, zij
klinken hem in het oor als vriendenstemmen, die hem toeroepen: Welkom
thuis! want Hannes is op weg naar de Schaapskooi; daar is alles wat
hem lief is op aarde. O, wat gaat er niet om in het hart van dien
man, nu hij weer denzelfden weg betreedt, dien hij voor vijf jaren,
geboeid en door politiemannen met geladen karabijn begeleid, in
tegenovergestelde richting bewandelde.
Ze behooren tot het verleden, de vijf eindeloos lange jaren, die hij
doorbracht in de gevangenis te Leeuwarden. Hoe dikwijls staarde hij
niet de zwaluw na, die rondzwierde in het stukje blauwe lucht, dat
hij zien kon door het raampje zijner cel, met heimwee in de ziel naar
de vrijheid en nameloos verlangen naar vrouw en kinderen.
Maar toch, die sombere cel, ginds in Leeuwarden, zij zal toch altijd
bij Hannes in dankbare herinnering blijven, want daar was het, dat
het heerlijk licht van boven neerdaalde in zijn wanhopig hart.
Daar was het, dat hij leerde bidden, leerde hopen, en daar ook leerde
hij vergeven, van ganscher hart vergeven, hun, die hem met hun
vijandschap het leven hadden vergald.
Het was voorbij, het lag alles achter hem, en met volle teugen ademt
hij de frissche reine lucht der vrijheid in.
Op de Schaapskooi verwacht men hem eerst tegen den avond, maar Hannes
heeft zijn reis zoo veel mogelijk bekort, is gisteravond laat en zeer
vermoeid in de stad D. aangekomen, en heeft er den nacht in een
goedkoop logement doorgebracht.
Reeds vroeg in den morgen is hij op weg gegaan, en nu brengt iedere
voetstap hem nader bij de zijnen.
Wat ritselt het dorre riet aan den zoom van het meer, en hoor, ginds
kwaken wilde eenden in een wak; wat al herinneringen roept dat geluid
niet wakker. Doch geen lokkend eendengekwaak zal Hannes meer doen
stroopen. "Neen," mompelt de eenzame wandelaar, "neen, werken wil ik,
eerlijk en hard werken voor vrouw en kinderen." De breede borst zet
zich uit bij die gedachte, want Hannes is vast besloten alles te doen
wat hij kan, om eerlijk door de wereld te komen, en hij steunt niet
op eigen kracht, zooals hij vroeger placht te doen, maar hij heeft
geleerd in de harde leerschool van het lijden, slechts hulp te
wachten van boven. Nu wordt zijn gang trager en daar bij die kromming
van den weg blijft hij stilstaan, want vóór hem, daar ligt het
"Uilennest", nog precies als voorheen, verscholen achter de oude
wilgen.
Een troep kraaien, die zich op de besneeuwde takken heeft neergezet,
vliegt krassend op, en zoo op een afstand gezien, heeft deze plek
hetzelfde verlaten en sombere aanzien, als op den winteravond, toen
Hannes doodelijk vermoeid in storm en sneeuwjacht aanklopte bij den
ouden jager Krijn Vermeeren.
Hannes komt nader en loopt achter de hut om: hier staat hij op zijn
eigen grond. Maar ach, de hut is een bouwval geworden, en door het
ingezonken dak hebben sneeuw en regen vrijen toegang naar binnen. Hij
staart door de gebroken ruiten in het achtervertrek, en het is hem,
als zag hij op de beschimmelde roode tegels den grooten bloedplas
nog, waarin op dien vreeslijker nacht Abbe Durling lag. Neen, er is
niets wat Hannes Klinge hier nog boeit, en met snellen tred laat hij
het "Uilennest" achter zich. Nu nadert hij met kloppend hart de
Schaapskooi, en in de verte ziet hij de oude ontzaglijke noteboomen
oprijzen en hun machtige takken zich uitstrekken over het rieten dak.
Dat dak, waaronder de zijnen hem wachten, vol trouwe liefde. De
noordenwind blaast ijskoud over de vlakte, maar Hannes voelt geen
koude. Warm en dankbaar klopt hem het hart, en zijn lippen murmelen:
"O God, geef dat ik hun, die om mijnentwil hebben geleden, hun trouwe
liefde kan vergelden in de toekomst."
Daar klinken bijlslagen, krachtig en snel, en Hannes denkt: dat kan
de oude Olbert met één hand nooit doen. Maar hij kan den houthakker
niet zien, want de hooge doornheg verbergt hem voor zijn oog. Hannes
loopt achter de heg om, en blijft voor het houten poortje, dat
toegang verleent tot het erf van Olbert, staan.
Nu kan hij den houthakker zien, die met den rug naar hem toe staat,
en in zijn ijver niet op het geluid der voetstappen heeft gelet. 't
Is een rijzig, slank gebouwd jongeling, en het is een genot, te zien,
met welk een gemak hij de zware bijl hanteert, en hoe bij iederen
slag de spaanders van den knoestiger iepen boomtronk vliegen.
Onbeweeglijk als een steenen beeld, blijft de schamel gekleede man
voor het poortje staan, en staart onafgebroken naar den jongen
houthakker.
Daar wendt deze zich om, ten einde een wegspringenden spaander op te
rapen, en als Hannes Klinge het donkere gelaat met de boven den neus
ineengegroeide wenkbrauwen ziet, dan kan de vader zich niet langer
inhouden. "Gert, mijn jongen," roept hij, en een oogenblik staat deze
hem met de bijl in de hand aan te staren. Maar dan werpt hij de bijl
op den grond, springt als een hert over het poortje en zijn armen om
den hals van zijn vader slaande, klinkt zijn jubelende stem als een
klok door de stilte van den wintermorgen:
"Vader! vader! Zijt gij weer thuis! Goddank, Goddank!