HOOFDSTUK XIX.

Toen de schaapherder een oogenblik met Hannes alleen was, en de

avondschemering het groote woonvertrek in halfduister hulde, boog hij

zich naar Hannes toe, en hem in de oogen ziende, vraagt hij

plotseling: "Is er volkomen vergiffenis in je hart, Hannes Klinge,

voor hen, die eens zwaar tegen je hebben misdreven? Kun je met een

gerust hart bidden: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij

vergeven onzen schuldenaren? Zeg mij, kun je dat?" En Hannes

antwoordt met vaste stem: "Ja, God zij gedankt, dat kan ik."

"Dan is het goed en dan zal er, als ik mij niet vergis, nog iemand

een gelukkig Kerstfeest kunnen vieren met ons."

Nu treedt Gert het vertrek binnen met een armvol brandhout, en

stapelt dat netjes op in een hoek van de breede schouw, terwijl

Martha en Lize in de warme, gezellige kamer de tafel in orde maken.

Daarna wordt de koperen tuitlamp aangestoken en de vensterluiken

gesloten.

"Gert!" zegt Olbert, "laten we eens gaan zien, dat die twee oude

rammen niet bij elkaar kunnen komen, want anders loopt het weer op

vechten uit," en als na een poosje Olbert weer terugkomt, dan zegt

hij:

"Martha, Gert moet na de koffie nog even voor mij naar het dorp, dus

schenk maar vast in, dan zijn we vroeg klaar, en hebben nog een

gezelligen avond voor ons."

Het gebeurde wel meer, dat Gert voor den ouden man des avonds naar

het dorp moest, maar dat het nu juist van avond was, verwonderde

Martha wel eenigszins. Doch hij zou spoedig weer terug zijn, en ze

sloeg er verder geen acht op.

Wat een onuitsprekelijk genot was het voor den man die vijf jaren

lang in de gevangenis zijn tabakspijp had moeten ontberen, en nu weer

de rookwolken naar boven zag kringelen uit de pijp, die Martha zoo

zorgvuldig voor hem had bewaard. Zooveel had men elkander te

vertellen, dat niemand er acht op sloeg dat Gert al weer terug had

kunnen zijn. Eindelijk merkte Hannes op, dat de jongen nogal lang

wegbleef, maar op hetzelfde oogenblik werd reeds de klink van de

buitendeur gelicht.

"Daar is hij al," zei Martha, maar laat er verwonderd op volgen: "Hij

is niet alleen; wien ter wereld zal hij nu medebrengen?" Een

oogenblik gestommel in het donkere portaaltje, dan gaat de binnendeur

open en in het licht van het haardvuur en de lamp staat Gert, en

naast hem, met gebogen hoofd, een bejaard man van hooge gestalte en

met grijs haar.

"Vader, moeder," zegt Gert, en zijn jonge stem trilt van aandoening,

"zie, hier breng ik grootvader bij u."

Stil, doodstil blijft het een oogenblik in de kamer, en Hannes Klinge

is nog bleeker geworden, dan hij reeds was. Maar Martha stijgt het

bloed naar het hoofd, want plotseling staat dat tooneel van voor vijf

jaren haar weer voor den geest, toen men haar Hannes met geboeide

handen wegvoerde. Maar de trek van zielelijden op het gelaat van haar

vader, zijn vergrijsde haren, en de hulpelooze blik in die vroeger

zoo gebiedende oogen, onderdrukken haar opkomenden toorn.

"Barend van Gulven," zegt Hannes Klinge, en geen zweem van toorn

klinkt in zijn kalme stem, "mijn jongen, mijn Gert, heeft u hier

gebracht, en wat het doel uwer komst is, weet ik niet, maar mij,

armen, en bij de menschen in het dorp verachten man, zijt ge welkom."

"Hannes, Martha, het gedane ongedaan maken kan ik niet; het eenige

wat ik doen kan, is u vergiffenis vragen voor al het kwaad, en voor

al het lijden, dat ik u in mijn goddeloozen trots heb aangedaan.

Hannes," vervolgt Van Gulven, "Hannes, die vijf jaren, die gij door

mijne schuld in de gevangenis hebt doorgebracht, heb ik doorgebracht

in wroeging en bitter berouw, en ik geloof, dat zulks zwaarder is te

dragen dan tuchthuisstraf.

O! Hannes, o! Martha, vergeef mij wat ik u misdeed, ik ben zoo

alleen; ik gevoel mij zoo ellendig; het leven schijnt mij zoo zwaar

en toch zoo ledig.

Om u, Martha, om u, mijn eenig kind, tot de rijkste boerin van het

dorp te maken, daarom heb ik Hannes verstooten, en omdat gij u niet

wildet buigen, heb ik u beiden opgeofferd aan mijn grenzenloozen

trots. Alles heb ik op het spel gezet, en alles heb ik verloren, en

dat is recht. "Zorgwijk" is verbrand, en Gerrit Dubbe heeft mijn huis

in brand gestoken. Dat staat bij mij vast, al kon de rechter het hem

niet bewijzen. God is rechtvaardig."

"Maar ook genadig," zegt Hannes Klinge, diep bewogen. "Eens heb ik u

naar het leven gestaan, Van Gulven; maar de goede God hier boven

wilde uw dood niet. Hij wilde niet, dat ik een moordenaar werd, maar

Hij wil, dat we met berouw in het harte Hem smeeken om hulp en licht

op ons levenspad. En mij gaf Hij licht, en daarom kan ik uit den

grond van mijn hart zeggen: Reik mij de hand, en alles is vergeven en

vergeten."

En de boer grijpt de hand van Hannes Klinge, hij wil iets zeggen,

maar zijn stem stokt hem in de keel en het hoofd nog dieper buigend,

barst hij in tranen los.

Maar nu ook voelt Martha haar laatsten zweem van wrok verdwijnen,

want nog nimmer had ze een traan in het oog van haar vader gezien, en

terwijl langs haar eigen wangen de heldere droppels afbiggelen, gaat

ze naast Hannes staan, en zegt: "Ween niet, vader, maar dank God;

want nu kan alles nog ten beste keeren."

"Had mijn Sanne dat eens mogen zien," mompelt Olbert voor zich heen,

en zegt: "Zie! dit is een schoone voorbereiding voor het feest, dat

morgen aanbreekt, en gij zult, hoop ik, nog lang aan dezen avond

denken, ook als de oude schaapherder de eeuwige rust is ingegaan."

Wat was het gezellig daar om die tafel in de oude Schaapskooi, en al

was het buiten koud en donker, daar binnen klopten de harten warm en

daar was het zonnig.

Doch het werd laat en men moest scheiden. "Ik ga vader tot het dorp

vergezellen," sprak Hannes. "En ik ga met u en grootvader mee," roept

Gert, en dat vader en grootvader, zie, dat doet het hart van Barend

van Gulven trillen van blijde ontroering, want nu gevoelt hij zich

niet meer alleen op de wereld.

Buiten is de lucht opgeklaard, en de sterren schitteren aan den

hemel. De bijna volle maan verlicht den Davel met zijn ritselenden

rietzoom en Van Gulven vindt het buiten in het maanlicht een

geschikte plaats om vrijuit te vragen en te zeggen wat hem op het

hart ligt.

"Kijk, Hannes," zoo begint hij, "ik heb je van avond verteld, dat ik

bij Geertje en Dirk inwoon, sinds den brand, die "Zorgwijk"

verwoestte. Ik heb veel geld verloren, want ik kon niets redden; doch

hoewel niet schatrijk meer zooals voorheen, ben ik toch voor een boer

nog een bemiddeld man te noemen. In een groote schuur, die ik van een

boer in het dorp heb gehuurd, en die ik als stal heb laten inrichten,

bevindt zich nog veel vee, dat door Dirk en mij, met behulp van

Geertje en een melkmeid, wordt verzorgd.

Nu moet Dirk iederen dag met den wagen naar de stad rijden, dus je

begrijpt dat er werk genoeg is. Blijf jij nu bij mij, Hannes? Gert

heeft zijn werk op de Schaapskooi en dan kan Geertje thuis blijven."

Wonderlijk, nu de last hem van het hart is, ontwaakt in den boer weer

dadelijk de oude veerkracht. Hannes neemt het voorstel van zijn

schoonvader dankbaar aan, en Van Gulven wrijft zich in de handen. "Nu

heb ik nog iets, Hannes, maar als je dat niet aanstaat, moet je het

mij openhartig zeggen, staat het je wèl aan, spreek er dan met Martha

en met Olbert over, want de schaapherder is een wijs en braaf man."

Ondanks de koude, die geen der drie mannen schijnt te gevoelen,

blijft Van Gulven staan op het pad. "Zie Hannes," zegt hij, "ik had

een vreemd plan in mijn gedachten eer uw Gert mij dezen avond kwam

opzoeken. Ik was niet van zins om "Zorgwijk" weer te laten opbouwen,

maar ik had bij mij zelven het besluit genomen, om alles wat hier

mijn eigendom is, te verkoopen, en een nieuw leven te beginnen, ver,

ver van hier. In een woord, Hannes, ik wilde naar Amerika, en als jij

met vrouw en kinderen mee wilt trekken, dan wil ik nog gaan, maar

niet zonder jou, want nu wij elkander hebben gevonden, zullen wij,

zoo God wil, niet weer scheiden. Voor uitrusting en overtocht zal ik

zorgen. Ik koop van de Amerikaansche regeering een stuk boschgrond,

ergens in de Westelijke Staten, en we bouwen een blokhuis in de

wildernis.

Het zal een hard leven zijn in het eerst, Hannes; we zullen moeten

werken met de bijl in de hand en de buks over den schouder, maar we

zullen er vrij zijn.

Ik ben drie en zestig jaar oud," vervolgt de boer, "maar ik gevoel

mij nog krachtig genoeg om zwaren arbeid te verrichten, en met twee

zulke kerels als jij en Gert, en met mijn Martha en haar frissche

gezonde dochter om mij heen, o, dan vrees ik de gevaren en de

eenzaamheid van het woud niet, en met Gods hulp beginnen wij

daarginds een nieuw en beter leven."

Hannes wil wat zeggen, maar Van Gulven merkt op, dat hij nu nog geen

antwoord verlangt.

"Neen, Hannes," zegt hij, "spreek er met Martha en met Olbert over en

deel mij na rijp beraad je besluit mede. En nog iets wilde ik je

vragen. In geen jaren ben ik des Zondags ter kerke geweest, want ik

gevoelde er mij niet thuis, maar nu, Hannes, is het mij een behoefte

om morgen in Zijn huis den goeden God te danken, die mij, armen

dwaas, mijn kinderen terug deed vinden, die ik door eigen schuld

verloor.

Nu wenschte ik, Hannes, dat jij met Martha en Gert en Lize mij hier

kwaamt afhalen, en dan gezamenlijk met mij ter kerke gingt, want ik

wil voor God en de menschen toonen, dat mijn hart overvloeit van

geluk.

En nu ben ik thuis; daar ligt de puinhoop, die eens "Zorgwijk" was,

maar dat verlies valt mij nu niet zwaar meer te dragen; ga nu maar

gauw terug naar de Schaapskooi; goeden nacht en tot morgen, je gaat

immers mede, Hannes?"

"Ja, vader, met vreugde; goeden nacht!"

Vriendelijk schijnt den volgenden dag het winterzonnetje op de hard

bevroren sneeuw van het pad dat naar de dorpskerk voert, en het

klokgelui, dat ver over het stille dorp weergalmt, noodigt op dezen

schoonen Kerstmorgen de menschen in Gods huis.

Schuifelend en stommelend vullen zich langzamerhand de banken; een

met ouderwetsch snijwerk rijkversierde bank echter is nog ledig, en

die bank was sinds jaar en dag altijd ledig, want zij behoort aan

Barend van Gulven. Maar al kwam de boer nooit ter kerk, toch betaalde

hij ieder jaar precies op tijd het verschuldigde bedrag.

Plotseling wordt het stil in het kerkgebouw; het stommelen houdt op,

en aller oogen vestigen zich op de bank van de familie Van Gulven.

In kloeke houding en met een glans op het gelaat, opent Van Gulven de

met snijwerk versierde deur van zijn bank, en op hem volgt een

bleeke, forsche man; daarna Martha en dan de hooge, slanke gestalte

van Gert Klinge; en eindelijk ook de schoone blonde Lize.

Fluisterend gaat de naam van Hannes Klinge van bank tot bank, en die

hem persoonlijk niet gekend hebben, kunnen niet gelooven, dat die man

met dat bleeke, kalme gelaat, en de geduchte strooper uit het

"Uilennest" een en dezelfde persoon zijn.

Doch het gefluister verstomt, want de machtige tonen van het orgel

vullen met hun forsche klanken het kerkgebouw, en helder als een klok

klinkt de stem van Hannes Klinge, als hij uit volle borst Psalm 68

vers 10 medezingt:

Geloofd zij God met diepst ontzag,

Hij overlaadt ons dag bij dag

Met Zijne gunstbewijzen.

Die God is onze zaligheid,

Wie zou die hoogste Majesteit

Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt uit goedheid, zonder peil,

Ons 't eeuwig, zalig leven;

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naad'ren van den dood,

Volkomen uitkomst geven.

Eenvoudig en aangrijpend schoon predikte de leeraar over dien nacht,

waarin het koor der Engelen het Vrede op aarde zong, daarginds in

Efratha's velden; toen het Kindeke werd geboren in den stal te

Bethlehem. Het Kindeke, dat het offerlam zou worden, dat de schuld

der wereld zou torsen.

In stille ontroering luisterde Hannes Klinge, en toen eindelijk de

slotzang gezongen werd en de predikant daarvoor opgaf het tweede vers

van den 98en Psalm, toen was het hart van den sterken man te vol, en

hij kon niet medezingen, maar uit zijn ziel steeg een danktoon op tot

God.

Buiten, bij het verlaten der kerk, weken de menschen eenigszins schuw

ter zijde, toen Hannes Klinge met Van Gulven en de anderen

voorbijgingen op het kerkpad. Want Hannes Klinge had immers vijf

jaren in het tuchthuis doorgebracht. Doch één man ging niet terzijde,

want dwars door de kerkgangers heen, kwam Abbe Durling, de

veldwachter, op Hannes toe, en gulhartig de hand uitstekend, klinkt

het vroolijk: "Welkom thuis, Klinge!" En Hannes vat die trouwe hand,

en Abbe Durling diep in de oogen starend, zegt hij:

"Voor dien handdruk zal ik je mijn leven lang dankbaar zijn, want nu

weet ik, dat mijn oude korporaal mij de treurigste daad van heel mijn

leven vergeven heeft, en nu is alles goed. God zij daarvoor gedankt."

"Kom," sprak Van Gulven, "kom, veldwachter, gij zijt vandaag mijn

gast en ge vergezelt ons naar de woning van Dirk, mijn knecht. Het is

er niet zoo mooi als weleer op "Zorgwijk", maar nu woont er liefde en

vriendschap, en die heb ik door eigen schuld lang moeten ontberen."

Het werd voor allen een recht gelukkige dag, en aan den avond, toen

men scheidde, verklaarde Hannes, dat dit het schoonste Kerstfeest

was, dat hij ooit vierde.

Het was het laatste Kerstfeest in het vaderland, want na rijp beraad

had men besloten om den tocht naar Amerika te ondernemen. "Het is het

beste," had de oude schaapherder gezegd, "wat ge doen kunt, want hier

in het dorp zal men nimmer vergeten, dat ge eens voor poging tot

moord in de gevangenis hebt gezeten, en na jaren zou men het soms uw

kinderen nog verwijten. Het is het beste," herhaalde de oude man,

"maar God weet, hoe zwaar het mij valt van u te scheiden, want ik heb

u allen lief."

En het grijze hoofd van Olbert zinkt hem dieper op de borst en een

nevel komt over zijn nog heldere oogen, maar dadelijk staat Gert

naast hem. "Ik blijf bij u, oom Olbert," zegt hij, "want ge kunt mij

immers niet missen?" Hoe verwarmt dat woord van den kloeken jongen

het hart van den grijsaard, maar hij schudt het hoofd: "Neen, neen,

mijn jongen, gij moet met vader en moeder mee naar 't verre land,

want spoedig gaat Olbert de eenarm ook naar huis, naar Sanne, die hem

wacht." Van Gulven heeft echter aan alles gedacht, en wat hij

voorstelt, wordt door allen dankbaar aanvaard. Dirk en Geertje zullen

op de Schaapskooi komen, en Dirk zal Gert vervangen, terwijl Geertje,

de vrome, zachtmoedige Geertje, voor den ouden man zal zorgen, als

een eigen dochter voor haar ouden vader.

Toen eenmaal dat besluit vaststond, zou men het voorjaar afwachten,

en dan vertrekken.

Maar door alle beslommeringen, die Van Gulven had met het verkoopen

van vee en vaste goederen, werd het zomer, eer men met alles gereed

was.

Ook Hannes Klinge was het gelukt het plekje grond, dat zijn eigendom

was, te verkoopen, en wel aan Sijmen den ossenkooper, die het

gebruiken wilde voor stieren-weide.

Eindelijk is het uur van scheiden daar. Heerlijk schoon is de

Julimorgen, nu de wagen met koffers en reisbenoodigdheden voor de

Schaapskooi gereed staat. Een lichte nevel hangt nog boven den Davel,

en de leeuwerik, die opstijgt uit het roggeveld, jubelt zijn

morgenlied; de schapen blaten in den stal, want zij verlangen naar de

bloemige dreven daarbuiten en in de groote noteboomen kirren de

woudduiven; alles, alles in de schoone schepping Gods baadt in

zomerweelde en zonneglans. Maar scheiden doet wee en al bedwingt

Hannes zijn aandoening, hij kan het niet helpen, dat zijn oog vochtig

wordt, als hij Olbert voor het laatst de hand drukt. En Martha en

Lize weerhouden hunne tranen niet, en als allen op den wagen

geklommen zijn en hunne plaatsen hebben ingenomen, dan springt Gert

er nog af, en drukt nog eenmaal den veteraan van Napoleon de magere

hand. "Altijd, altijd zal ik aan u blijven denken, oom Olbert," zegt

hij, maar zijn stem smoort in een snik. Dan wendt hij zich om, en

springt als een vogel zoo vlug achter op den wagen. "God behoede u

allen," roept Olbert hun nog na. "Vort," zegt Dirk tot zijn paard, en

de wagen rolt den landweg uit en het is Hannes Klinge, alsof iedere

plek hier langs den Davel hem een vaarwel toeroept. O, wat al

herinneringen, nu hij met de zijnen de plek voorbijrijdt, waar eens

het "Uilennest" stond!

De hut is verdwenen, de oude wilgen zijn uitgerooid, en het jonge

gras ontkiemt op de plek, waar Hannes eenmaal aanklopte bij den ouden

jager.

Maar de bijbel van Krijn Vermeeren gaat mee; die zal hem vergezellen

naar de wildernissen van het verre Westen. Twee psalmversen heeft

Hannes daarin met een potloodstreep gemerkt, en dat zijn de verzen

vijf en zeven van den honderd-zestienden psalm.

Het Uilennest · 第 28 / 28 题