Toen de schaapherder een oogenblik met Hannes alleen was, en de
avondschemering het groote woonvertrek in halfduister hulde, boog hij
zich naar Hannes toe, en hem in de oogen ziende, vraagt hij
plotseling: "Is er volkomen vergiffenis in je hart, Hannes Klinge,
voor hen, die eens zwaar tegen je hebben misdreven? Kun je met een
gerust hart bidden: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij
vergeven onzen schuldenaren? Zeg mij, kun je dat?" En Hannes
antwoordt met vaste stem: "Ja, God zij gedankt, dat kan ik."
"Dan is het goed en dan zal er, als ik mij niet vergis, nog iemand
een gelukkig Kerstfeest kunnen vieren met ons."
Nu treedt Gert het vertrek binnen met een armvol brandhout, en
stapelt dat netjes op in een hoek van de breede schouw, terwijl
Martha en Lize in de warme, gezellige kamer de tafel in orde maken.
Daarna wordt de koperen tuitlamp aangestoken en de vensterluiken
gesloten.
"Gert!" zegt Olbert, "laten we eens gaan zien, dat die twee oude
rammen niet bij elkaar kunnen komen, want anders loopt het weer op
vechten uit," en als na een poosje Olbert weer terugkomt, dan zegt
hij:
"Martha, Gert moet na de koffie nog even voor mij naar het dorp, dus
schenk maar vast in, dan zijn we vroeg klaar, en hebben nog een
gezelligen avond voor ons."
Het gebeurde wel meer, dat Gert voor den ouden man des avonds naar
het dorp moest, maar dat het nu juist van avond was, verwonderde
Martha wel eenigszins. Doch hij zou spoedig weer terug zijn, en ze
sloeg er verder geen acht op.
Wat een onuitsprekelijk genot was het voor den man die vijf jaren
lang in de gevangenis zijn tabakspijp had moeten ontberen, en nu weer
de rookwolken naar boven zag kringelen uit de pijp, die Martha zoo
zorgvuldig voor hem had bewaard. Zooveel had men elkander te
vertellen, dat niemand er acht op sloeg dat Gert al weer terug had
kunnen zijn. Eindelijk merkte Hannes op, dat de jongen nogal lang
wegbleef, maar op hetzelfde oogenblik werd reeds de klink van de
buitendeur gelicht.
"Daar is hij al," zei Martha, maar laat er verwonderd op volgen: "Hij
is niet alleen; wien ter wereld zal hij nu medebrengen?" Een
oogenblik gestommel in het donkere portaaltje, dan gaat de binnendeur
open en in het licht van het haardvuur en de lamp staat Gert, en
naast hem, met gebogen hoofd, een bejaard man van hooge gestalte en
met grijs haar.
"Vader, moeder," zegt Gert, en zijn jonge stem trilt van aandoening,
"zie, hier breng ik grootvader bij u."
Stil, doodstil blijft het een oogenblik in de kamer, en Hannes Klinge
is nog bleeker geworden, dan hij reeds was. Maar Martha stijgt het
bloed naar het hoofd, want plotseling staat dat tooneel van voor vijf
jaren haar weer voor den geest, toen men haar Hannes met geboeide
handen wegvoerde. Maar de trek van zielelijden op het gelaat van haar
vader, zijn vergrijsde haren, en de hulpelooze blik in die vroeger
zoo gebiedende oogen, onderdrukken haar opkomenden toorn.
"Barend van Gulven," zegt Hannes Klinge, en geen zweem van toorn
klinkt in zijn kalme stem, "mijn jongen, mijn Gert, heeft u hier
gebracht, en wat het doel uwer komst is, weet ik niet, maar mij,
armen, en bij de menschen in het dorp verachten man, zijt ge welkom."
"Hannes, Martha, het gedane ongedaan maken kan ik niet; het eenige
wat ik doen kan, is u vergiffenis vragen voor al het kwaad, en voor
al het lijden, dat ik u in mijn goddeloozen trots heb aangedaan.
Hannes," vervolgt Van Gulven, "Hannes, die vijf jaren, die gij door
mijne schuld in de gevangenis hebt doorgebracht, heb ik doorgebracht
in wroeging en bitter berouw, en ik geloof, dat zulks zwaarder is te
dragen dan tuchthuisstraf.
O! Hannes, o! Martha, vergeef mij wat ik u misdeed, ik ben zoo
alleen; ik gevoel mij zoo ellendig; het leven schijnt mij zoo zwaar
en toch zoo ledig.
Om u, Martha, om u, mijn eenig kind, tot de rijkste boerin van het
dorp te maken, daarom heb ik Hannes verstooten, en omdat gij u niet
wildet buigen, heb ik u beiden opgeofferd aan mijn grenzenloozen
trots. Alles heb ik op het spel gezet, en alles heb ik verloren, en
dat is recht. "Zorgwijk" is verbrand, en Gerrit Dubbe heeft mijn huis
in brand gestoken. Dat staat bij mij vast, al kon de rechter het hem
niet bewijzen. God is rechtvaardig."
"Maar ook genadig," zegt Hannes Klinge, diep bewogen. "Eens heb ik u
naar het leven gestaan, Van Gulven; maar de goede God hier boven
wilde uw dood niet. Hij wilde niet, dat ik een moordenaar werd, maar
Hij wil, dat we met berouw in het harte Hem smeeken om hulp en licht
op ons levenspad. En mij gaf Hij licht, en daarom kan ik uit den
grond van mijn hart zeggen: Reik mij de hand, en alles is vergeven en
vergeten."
En de boer grijpt de hand van Hannes Klinge, hij wil iets zeggen,
maar zijn stem stokt hem in de keel en het hoofd nog dieper buigend,
barst hij in tranen los.
Maar nu ook voelt Martha haar laatsten zweem van wrok verdwijnen,
want nog nimmer had ze een traan in het oog van haar vader gezien, en
terwijl langs haar eigen wangen de heldere droppels afbiggelen, gaat
ze naast Hannes staan, en zegt: "Ween niet, vader, maar dank God;
want nu kan alles nog ten beste keeren."
"Had mijn Sanne dat eens mogen zien," mompelt Olbert voor zich heen,
en zegt: "Zie! dit is een schoone voorbereiding voor het feest, dat
morgen aanbreekt, en gij zult, hoop ik, nog lang aan dezen avond
denken, ook als de oude schaapherder de eeuwige rust is ingegaan."
Wat was het gezellig daar om die tafel in de oude Schaapskooi, en al
was het buiten koud en donker, daar binnen klopten de harten warm en
daar was het zonnig.
Doch het werd laat en men moest scheiden. "Ik ga vader tot het dorp
vergezellen," sprak Hannes. "En ik ga met u en grootvader mee," roept
Gert, en dat vader en grootvader, zie, dat doet het hart van Barend
van Gulven trillen van blijde ontroering, want nu gevoelt hij zich
niet meer alleen op de wereld.
Buiten is de lucht opgeklaard, en de sterren schitteren aan den
hemel. De bijna volle maan verlicht den Davel met zijn ritselenden
rietzoom en Van Gulven vindt het buiten in het maanlicht een
geschikte plaats om vrijuit te vragen en te zeggen wat hem op het
hart ligt.
"Kijk, Hannes," zoo begint hij, "ik heb je van avond verteld, dat ik
bij Geertje en Dirk inwoon, sinds den brand, die "Zorgwijk"
verwoestte. Ik heb veel geld verloren, want ik kon niets redden; doch
hoewel niet schatrijk meer zooals voorheen, ben ik toch voor een boer
nog een bemiddeld man te noemen. In een groote schuur, die ik van een
boer in het dorp heb gehuurd, en die ik als stal heb laten inrichten,
bevindt zich nog veel vee, dat door Dirk en mij, met behulp van
Geertje en een melkmeid, wordt verzorgd.
Nu moet Dirk iederen dag met den wagen naar de stad rijden, dus je
begrijpt dat er werk genoeg is. Blijf jij nu bij mij, Hannes? Gert
heeft zijn werk op de Schaapskooi en dan kan Geertje thuis blijven."
Wonderlijk, nu de last hem van het hart is, ontwaakt in den boer weer
dadelijk de oude veerkracht. Hannes neemt het voorstel van zijn
schoonvader dankbaar aan, en Van Gulven wrijft zich in de handen. "Nu
heb ik nog iets, Hannes, maar als je dat niet aanstaat, moet je het
mij openhartig zeggen, staat het je wèl aan, spreek er dan met Martha
en met Olbert over, want de schaapherder is een wijs en braaf man."
Ondanks de koude, die geen der drie mannen schijnt te gevoelen,
blijft Van Gulven staan op het pad. "Zie Hannes," zegt hij, "ik had
een vreemd plan in mijn gedachten eer uw Gert mij dezen avond kwam
opzoeken. Ik was niet van zins om "Zorgwijk" weer te laten opbouwen,
maar ik had bij mij zelven het besluit genomen, om alles wat hier
mijn eigendom is, te verkoopen, en een nieuw leven te beginnen, ver,
ver van hier. In een woord, Hannes, ik wilde naar Amerika, en als jij
met vrouw en kinderen mee wilt trekken, dan wil ik nog gaan, maar
niet zonder jou, want nu wij elkander hebben gevonden, zullen wij,
zoo God wil, niet weer scheiden. Voor uitrusting en overtocht zal ik
zorgen. Ik koop van de Amerikaansche regeering een stuk boschgrond,
ergens in de Westelijke Staten, en we bouwen een blokhuis in de
wildernis.
Het zal een hard leven zijn in het eerst, Hannes; we zullen moeten
werken met de bijl in de hand en de buks over den schouder, maar we
zullen er vrij zijn.
Ik ben drie en zestig jaar oud," vervolgt de boer, "maar ik gevoel
mij nog krachtig genoeg om zwaren arbeid te verrichten, en met twee
zulke kerels als jij en Gert, en met mijn Martha en haar frissche
gezonde dochter om mij heen, o, dan vrees ik de gevaren en de
eenzaamheid van het woud niet, en met Gods hulp beginnen wij
daarginds een nieuw en beter leven."
Hannes wil wat zeggen, maar Van Gulven merkt op, dat hij nu nog geen
antwoord verlangt.
"Neen, Hannes," zegt hij, "spreek er met Martha en met Olbert over en
deel mij na rijp beraad je besluit mede. En nog iets wilde ik je
vragen. In geen jaren ben ik des Zondags ter kerke geweest, want ik
gevoelde er mij niet thuis, maar nu, Hannes, is het mij een behoefte
om morgen in Zijn huis den goeden God te danken, die mij, armen
dwaas, mijn kinderen terug deed vinden, die ik door eigen schuld
verloor.
Nu wenschte ik, Hannes, dat jij met Martha en Gert en Lize mij hier
kwaamt afhalen, en dan gezamenlijk met mij ter kerke gingt, want ik
wil voor God en de menschen toonen, dat mijn hart overvloeit van
geluk.
En nu ben ik thuis; daar ligt de puinhoop, die eens "Zorgwijk" was,
maar dat verlies valt mij nu niet zwaar meer te dragen; ga nu maar
gauw terug naar de Schaapskooi; goeden nacht en tot morgen, je gaat
immers mede, Hannes?"
"Ja, vader, met vreugde; goeden nacht!"
Vriendelijk schijnt den volgenden dag het winterzonnetje op de hard
bevroren sneeuw van het pad dat naar de dorpskerk voert, en het
klokgelui, dat ver over het stille dorp weergalmt, noodigt op dezen
schoonen Kerstmorgen de menschen in Gods huis.
Schuifelend en stommelend vullen zich langzamerhand de banken; een
met ouderwetsch snijwerk rijkversierde bank echter is nog ledig, en
die bank was sinds jaar en dag altijd ledig, want zij behoort aan
Barend van Gulven. Maar al kwam de boer nooit ter kerk, toch betaalde
hij ieder jaar precies op tijd het verschuldigde bedrag.
Plotseling wordt het stil in het kerkgebouw; het stommelen houdt op,
en aller oogen vestigen zich op de bank van de familie Van Gulven.
In kloeke houding en met een glans op het gelaat, opent Van Gulven de
met snijwerk versierde deur van zijn bank, en op hem volgt een
bleeke, forsche man; daarna Martha en dan de hooge, slanke gestalte
van Gert Klinge; en eindelijk ook de schoone blonde Lize.
Fluisterend gaat de naam van Hannes Klinge van bank tot bank, en die
hem persoonlijk niet gekend hebben, kunnen niet gelooven, dat die man
met dat bleeke, kalme gelaat, en de geduchte strooper uit het
"Uilennest" een en dezelfde persoon zijn.
Doch het gefluister verstomt, want de machtige tonen van het orgel
vullen met hun forsche klanken het kerkgebouw, en helder als een klok
klinkt de stem van Hannes Klinge, als hij uit volle borst Psalm 68
vers 10 medezingt:
Geloofd zij God met diepst ontzag,
Hij overlaadt ons dag bij dag
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid,
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt uit goedheid, zonder peil,
Ons 't eeuwig, zalig leven;
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naad'ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
Eenvoudig en aangrijpend schoon predikte de leeraar over dien nacht,
waarin het koor der Engelen het Vrede op aarde zong, daarginds in
Efratha's velden; toen het Kindeke werd geboren in den stal te
Bethlehem. Het Kindeke, dat het offerlam zou worden, dat de schuld
der wereld zou torsen.
In stille ontroering luisterde Hannes Klinge, en toen eindelijk de
slotzang gezongen werd en de predikant daarvoor opgaf het tweede vers
van den 98en Psalm, toen was het hart van den sterken man te vol, en
hij kon niet medezingen, maar uit zijn ziel steeg een danktoon op tot
God.
Buiten, bij het verlaten der kerk, weken de menschen eenigszins schuw
ter zijde, toen Hannes Klinge met Van Gulven en de anderen
voorbijgingen op het kerkpad. Want Hannes Klinge had immers vijf
jaren in het tuchthuis doorgebracht. Doch één man ging niet terzijde,
want dwars door de kerkgangers heen, kwam Abbe Durling, de
veldwachter, op Hannes toe, en gulhartig de hand uitstekend, klinkt
het vroolijk: "Welkom thuis, Klinge!" En Hannes vat die trouwe hand,
en Abbe Durling diep in de oogen starend, zegt hij:
"Voor dien handdruk zal ik je mijn leven lang dankbaar zijn, want nu
weet ik, dat mijn oude korporaal mij de treurigste daad van heel mijn
leven vergeven heeft, en nu is alles goed. God zij daarvoor gedankt."
"Kom," sprak Van Gulven, "kom, veldwachter, gij zijt vandaag mijn
gast en ge vergezelt ons naar de woning van Dirk, mijn knecht. Het is
er niet zoo mooi als weleer op "Zorgwijk", maar nu woont er liefde en
vriendschap, en die heb ik door eigen schuld lang moeten ontberen."
Het werd voor allen een recht gelukkige dag, en aan den avond, toen
men scheidde, verklaarde Hannes, dat dit het schoonste Kerstfeest
was, dat hij ooit vierde.
Het was het laatste Kerstfeest in het vaderland, want na rijp beraad
had men besloten om den tocht naar Amerika te ondernemen. "Het is het
beste," had de oude schaapherder gezegd, "wat ge doen kunt, want hier
in het dorp zal men nimmer vergeten, dat ge eens voor poging tot
moord in de gevangenis hebt gezeten, en na jaren zou men het soms uw
kinderen nog verwijten. Het is het beste," herhaalde de oude man,
"maar God weet, hoe zwaar het mij valt van u te scheiden, want ik heb
u allen lief."
En het grijze hoofd van Olbert zinkt hem dieper op de borst en een
nevel komt over zijn nog heldere oogen, maar dadelijk staat Gert
naast hem. "Ik blijf bij u, oom Olbert," zegt hij, "want ge kunt mij
immers niet missen?" Hoe verwarmt dat woord van den kloeken jongen
het hart van den grijsaard, maar hij schudt het hoofd: "Neen, neen,
mijn jongen, gij moet met vader en moeder mee naar 't verre land,
want spoedig gaat Olbert de eenarm ook naar huis, naar Sanne, die hem
wacht." Van Gulven heeft echter aan alles gedacht, en wat hij
voorstelt, wordt door allen dankbaar aanvaard. Dirk en Geertje zullen
op de Schaapskooi komen, en Dirk zal Gert vervangen, terwijl Geertje,
de vrome, zachtmoedige Geertje, voor den ouden man zal zorgen, als
een eigen dochter voor haar ouden vader.
Toen eenmaal dat besluit vaststond, zou men het voorjaar afwachten,
en dan vertrekken.
Maar door alle beslommeringen, die Van Gulven had met het verkoopen
van vee en vaste goederen, werd het zomer, eer men met alles gereed
was.
Ook Hannes Klinge was het gelukt het plekje grond, dat zijn eigendom
was, te verkoopen, en wel aan Sijmen den ossenkooper, die het
gebruiken wilde voor stieren-weide.
Eindelijk is het uur van scheiden daar. Heerlijk schoon is de
Julimorgen, nu de wagen met koffers en reisbenoodigdheden voor de
Schaapskooi gereed staat. Een lichte nevel hangt nog boven den Davel,
en de leeuwerik, die opstijgt uit het roggeveld, jubelt zijn
morgenlied; de schapen blaten in den stal, want zij verlangen naar de
bloemige dreven daarbuiten en in de groote noteboomen kirren de
woudduiven; alles, alles in de schoone schepping Gods baadt in
zomerweelde en zonneglans. Maar scheiden doet wee en al bedwingt
Hannes zijn aandoening, hij kan het niet helpen, dat zijn oog vochtig
wordt, als hij Olbert voor het laatst de hand drukt. En Martha en
Lize weerhouden hunne tranen niet, en als allen op den wagen
geklommen zijn en hunne plaatsen hebben ingenomen, dan springt Gert
er nog af, en drukt nog eenmaal den veteraan van Napoleon de magere
hand. "Altijd, altijd zal ik aan u blijven denken, oom Olbert," zegt
hij, maar zijn stem smoort in een snik. Dan wendt hij zich om, en
springt als een vogel zoo vlug achter op den wagen. "God behoede u
allen," roept Olbert hun nog na. "Vort," zegt Dirk tot zijn paard, en
de wagen rolt den landweg uit en het is Hannes Klinge, alsof iedere
plek hier langs den Davel hem een vaarwel toeroept. O, wat al
herinneringen, nu hij met de zijnen de plek voorbijrijdt, waar eens
het "Uilennest" stond!
De hut is verdwenen, de oude wilgen zijn uitgerooid, en het jonge
gras ontkiemt op de plek, waar Hannes eenmaal aanklopte bij den ouden
jager.
Maar de bijbel van Krijn Vermeeren gaat mee; die zal hem vergezellen
naar de wildernissen van het verre Westen. Twee psalmversen heeft
Hannes daarin met een potloodstreep gemerkt, en dat zijn de verzen
vijf en zeven van den honderd-zestienden psalm.