Jaar en dag verstreken en op de Schaapskooi had de onverbiddelijke
dood een offer geëischt. Het was de goede vrouw Sanne, die na een
kort ziekbed in vrede was heengegaan. En vader Olbert? Hij droeg den
slag met de kalme berusting van den echten Christen, die bij alles
wat hem treft van ganscher harte kan zeggen: Wat God doet, dat is
welgedaan; het was zijn wil. Doch zijn haren waren zilverwit
geworden, en zijn magere gestalte nog meer gebogen, want schier een
menschenleven was zijne vrouw de trouwe gezellin geweest in zijne
eenzaamheid.
Doch aan trouwe liefde ontbrak het den ouden man niet, want zoowel
Martha als hare kinderen trachtten hem zooveel mogelijk het gemis van
zijne vrouw te vergoeden, en het leven op de Schaapskooi ging in
alles zijn gewonen gang.
Als zij er niet bepaald moesten zijn, kwamen de bewoners van de
Schaapskooi zelden in het dorp; maar 's Zaterdagsmiddags ging Lize er
altijd met haar korfje aan den arm heen, om wat er voor de volgende
week noodig was, in te koopen.
Iedereen op het dorp kende het mooie, blonde kind, maar met niemand
had ze omgang. Haar vader was immers de beruchte strooper uit 't
"Uilennest", die voor poging tot moord in de gevangenis zat! En des
avonds, als haar broeder haar af kwam halen, en zij te zamen over de
dorpsstraat gingen, dan hoorden ze soms den een of anderen
boerenknaap sarrend roepen:
"De uilen vliegen vandaag vroeg; het is nog helder dag!"
Maar niemand legde hun overigens ooit iets in den weg, want Gert
Klinge was groot en sterk voor zijn leeftijd, en de menschen in het
dorp zeiden: "Blijf dien jongen uit den weg, want hij heeft den
duivel in zijn oogen, hij is net zooals zijn vader; neem je voor hem
in acht, want hij is tot alles in staat."
Martha wist het wel, dat men haar kinderen vermeed in het dorp, en
het deed haar pijn.
Zij had getracht, om reeds dadelijk na de gevangenneming van haar man
het "Uilennest" te verkoopen, doch het was haar niet gelukt. Niemand
begeerde de oude jagershut met het stukje grond, en storm en regen,
sneeuwjacht en hagel, maakten het nederig huisje, waar ze toch eens
zoo gelukkig was, spoedig tot een bouwval.
Op "Zorgwijk" was ook veel veranderd. De eens zoo trotsche en
eerzuchtige Van Gulven was in zichzelven gekeerd en voor rijkdom en
aanzien onverschillig geworden.
Toen over Hannes Klinge het vonnis was uitgesproken en Van Gulven,
door de politie beschermd, weer thuis was gekomen, toen had hij een
poging in het werk gesteld om Martha en haar kinderen bij zich te
krijgen op "Zorgwijk".
Hij had Dirk, zijn vertrouwden knecht, naar de Schaapskooi gestuurd
met een brief, doch Martha had dien in de bitterheid harer ziel
ongelezen verscheurd. En tot Dirk had ze gezegd, terwijl ze hem de
snippers voor de voeten wierp, dat ze liever ging bedelen om brood,
dan ook maar het geringste aan te nemen van den man, die getoond had,
den naam van vader onwaardig te zijn. Met deze boodschap was Dirk bij
zijn meester teruggekomen, en toen hij, der waarheid getrouw, de
harde woorden van Martha letterlijk overbracht, toen was een diepe
zucht opgestegen uit de borst van den boer, en als in zichzelven
sprekend hoorde Dirk hem mompelen: "Wat de mensch zaait, dat zal hij
maaien." Terwijl de knecht zich omkeerde, om weer naar zijn werk te
gaan, kwam Gerrit Dubbe fluitend het erf oploopen, met de houding van
iemand, die geheel thuis is op de plaats waar hij zich bevindt.
"Blijf hier, Dirk," zegt Van Gulven, "blijf hier, want het kon wel
eens misloopen tusschen Gerrit Dubbe en mij. De schurk moet van
"Zorgwijk" af; hij heeft er lang genoeg de lucht bedorven."
Paars van drift rukt de boer de deur open en zich vlak voor Gerrit
Dubbe plaatsend, buldert hij hem toe: "Heb ik je niet gezegd, dat ik
niets meer met je te doen wilde hebben? Wat zoek je dan nog hier!
Ellendige Judas, er is hier voor jou niets meer te doen. Ik, arme
dwaas, heb mij door je valsche tong laten ompraten, en het eind van
de zaak is, dat ik mijn kind, mijn eenige dochter, voorgoed verloren
heb. Een trotsche, verwaande kerel was ik altijd, maar jij hebt een
misdadiger van mij gemaakt. Voort, zeg ik je, de poort van "Zorgwijk"
uit, en vertoon je nooit weer hier!"
Op zulk een luiden toon had de boer die woorden uitgebruld, dat een
paar daglooners, die in de schuur aan het dorschen waren, met hun
dorschvlegels in de hand naar buiten kwamen loopen, niet wetend wat
er gaande was.
In het eerst stond Gerrit Dubbe verbluft, want op zulk een ontvangst
had hij niet gerekend, maar daarna riep hij smadelijk:
"Wat! Is dat de dank, omdat ik u altijd terzijde heb gestaan? Gij
noemt u zelven een dwaas en dat zijt ge ook. Nu alles gegaan is,
zooals we het wenschten, nu krabbelt ge terug, en stelt u aan als een
gek, gij . . ."
"Hierheen" mannen!" schreeuwt Van Gulven en wenkt de beide daglooners
bij zich.
"Gooi hem de poort uit, Dirk en maak de honden los!"
"Niets liever dan dat, baas!" roept de knecht, en Dirk, die in
lichaamskracht bijna tegen den rooden Gerrit is opgewassen, grijpt
hem oogenblikkelijk in de borst.
De daglooners, jonge, krachtige kerels, pakken ook aan, en hoewel
Dubbe woedend van zich afslaat, moet hij toch ras het onderspit
delven, want met vereende krachten werpt men hem buiten de poort, die
dreunend achter hem dicht geworpen wordt.
Na dien dag vertoonde Gerrit Dubbe zich niet meer op "Zorgwijk", maar
zooveel te meer in den "Zwarten Arend". Govert Kemp rekende hem onder
zijn beste klanten en deed al het mogelijke, om den ruwen, hatelijken
kerel te vrind te houden.
Nu gebeurde het wel eens, dat deze of gene, die niet tot de vrienden
van Gerrit behoorde, het gesprek op Van Gulven bracht, om zoodoende
Dubbe tot toorn te prikkelen, waarbij men echter wel zorgde niet te
ver te gaan, want Gerrit was op het dorp nog altijd een gevreesde
kerel. Bij zulke gelegenheden vergat hij soms zijn gewone sluwheid,
en liet hij zich wel eens ontvallen, dat hij het vandaag of morgen
den boer van "Zorgwijk" wel betaald zou zetten, dat deze hem door
zijn knechts van zijn erf had doen smijten.
De boeren lachten er om en beschouwden die bedreiging als gewone
snoeverij. Maar toch, velen dachten er later anders over.
't Was in den nazomer; het hooi was in de schuren geborgen, en het
koren was voor het grootste deel binnen. Den ganschen dag hadden de
zwaarbeladen wagens af- en aangereden, en de sterke paarden, zoowel
als daglooners en knechten van "Zorgwijk", waren, vermoeid door den
zwaren arbeid, vroeg ter ruste gegaan.
Vooral Dirk had dezen dag hard gewerkt, want hij had eigenlijk het
beheer over de hoeve, en het zij tot zijn eer gezegd, hij behartigde
de zaken van zijn meester alsof het zijn eigene waren.
Van Gulven had van lieverlede alles aan hem overgelaten, en de man,
die vroeger voor een der meest ervaren boeren uit de streek gold,
liet nu alles aan vreemden over. Hij had er geen lust meer in; het
was of zijn veerkracht verlamd was, zoo drukte hem het gevoel zijner
schuld.
Geen arme echter werd ledig van zijn deur gezonden, en zijn volk
betaalde hij beter dan eenige boer in den omtrek.
Bijna met niemand sprak hij meer, doch het liefst had hij Geertje om
zich heen, die een paar jaar geleden met Dirk was getrouwd, en op het
erf van "Zorgwijk" woonde in de aardige met wingerd begroeide woning
rechts van de inrijpoort.
Hun huwelijk was tot dusver kinderloos, dus Geertje kon haar functie
als huishoudster op "Zorgwijk" blijven vervullen, en ze deed dat, en
verzorgde haar stillen, treurigen meester met al de trouw van haar
vroom en liefderijk gemoed. Toen dezen avond de arbeid was
afgeloopen, was Dirk nog even bij Van Gulven gekomen, om over het
werk voor den volgenden dag te spreken, en toen hij en Geertje zich
naar hun huisje begaven, bleef Van Gulven nog rooken. Ten slotte gaat
ook de boer ter ruste en een paar uur later heerscht er zoowel in als
om de hoeve een kalme, vredige rust.
Omstreeks middernacht doet de oude nachtwacht van het dorp zijne
gewone ronde, en nauwelijks dreunen twaalf klokslagen van den toren,
of zijn eentonige roep: "Twaalf heit de klok! de klok heit twaalf!"
galmt door de dorpsstraat.
Nu is hij recht over het voetpad van "Zorgwijk", en eensklaps valt
zijn oog op een rookwolkje, dat opstijgt boven het dak van een der
groote schuren, die vastgebouwd is aan het woonhuis.
Een oogenblik nog blijft hij staan, en wrijft zich de oogen uit; maar
als hij ziet, dat de rook toeneemt, en rossig gekleurd naar boven
kringelt, dan stormt hij, zoo snel zijn stramme beenen het hem
toelaten, het voetpad af, en tegen de ijzeren poort van de hoeve
bonzend, schreeuwt hij met geweldige stem: "Brand! Brand!"
Doch de menschen slapen vast, en eerst als de groote waakhonden van
"Zorgwijk" met woedend geblaf het geroep van Brand! Brand!
beantwoorden, dan wordt Geertje wakker, en zich oprichtend in haar
bed, denkt ze: wat gaan de honden toch aan!
"Brand! Brand!" klinkt het door den stillen nacht. "Dirk! Dirk!"
roept Geertje en schudt haar man bij den schouder heen en: weer. "Er
is brand, er uit!"
"Waar is er brand, waar zoo?" Dirk rijst slaapdronken overeind, doch
nu dringt ook hem het brandgeroep van buiten in de ooren en dat maakt
hem in eens klaar wakker.
Dadelijk staat hij op den vloer, en snel den grendel van de bovendeur
schuivend, werpt hij die wijd open.
De geurige, frissche lucht van den zomernacht dringt naar binnen,
maar Dirk let daar niet veel op, want wat hij ziet, doet hem een
oogenblik van schrik verstijven.
Uit alle openingen en reten in de groote schuur perst de rook naar
buiten en door de kleine raampjes schijnt de roode vuurgloed, en ziet
men al reeds de flikkerende vlammen dansen.
"Geertje, Geertje, "Zorgwijk" staat in brand!" en vliegensvlug trekt
Dirk zijn bombazijnen broek aan, steekt de bloote voeten in de
klompen, en vliegt naar buiten. Als mokers bonzen zijn vuisten op de
gesloten vensterluiken, waar hij weet, dat de slaapkamer van Van
Gulven is.
"Brand! Baas, er uit!" schreeuwt Dirk, en zijn vuistslagen doen het
raamkozijn dreunen. Op dit oogenblik barsten de vlammen met vreeslijk
geweld uit het dak der schuur, en grijpen oogenblikkelijk 't woonhuis
aan. "Ik kom, Dirk!" zoo roept Van Gulven en opent de deur.
In hemd en broek, evenals Dirk, komt de boer naar buiten en staart
verbijsterd in den loeienden vuurpoel. Verstikkende hitte en een
regen van vonken drijven Dirk en Van Gulven weg van voor het huis.
Gelukkig konden de jonge knecht en de twee meiden door den stal
ontvluchten, zoodat er zich geen menschenlevens meer in gevaar
bevonden.
Nu opent Dirk de poort der hoeve, en tot dadelijke hulp bereid,
dringt een aantal dorpelingen naar binnen, en met iedere minuut
vermeerdert hun getal.
Akelig klinkt het klokgeklep door den omtrek, en alle wegen en paden,
die naar het dorp leiden, zijn bedekt met halfgekleede menschen, en
hier en daar jaagt een boerenzoon te paard in galop over den weg.
Heel het dorp is op de been; de burgemeester en veldwachter Durling
praten druk met Van Gulven en vorschen naar de oorzaak van den brand.
Maar de boer kon geen opheldering geven, en Dirk evenmin; doch de
knecht kon toch niet nalaten, om ronduit als zijn meening te kennen
te geven, dat hier misdaad in het spel is, want er is dat gedeelte
van de schuur, waar de brand begonnen is, den ganschen dag niemand
geweest.
Hierdoor vervalt het vermoeden van den burgemeester, dat soms een
smeulende vonk uit een tabakspijp den brand veroorzaakt zou hebben.
Doch het is nu geen tijd om vermoedens uit te spreken: men wil nog
redden wat er te redden valt.
Twee keer hebben Van Gulven en Dirk een moedige poging gewaagd, om in
de woonkamer van de hoeve door te dringen, want de boer heeft veel,
zeer veel geldswaarde in het eikenhouten kabinet. Maar de geweldige
rook en de ontzettende hitte drijven de beide mannen spoedig terug,
en ze moeten hun pogingen opgeven.
Niets, letterlijk niets kan men redden als het huisje waarin Dirk en
Geertje wonen, en de heerlijk rijzende dageraad beschijnt een tooneel
van jammerlijke verwoesting. Van het trotsche, schoone "Zorgwijk" is
niets meer over als de knechtswoning; het overige is een vlammende,
rookende puinhoop.
Met starren blik en, bleek van vermoeienis staart Van Gulven in de
verwarde massa, en als Geertje haar hand op zijn schouder legt en hem
vraagt om mee te gaan in haar huisje, dan volgt de boer haar willoos
als een kind.
Dirk is nog op het erf en blijft onvermoeid in de weer; en als Van
Gulven met Geertje alleen in haar huisje is, dan legt de boer de
armen op de witgeschuurde tafel, en in den stoel van Dirk neerzinkend
buigt hij het hoofd op zijn armen en weent bittere tranen.
Ook Geertje snikt, en zij gevoelt diep medelijden met den man, die nu
zoo door zijn droefheid en het gevoel van verlatenheid is overmand.
"Geertje," zegt Van Gulven eindelijk en richt zich op, "Geertje, ik
stel mij niet te flink aan, maar ik had maar drie dingen op de wereld
lief: mijn Martha, mijn trots en het erfgoed mijner vaderen, en alles
heb ik verloren, en het ergste is, verloren door eigen schuld."
"Ach baas," zegt Geertje, "het is Gods wil, en daaronder moet de
mensch zich immers buigen; alles kan immers nog terecht komen, als
dat naar Zijn welbehagen is;" en het eenvoudige vrouwtje vond woorden
van troost, die den voor anderen zoo stuggen, ongenaakbaren man weer,
zoo al niet opbeurden, toch tot kalmte brachten.