Weken zijn verloopen en nog steeds dobbert Abbe Durling tusschen
leven en dood; doch eindelijk behaalt zijn sterk gestel en een
zorgvuldige verpleging de overwinning op de zware verwonding, en als
de koortsen verminderen en het bewustzijn weer helder wordt, is zijn
eerste vraag geweest naar Hannes Klinge, zijn ouden makker.
En toen zijn bejaarde moeder, die hem verpleegde, antwoordde, dat de
strooper in de gevangenis zat, mompelde hij: "Arme, arme kerel, moest
dat het einde zijn?"
Op de stille Schaapskooi van Olbert den eenarm is het echter vrij wat
levendiger geworden sinds Martha met Gert en Lize er hun intrek
hebben genomen.
Reeds den eersten dag na dien vreeselijken nacht hebben Olbert en
Gert, nadat de gewonde was vervoerd, alles wat waarde had en
meegenomen kon worden, uit het "Uilennest" overgebracht naar de
Schaapskooi en nu lag de hut eenzaam en verlaten aan den oever van
den Davel. De menschen uit het dorp gingen er des avonds nooit zonder
een huivering voorbij, want de plek stond bij het landvolk in een
kwaden reuk.
Olbert en zijn goede Sanne toonden, wat echt Christelijke liefde
vermag, en de heftige bitterheid in het gemoed van Martha maakte
langzamerhand plaats voor stille berusting in haar lot.
Gert was Olbert behulpzaam in alles waar hij maar kon, en daar de
dertienjarige knaap voor zijn leeftijd zeldzaam vlug en sterk was,
maakte hij zich spoedig voor den ouden schaapherder onmisbaar. Lize
was de lieveling van allen, en vrouw Sanne, wie de last der jaren
begon te drukken, verklaarde, dat ze niet zou weten, hoe ze het
zonder Martha en Lize zou moeten stellen, en dat ze het ongeluk, dat
den vroegeren bewoners van het "Uilennest" getroffen had,
hoofdzakelijk betreurde om den wille van Hannes. "Arm Hanneske",
voegde de oude vrouw er aan toe, want zoo noemde ze Klinge altijd.
Wel mocht ze zeggen: arm Hanneske.
Lang was hij in voorarrest geweest, en het was voor Martha een kwade
dag, toen eindelijk zijn zaak voor de rechtbank kwam.
Ze was bij het getuigenverhoor tegenwoordig geweest en den blik,
waarmede Hannes haar aanzag, zou ze nooit vergeten; het was de blik
van een wanhopig mensch, en de starre uitdrukking van zijn bleek
gelaat toonde wel aan, wat het voor hem beteekende, om van zijne
vrijheid beroofd te zijn.
Zonder eenige aarzeling bekende hij de door hem gepleegde daad, en
met aangrijpende welsprekendheid vertelde hij wat en wie er de
drijfveer van was, en ten slotte verklaarde hij met een door de volle
gerechtszaal helder klinkende stem, dat hij zijn buks had afgevuurd
met de bedoeling hèm te dooden, die zijn verderf gezocht had zooveel
hij maar kon.
En Barend van Gulven, die in de getuigenbank zat, was ineengekrompen
onder het bliksemend oog van Hannes Klinge.
"Ik heb mij overgegeven," zoo eindigt Hannes Klinge, "omdat ik een
man neerschoot, die mijn vriend was. Hij heeft getoond mijn vriend te
zijn, want hij trachtte mij over te halen het stroopen er aan te
geven, omdat men mijn ondergang trachtte te bewerken.
Tot loon voor zijn vriendschap viel hij door mijn schot. En de straf,
die gij mij oplegt, zal ik dragen--als ik kan; ik heb die verdiend."
Zoo sprak Hannes Klinge en een storm van verontwaardiging brak onder
het publiek los jegens Van Gulven, en met kracht moest de talrijk
aanwezige politie de orde in de zaal handhaven. De pleitrede van den
advocaat was krachtig, doch maakte niet zooveel indruk als het
eenvoudig doch kloek verhaal van den beschuldigde. En het einde van
de zaak was, dat Hannes zich hoorde veroordeelen tot vijf jaren
gevangenisstraf; een straf, die voor het ernstig misdrijf voorzeker
niet te zwaar mocht genoemd worden.
"De straf, die gij mij oplegt, zal ik dragen--als ik kan," had Hannes
gezegd, en deze woorden waren het, die Martha des nachts den slaap
uit de oogen dreven. Wat had haar man bedoeld met dat: als ik kán?!
O, zij wist maar al te goed, hoe hij de vrijheid lief had; hoe hij
indertijd opging in het vrije jagersleven, en nu daarginds in
Leeuwarden vijf jaren lang in een duffe cel opgesloten te zitten; zou
hij in een oogenblik van wanhoop niet een eind maken aan het leven,
dat hem niet langer draaglijk was?
Zou hij zich niet het hoofd verbrijzelen tegen den muur zijner cel?
Dat woord: "ik zal het dragen als ik kan," vervolgde haar als een
nachtmerrie, en toen ze Olbert deelgenoot maakte van haar zorg en
haar vrees, toen bleek het haar, dat ook Olbert, die haar destijds
naar de gerechtszaal had vergezeld, die woorden van Hannes had
opgevat zooals zij, want hij had haar naar boven gewezen, en gezegd:
"Martha, wij kunnen slechts bidden, dat God hem beware en hem licht
zende in de duisternis van zijn ziel. Neem een voorbeeld aan uw
kleine Lize, Martha, want elken avond voor ze naar bed gaat, hoor ik
haar zeggen in haar avondgebed: "Heere God, bewaar en behoed vader,
die zoo ver weg is." Zie, dat is het eenige en ook het beste, dat we
voor Hannes kunnen doen."
En de angst en de onrust lieten Martha geen vrede, totdat ze er toe
kwam om in de eenzaamheid van den nacht haar handen te vouwen en God
om hulp te smeeken voor den man, dien zij lief had. Toen keerde de
kalmte terug in haar hart, en Martha koesterde weer hoop.
Reeds twee brieven had Martha hem geschreven, doch geen antwoord
ontvangen. Eindelijk echter, het was reeds ver in het voorjaar,
bracht de postbode van het dorp haar een brief.
Hoe klopte haar het harte, toen zij op de bank onder de groote
noteboomen den omslag van den brief openscheurde.
Het was stil en vredig op dit plekje nu in den laten namiddag. Olbert
en Gert waren met de schapen op het pad, ieder afzonderlijk met een
kudde, want Olbert had er in den laatsten tijd vele jonge lammeren
bij gekregen, en ook door aankoop zijn kudde uitgebreid. Nu weidde de
zoon van Hannes de oude schapen op de verst afgelegen veldwegen en
paden, en Olbert bleef met de lammeren en de moederschapen dichter
bij huis. Maar eerst als de zon wegzonk achter de westerkim, keerden
de herders met hun wollig vee vroolijk en welgemoed huiswaarts.
Lize bleef binnenshuis bij vrouw Sanne, en hielp de oude vrouw bij
haar bezigheden, en Martha hoorde op de bank de heldere kinderstem
daarbinnen praten en lachen. Overigens heerscht kalme rust en stille
vrede op dezen schoonen lenteavond.
Wat zou de ongelukkige gevangene zijn vrouw en kinderen melden? Zou
het een doffe klacht zijn over verloren vrijheid en levensgeluk? Zou
het in zijn woorden doorschemeren, dat hij dat eenzame leven, het
gevangenisleven, niet dragen kan?
Neen, reeds het eerste woord, dat Hannes schrijft, doet het hart van
Martha trillen van blijde ontroering en als ze verder leest, dan
verduisteren tranen haar oogen.
"Mijn goede Martha," zoo schrijft hij, "God zij gedankt, het ergste
is voorbij. O, Martha, hoe zal ik u den toestand beschrijven en de
wanhoop, waarin ik mij nog voor een paar dagen bevond. Als een
gevangen wild dier in zijn hok liep ik uren aan uren heen en weer
door mijn cel, om te trachten of ik niet door vermoeienis de
kwellende gedachte aan mijn ellendig lot kon kwijt raken. Doch
vruchteloos; nergens anders kon ik aan denken dan aan die vijf jaren,
die ik hier moet doorbrengen. Ik, een man, die heel zijn leven
doorbracht in de vrije natuur, ik moet hier tusschen deze muren
verkwijnen, vijf jaren lang, met wroeging, berouw, wanhoop en haat in
het hart. Donker en diep is de Davel, en zwart en peilloos de modder
van het moeras, maar nog zwarter, dieper en troosteloozer lag de
toekomst voor mijn verbeelding. De brieven, die gij mij schreeft,
beurden mij wel een oogenblik op, maar uw liefde en trouw, de
aanhankelijkheid mijner kinderen, de edele vriendschap van Olbert en
zijn vrouw, dat alles deed mij nog levendiger beseffen, wat ik moest
missen; mij nog smartelijker mijn verloren geluk betreuren, en ik
wilde niet terugschrijven, want waarom zou ik u bezwaren met mijn
ellende?
Toen kwam voor het eerst de vreeselijke verzoeking tot mij, de stem
des duivels, die mij influisterde: maak er een eind aan; dit leven
kunt ge immers toch niet dragen; vijf jaar lang tusschen deze sombere
muren, waar iedere minuut zoo traag voortkruipt, dat het den
rampzaligen gevangene een uur toeschijnt. Maak er een einde aan, het
is voor uw vrouw en kinderen immers veel beter, als ge voorgoed van
het wereldtooneel verdwijnt? Want wat zult ge beginnen als ge deze
cel eens voorgoed verlaat, en als een tuchthuisboef terugkeert in de
maatschappij?
O, Martha, vergeef het mij, en moge God het mij vergeven, maar de
gedachte, dat ik om uwentwil zelfmoord moest plegen, won meer en meer
veld in mijn verdoolde ziel.
Als ik er niet meer ben, dan zal Van Gulven al het mogelijke doen om
zijn dochter, en om harentwil ook de kinderen, op "Zorgwijk" te
krijgen, zoo dacht ik telkens, en als er dan eenige jaren over heen
zijn gegaan, dan zal langzamerhand de gedachte aan Hannes Klinge
verflauwen. De tijd heelt immers alle wonden?
Toen nam ik een kort besluit. Als de bewaarder zijn laatste ronde had
gedaan, dan zou ik, arme dwaas, mij het hoofd tegen den muur te
pletter loopen en zoo een einde maken aan een leven, dat ik in mijn
overspannen zielstoestand niet langer wenschte voort te sleepen.
Nog een uur ongeveer moest ik wachten, voordat de gevangenbewaarder
zijn ronde had afgelegd, en ik zette mij in doffe berusting op den
rand mijner krib--die mij des nachts tot slaapplaats dient--in
afwachting van zijn komst.
Boven in mijn cel bevindt zich een klein tralievenster, en als ik op
mijn krib zit, dan kan ik juist een klein stukje van den hemel zien.
Zoo zat ik dan te wachten, en in mijn brein vlogen de wildste en
somberste gedachten in bonte verwarring dooreen, en zonder dat ik het
zelf wist, bepaalde ten laatste al mijn denken zich tot één tijdstip
in mijn leven. En al die verwarde gedachten en nevelachtige beelden
kregen vorm en gestalte, en het was, als veranderde mijn cel in de
oude woonkamer van 't "Uilennest".
Martha, was het wakend of was het droomend? Ik kan het niet zeggen;
maar ik bevond mij weer in de jagershut; de ramen stonden open, en
voortgedreven door de heerlijke lentelucht kwam een witte
nachtvlinder naar binnen vliegen, en hij fladderde om het kaarslicht,
dat op de tafel stond; want het was avond.
In zijn hoekje bij de schouw zat de oude Krijn Vermeeren en wees met
z'n dikken, vereelten vinger naar den vlinder, die in de vlam der
kaars den dood gevonden had, en met verbrande vlerkjes op de tafel
lag.
En ik hoorde de stem van den ouden jager tot mij zeggen: "Zie Hannes,
het lot van den vlinder is het beeld der zonde. Zooals het kaarslicht
den vlinder lokt, zoo lokt de zonde den mensch."
En toen vertelde Krijn van zijn eigen lichtzinnige jeugd, en hoe hij
met losbandige kameraden een lichtzinnig leven leidde. "Wij vroegen
niets van het leven als genot," zoo sprak hij, "en dat zochten wij
waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht dien vlinder."
En o, Martha, de woorden, zoovele jaren geleden door Krijn Vermeeren
tot mij gesproken, die woorden redden mij nu van het verderf, want ze
klonken mij weer in de ooren, en ze drongen in mijn wanhopig hart.
"De goede God toonde mij in Zijne barmhartige liefde een ander
licht,"--zoo sprak eens de oude jager--"toen alles duister was om mij
heen. Dat licht straalde af van het kruis van Golgotha en het
bescheen mijn levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn
stervensuur het brekend oog op mag richten; dat het mij tot leidstar
zij, als de schaduwen des doods mij omringen."
Toen riep een zware voetstap, die dreunend naderde, mij tot de
werkelijkheid terug.
Het was de gevangenbewaarder, die de ronde deed. Verdwenen was het
"Uilennest", verdwenen ook vader Krijn, maar zijn woorden bleven
nawerken, in mijn hart.
Ik sloeg de oogen op naar mijn tralievenster, en zie, een star scheen
helder en klaar door het venster in mijn cel; het licht, waarvan eens
de oude jager tot mij sprak, gloorde in mijn ziel, en in plaats van,
zooals ik eerst zoo vastbesloten was, mijn leven van mij af te werpen
als een ondraaglijken last, knielde ik neer voor mijn krib, en ik heb
God gesmeekt om genade en ontferming, om het bloed, dat ik vergoot;
om de zonde, die ik heb bedreven, en om den haat, dien ik voedde in
mijn hart. Martha! o, Martha! dank God voor mij, want nu kan ik alles
dragen. De muren van mijn cel, zij benauwen mij niet meer; ik wil
wachten en bidden, en al verlang ik naar u en mijn kinderen, ik
verlang, God zij gedankt, met hope in het hart. De tijd gaat voorbij,
en de jaren mijner gevangenschap zullen ook eens tot het verleden
behooren. Ik weet, dat mijn kinderen aan den braven Olbert een
trouwen gids zullen hebben, die hun den weg naar boven wijst, zooals
hij mij steeds op het goede pad trachtte te brengen. Maar ik,
onverstandige dwaas, volgde den weg, die mij ten slotte in het
tuchthuis bracht.
Martha, ik eindig met schrijven, maar ik herhaal: Dank God voor mij,
omdat Hij mij redde als een brandhout uit het vuur . . ."
Zoo schreef Hannes, en Martha vouwde de handen en wischte de tranen
af, die langs haar wangen biggelden, tranen van dankbaarheid. De
hemel scheen haar helderder toe, de glans der dalende zon tooverde
schooner tinten op het ontluikende loover, en al was er weemoed in
haar ziel bij de gedachte aan de lange scheiding van haar man, de
bange vrees voor wat bijna werkelijkheid was geworden, de vrees dat
Hannes de hand aan zijn leven zou slaan, was van haar weggenomen, en
nu was er licht en zonneschijn in haar hart.
Hoe hartelijk namen Olbert en zijn vrouw deel aan de goede tijding,
die uit zoo sombere plaats, als de gevangenis te Leeuwarden, tot hen
gekomen was, en des avonds nam Olbert de schaapherder zijn bijbel, en
met diepe ontroering luisterden Martha en hare kinderen naar de zware
stem van den ouden veteraan, toen hij las van den Goeden Herder, die
het verdwaalde schaap zocht op de bergen, en het in zijne armen
huiswaarts droeg.