"Neen!" barst Hannes los. "Neen! O, als ik er Abbe Durling het leven
mede kon redden, met vreugde gaf ik mijn hartebloed; maar zoolang ik
dit ellendig leven nog voort moet sleepen, zal het mij een raadsel
blijven, hoe het kwam, dat ik Durling trof, terwijl ik op den schurk
schoot, die mijn leven vergiftigde en die mij van avond in de klem
dreef als de honden een otter."
"Het is God, die alle dingen bestuurt, en het was Zijn wil, dat je je
vriend in plaats van je vijand neerschoot. Buig je voor zijn macht,
belijd je schuld voor den aardsche rechter, maar bovenal voor den
grooten Rechter, die daar boven lucht en wolken zetelt. Vraag Hem om
vergiffenis, smeek Hem om erbarming, pleit op het bloed van Jezus
Christus, ook voor u op Golgotha geplengd. Vertwijfel niet; geef de
wanhoop geen plaats in je hart; ook voor den moordenaar aan het kruis
was genade. Bid tot God, Hannes, en Hij zal je niet verstooten."
"Ik kan niet bidden!" roept Hannes, "waarom heeft men mij ook tot het
uiterste gebracht? Nu is het te laat; ik heb broederbloed vergoten!"
Als een kreet van wanhoop klinkt het door de hut:
"Ik ga nu naar de gevangenis, en wie zal er zorgen voor mijn vrouw en
kinderen, die mij liever waren dan het leven? Waarom, o waarom hebben
de kogels mij gespaard; het ware voor de mijnen beter geweest, als ik
nu op den bodem van den Davel lag bij mijn honden."
"Zwijg, Hannes!" zoo klinkt de stem van Olbert. "Zwijg, en laster
niet. Ik zal voor je vrouw en kinderen zorgen, en met Gods hulp zal
het hun aan niets ontbreken."
Daar ratelen wagenwielen op den landweg en een oogenblik later treedt
een dokter binnen met een assistent, die een verbandkist draagt, en
terwijl de geneesheer bij den gewonde neerknielt, zegt de brigadier:
"Dokter, ik zal een mijner mannen hier laten, die kan u dan zoo
noodig behulpzaam zijn, want ik moet vertrekken met mijn arrestant."
Martha is den aanval van flauwte weer te boven en het is de moedige,
kloeke boerendochter alsof, ondanks alles, het ergste is geleden, nu
Hannes maar leeft!
Daar straks, toen zij niet anders kon denken of haar man lag, door
kogels doorboord, dood in de modder van den Davel, toen maakte de
wanhoop haar half zinneloos en zijn plotselinge terugkeer was zelfs
haar sterke zenuwen te machtig; maar nu is ze kalm.
Ze ziet den brigadier en den jongste der beide veldwachters zich
gereedmaken voor hun vertrek. Ze zetten hun petten op en hangen hun
karabijnen over den schouder.
"Kom!" zegt de brigadier tot Hannes, "ben je gereed?" En de arme
kerel, die de oogen niet afwendt van den gewonde, keert zijn
doodsbleek gelaat naar zijn vrouw; hij wil iets zeggen, maar hoewel
zijn lippen zich bewegen, geen geluid wordt gehoord.
"Ach brigadier," smeekte Martha, "wees menschelijk en laat hem, voor
gij met hem weggaat, toch droge kleeren aantrekken. Zie, hoe het
water langs zijn lichaam druipt!"
De oude, en oogenschijnlijk hardvochtige politieman antwoordt op
ruwen toon: "Het is niet erg voorzichtig een zoo gevaarlijken kerel
als hij is, de boeien los te maken." Maar na een korte aarzeling
herneemt hij: "Ik wil het doen, vrouw, om uwentwil; maar denk er om,"
klinkt het dreigend tot Hannes, "bij het minste teeken van verzet
schieten wij je overhoop. Vannacht hebben we misgeschoten, maar thans
zou zwemmen en duiken je niet redden."
"Kom dan, Hannes," zegt Martha, en ze loopt de ladder op naar den
zolder, waar in een kast de beste kleeren van de familie hangen.
Willoos volgt Hannes haar, en achter hem komt de brigadier met
overgehaalden haan van zijn karabijn en den vinger aan den trekker,
gereed om onmiddellijk te kunnen vuren. De andere veldwachter blijft
onder aan de ladder staan, en houdt ook de karabijn vaardig.
Het duurt maar kort, en dan heeft Hannes droge plunje aan het lijf,
en als Martha hem in zijn sober Zondagsch pakje tusschen de
politiemannen in ziet staan, en hij gewillig de forsche handen
uitsteekt om zich te laten boeien, o, dan eerst gevoelt zij, hoe dat
ongelukkig schot zijn veerkracht heeft verlamd, en zijn anders zoo
ontembaren moed heeft geknakt.
Daar kermt de gewonde weer luider, want de dokter heeft het verband
losgemaakt en onderzoekt de wonde.
Voor het eerst sinds men hem in het "Uilennest" binnendroeg slaat hij
de oogen op; maar het is een wilde, onbestemde blik, en de oogleden
vallen weer dicht.
"Zal hij sterven, dokter? Ach, zeg het mij toch!" roept Hannes, maar
de dokter antwoordt niet, en de brigadier legt zijn zware hand op den
schouder van den geboeide, en kort klinkt zijn bevel: "Voorwaarts,
niet langer talmen."
Weenend klemmen zijn beide kinderen zich aan Hannes vast, en de
kleine Lize grijpt den brigadier bij de jas.
"Ach, mijnheer," smeekt het kind, "laat vader toch bij ons blijven;
hij zal nooit meer schieten op den Davel, hij heeft het zelf tot
moeder gezegd! Iederen avond zal ik voor u tot God bidden, maar neem
dan vader niet mee!" Het is een moeilijk oogenblik voor den braven
politieman, en twee groote tranen rollen in den grijzen knevel.
Maar Klinge roept met schorre stem: "Martha! Olbert! zorgt voor mijn
kinderen, want ze hebben geen vader meer. Vaarwel! God sta u bij."
Dan stapt hij zonder om te zien den dorpel over, maar nog hoort hij
boven het schreien van zijn vrouw en kinderen de krachtige stem van
den ouden veteraan: "Hannes! Bid tot God; bij Hem is erbarming." Doch
al hoort hij de woorden, in zijn door bittere wanhoop verscheurd hart
wekken ze geen hoop, en onder het voortstappen op den landweg hoort
de brigadier zijn gevangene mompelen: "Ze hebben geen vader meer."
De wind is bedaard en de lucht is helder geworden. In de verte
gaggelen de ganzen in het moeras; de maan zinkt achter de westerkim,
maar ginds in het Oosten daar gloort een lichtglans, de eerste
schemering van den komenden dag. Doch in het hart van Hannes Klinge
daar is alle licht geweken; daar is het nacht, donkere nacht, waarin
geen star der hope schijnt.