HOOFDSTUK XV.

De zomer ging voorbij en de herfst heeft alreeds met zijn stormvlagen

het dorrende loof der elzenstruiken in het zwarte water van den Davel

gejaagd.

't Is nog betrekkelijk vroeg in den avond, doch reeds valt de

schemering snel, want de lucht is donker en bewolkt. Voor de deur van

zijne hut staat Hannes Klinge en neemt opmerkzaam en met kennersblik

de lucht waar, en het schijnt, dat het onderzoek hem nogal bevredigt,

want hij mompelt binnensmonds: "De wind loopt breed; hij is bijna

door het noordwesten heen, en het zou mij geweldig tegenvallen" als

de maan het niet opklaart, en dan wordt het een bij uitstek gunstige

nacht."

Nog een wijle blijft de strooper staan en de felle, steeds krachtiger

wordende wind, die de wolkgevaarten vaneen scheurt en langs het zwerk

doet jagen, schijnt hem niet te hinderen, maar als men binnen de lamp

opsteekt en de lichtschijn door de ruitjes naar buiten valt, dan

draait Hannes zich om, sluit de groene blinden en gaat in huis.

Het is gezellig en warm in de hut. Onder de schouw branden de

wilgetronken met lustig knetterende vlam, en Tromp en Turk, de

jachthonden van Hannes, liggen er knipoogend en dommelend naar te

kijken. Moeder snijdt de dikke boterhammen, en Lize legt de breikous,

waaraan ze heeft zitten werken, op het kleine kastje in den hoek,

waar eenmaal de groote kist van Krijn Vermeeren stond.

Gert was bezig geweest van een oude laars riempjes te snijden voor

zijn schaatsen, want hij hoopte op een vroeg invallenden winter, ten

einde schaatsen te kunnen rijden op den Davel; daarom maakte hij al

vast zijn spulletjes in orde.

Terwijl in de hut de maaltijd gebruikt wordt, is de wind nog in

kracht toegenomen.

"Hu," zegt de tienjarige Lize, "hoor den wind eens huilen in den

schoorsteen; en wat schreeuwen de uilen weer akelig in de boomen."

Het kind huivert en drukt zich dichter tegen haar vader aan, die in

gedachten verzonken naast haar zit; maar Gerard huivert niet; hij

vindt dat krassen der uilen en het huilen van den wind wel prettig,

en zijn vader met zijn zwarte fonkelende oogen strak aanstarend,

vraagt hij op gedempten toon: "Vader, neem mij vanavond meê!"

Maar de jongen schrikt terug voor den oogopslag van den man en het

klinkt op harden toon:

"Vraag mij dat nooit meer, Gert, verstaat ge! Vraag dat nooit

meer,"--doch op vriendelijken toon laat Hannes er op volgen:

"Gert, je moet maar vlijtig manden maken en ook het klompenmaker zal

ik je leeren. Verder stoelenmatten en stroo vlechten, dan kun je, als

mij eens iets overkwam, voor moeder werken."

Treurig schudde de knaap het hoofd, en met de oogen gericht op het

lange geweer van zijn vader, bromt hij binnensmonds: "Jager wil ik

worden en visscher op den Davel."

Hannes slaat geen acht op het gemompel van Gerard, maar Martha heeft

het wel gehoord en het gaat haar als een mes door de ziel.

"Als mij eens iets overkwam," had Hannes gezegd, en Martha gevoelde,

dat bange vrees haar hart bekroop.

Ze wist wel, dat het al eenige keeren op het kantje af geweest was,

of de politie had de hand op haar man gelegd, en haar hart beefde bij

de gedachte, indien er iets dergelijks moest plaats vinden. Want ze

kende Hannes veel te goed, om niet te weten, dat hij zich in dat

geval met kracht zou verzetten, en wat zou dan het einde zijn?

En dan haar jongen? Ach, zijn hart was bij zijn vader. Hij wist wel

waar deze 's nachts op uitging, en als moeder en zusje reeds lang

waren ingeslapen, dan luisterde Gert, terwijl hij uit het geopende

dakvenstertje tuurde; en niet eer ging de jongen slapen voordat hij

in de verte het schot van zijn vader had hooren dreunen.

De avond vloog om, want Hannes hielp Gert aan zijn schaatsen, en

kleine Lize--het zonnetje in het "Uilennest"--breide, keuvelde en

zong, en was zoo vroolijk en levenslustig als een jong vogeltje.

Eindelijk zijn de schaatsen klaar, en Gert is den koning te rijk; al

wel driemaal heeft hij gevraagd: "Vader, zou het gaan vriezen? Ik heb

al koppels wilde ganzen zien vliegen, en ze vlogen in een v; dat

beteekent vorst, nietwaar vader?"

"Ja zeker," zegt Hannes, "dat kan wel zijn; en ik geloof wel dat er

vorst in de lucht zit, Gert. Maar het wordt al laat, moeder! Zoudt ge

de pap niet opscheppen?"

Martha rijst op van haar stoel; zwijgend zet ze de borden op tafel,

en schept het avondeten op.

De wind loeit nog om de hut, en Hannes gaat naar buiten, om de lucht

nog eens waar te nemen. "De maan is op," zegt hij, als hij weer

binnenkomt, "en de wind is al door het noordwesten heen."

"Dan gaat het zeker vriezen, vader," zegt Gert, en zijn donkere oogen

glinsteren van pret.

Een oogenblik later rinkelen, de tinnen lepels tegen de steenen

borden, en als het avondmaal afgeloopen is gaan Gert en Lize naar

bed.

"Nacht vader, nacht moeder," zegt Gert, en vlug als de eekhoorn wipt

hij de steile ladder op, die naar den zolder voert, waar hij zijn

slaapplaats heeft. Lize is gewoon, reeds van haar vroegste

kinderjaren af, als ze gaat slapen, vader en moeder een kus te geven

en die gewoonte heeft ze altijd volgehouden. Eerst gaat ze naar haar

moeder, en dan trippelt zij op de bloote voetjes naar Hannes, en als

het kind haar vader goeden nacht kust, dan drukt hij haar aan zijn

borst, alsof hij haar voor langen tijd moest verlaten.

Nu de kinderen slapen, wordt het stil in de hut. Hannes neemt het

zware geweer van den haak, krijgt kruithoorn en hageltasch, en, na

het slot van de buks zorgvuldig te hebben onderzocht, begint hij het

vuurwapen te laden.

De ijzeren laadstok rammelt in den loop, als Hannes de kruitlading

met een papieren prop vaststampt, en de bij het haardvuur dommelende

honden worden er wakker van.

De strooper neemt vervolgens wat fijnen hagel uit zijn tasch, maar

eer hij dien in den geweerloop laat glijden, mompelt hij bij

zichzelven:

"Er zijn ganzen op den Davel; laat ik er een paar loopers bij doen,"

en twee looden kogels voor den dag halend, voegt hij die bij den

hagel en nu gaan ze gezamenlijk den loop in, daar weer een papierprop

bovenop, versch kruit op de pan, en het oude geweer van Krijn

Vermeeren is gereed,--voor het laatste schot!

Zwijgend had Martha hare bezigheden verricht, en zij huivert, als de

windvlagen door de oude wilgen voor de hut huilen.

"Hannes!" zegt ze, en haar stem klinkt zachter dan gewoonlijk,

"Hannes, ach, ga dezen nacht niet stroopen; blijf vannacht thuis;

hoor de wind eens razen buiten. Wat moet ik beginnen met mijn twee

kinderen, als je eens een ongeluk overkwam; geloof mij, het loopt

mis. Olbert den eenarm zegt het en ook Durling de veldwachter heeft

het je gezegd. Blijf thuis, Hannes; en ga rustig slapen, wil je?"

Maar Hannes Klinge wilde niet; hij had het er op gezet, en hij dreef

zijn wil door.

"Dezen avond nog, moeder, en dan is het uit; ik word dit leven moede,

maar dezen avond ga ik er nog op uit. Er zijn ganzen op den Davel en

ik zou mij hard vergissen, als ik er met zulk een gunstige

gelegenheid geen onder schot kreeg. Kom Martha, wees niet bang en ga

rustig slapen; even na middernacht ben ik weer terug."

Martha zweeg en zuchtte. Wat zou ze trouwens ook nog zeggen? Ze wist

veel te goed, dat Hannes van zijn voornemen niet was af te brengen,

vooral niet, nu hij ganzen had gezien.

Hij trekt de lange laarzen aan, hangt kruithoorn en hageltasch aan

zijn riem, grijpt de buks en stapt naar buiten, op den voet gevolgd

door zijn honden. Aan den oever van den, Davel blijft hij stilstaan.

De wind stoot met korte vlagen, en de wolken jagen langs het zwerk

als krijgers die ten aanval spoeden.

De maan is op, en als de wolken haar niet bedekken, straalt het witte

licht op het zwarte water van het meer en het dorrende riet aan den

oever. Nu schiet de kleine boot met den strooper en zijn honden

onhoorbaar over het water, en zorgvuldig stuurt Hannes zijn

vaartuigje zoo kort mogelijk langs het riet, zoodat hij in de schaduw

daarvan volkomen onopgemerkt blijft.

Na eenigen tijd de oeverlijn te hebben gevolgd, laat Hannes een

poosje de riemen rusten; de maan is voor een oogenblik achter de

wolken vandaan en bij haar licht staren de valkenoogen van den

strooper naar den anderen oever, waar dichte elzenstruiken en riet,

biezen en waterplanten het grondeloos diepe moeras bedekken. Dat punt

was het doel, maar eer hij overstak, wilde hij de omgeving verkennen,

en, als dan weer een wolk de maan bedekte, dadelijk naar den overkant

roeien, om zoo min mogelijk in het licht te komen. Want hoe het kwam,

weet hij niet, maar een onverklaarbaar gevoel waarschuwt hem, dat er

gevaar dreigt. Een reiger snelt met zwaren wiekslag over hem heen, en

den ervaren jager vliegt de gedachte door het hoofd:

Dat is onraad, want een reiger vliegt maar zelden op in den nacht als

hij niet gestoord wordt; en de gedachte bekruipt hem of hij niet

terug zal keeren naar het "Uilennest", naar vrouw en kinderen.

Daar gaggelen de ganzen in de verte, en Hannes mompelt: Niet bang

zijn; die reiger kan door een otter zijn opgejaagd, en platzak

terugkeeren; deed ik nog nimmer--dus voorwaarts.

En voorwaarts gaat het in het pikdonker, want een donkere wolk bedekt

de maan.

De wind loeit en het water golft en klotst, want Hannes heeft den

beschermenden rietzoom achter zich, en in het midden van den Davel

oefent de wind zijn volle kracht uit.

Nu vaart de strooper onder de takken der elzenstruiken door en de

vreemde, scherpe geuren, die opstijgen uit het moeras, omgeven hem;

de geluiden van den nacht, aan Hannes zoo goed bekend, klinken om hem

heen.

Watervogels, die onder de afhangende takken met den kop onder de

vlerken zitten te slapen, schrikken op, en kwakend en krijschend

scheren zij zich laag over het water weg, of duiken onder.

Een groote nachtuil fladdert gillend uit de elzentakken, maar dat

alles verschrikt Hannes niet, doch iets anders jaagt den strooper het

bloed sneller door de aderen en doet hem aarzelend de riemen

intrekken, en onwillekeurig grijpt zijn hand naar de buks.

"Ha, ha," sist hij tusschen de tanden, "het is weer om Hannes te

doen, maar ze hebben hem nog niet." Zijn honden beginnen te brommen,

zij ruiken onraad, en het bijna onmerkbaar geluid, dat den strooper

verdacht voorgekomen is, herhaalt zich.

Het is het zachte kabbelen van het water tegen de planken eener boot,

en dat Hannes zich niet vergist heeft, blijkt onmiddellijk, want een

donderende stem kommandeert: "Je riemen in, en geef je over; in naam

der wet! Als je je verzet, schieten we je over boord."

Een groote boot schiet van onder de overhangende elzentakken te

voorschijn en in het maanlicht blinken blanke karabijnloopen.

Drie mannen in uniform bevinden zich in de boot; twee er van zitten

aan de riemen en de derde staat voorin met de karabijn in den

aanslag.

De eerste gedachte van Hannes Klinge is: met een paar riemslagen naar

het moeras roeien en overboord springen met het geweer in de vuist,

en zoo trachten om, door het griendhout gedekt, in veiligheid te

komen.

Doch het is hem onmogelijk aan dit plan gevolg te geven, want de snel

naderende boot der politiemannen snijdt hem den uitweg af.

Maar geen, enkel oogenblik komt de gedachte in Hannes op zich over te

geven, en de sterke tanden knarsend op elkander klemmend, doet hij

zijn kleine boot als een tol ronddraaien, om haar daarna met al de

kracht zijner stalen spieren in de richting van het "Uilennest" voort

te drijven.

Een vreeselijke wedren volgt.

Roepend en dreigend, dat hij zal schieten, beveelt de brigadier, die

voor in de politieboot staat, om oogenblikkelijk te stoppen, maar de

Gelderschman stoort er zich niet aan, wel wetend dat er niet op hem

geschoten zal worden als hij geen verzet pleegt.

Pijlsnel vliegt de kleine boot over het zwarte, woelige water; de

wind brult als een hongerig roofdier, en vlokken schuim spatten, in

het gelaat van den strooper.

Maar ook de politiemannen spannen alle krachten in, doch gaandeweg

wordt de afstand tusschen de beide booten grooter, en Hannes begint

weer ruimer te ademen, want hij is nu vlak bij het "Uilennest", en

indien het hem gelukt dwars over te steken, en den beschermenden

rietzoom van den linkeroever te bereiken, dan is hij gered.

Daar is de bodem niet moerassig en hij zal niet aarzelen om buiten

boord te springen als hij zijn boot zoo ver mogelijk in het riet

geroeid heeft.

De duisternis begunstigt zijn vlucht, want eer de beambten in de

politieboot zijn toeleg doorzien, heeft Klinge den donkeren rietzoom

van den reddenden oever vlak voor zich. Een grimmige lach krult zijn

gebaarde lippen en een gevoel van fiere zegepraal doortintelt het

hart van den strooper. Doch Hannes lachte te vroeg. Voor een wijle

drijft de wind de wolken, die de maan bedekken, terzijde, en bij het

bleeke schijnsel ziet hij vlak voor zich een tweede boot en ook

daarin ziet hij uniformknoopen glimmen, terwijl een blanke

karabijnloop op zijn borst is gericht. Doch hij ziet nog meer. Eén

man zit aan de riemen en een ander staat naast den veldwachter; die

beide mannen dragen geen uniform, en Hannes herkent ze onmiddellijk.

Die aan de riemen zit is Gerrit Dubbe en naast den veldwachter staat

Barend van Gulven, de boer van "Zorgwijk", de vader van zijn Martha,

de man, dien hij als bouwknecht zoo trouw gediend heeft, en die hem

nu zonder genade in het verderf storten zal.

Woedend raast de stormwind in dezen onstuimigen nacht, maar hoe hevig

ook zijn geweld is, nog vreeselijker stormt het in de ziel van Hannes

Klinge.

"Je riemen in, en geef je over!" zoo klinkt een forsche stem.

Het antwoord laat zich niet wachten. "Nooit! Nooit!" brult de

strooper, en zijn riemen wegwerpend springt hij op en grijpt de

zwaargeladen buks.

"Het uur van afrekening heeft geslagen, Barend van Gulven," zoo

schalt zijn stem en het klinkt als een trompet over het water.

Angstgeschreeuw gaat op uit de boot, waarin Van Gulven staat. Het

zijn de beide boeren, die schreeuwen. De veldwachter echter brengt

bliksemsnel den vinger aan den trekker, en de scherpe knal van een

karabijnschot kraakt; dadelijk gevolgd door een losbranding, die den

omtrek doet daveren.

Een akelige gil snerpt over het meer; de blanke karabijn valt in het

water, en ruggelings achterover stort de lange gestalte van den

veldwachter in de boot.

Het schot, door Hannes Klinge afgevuurd en voor Van Gulven bestemd,

heeft den veldwachter in de volle borst getroffen, en toen hij viel,

herkende Hannes Klinge, bij het licht van den vuurstraal uit zijn

buks, zijn voormaliger kameraad, korporaal Durling.

Verlammende vertwijfeling grijpt hem aan, en een oogenblik staat hij

radeloos in zijn schommelende boot.

"Vuur!" hoorde hij den brigadier in de politieboot achter hem

kommandeeren, en de karabijnkogels fluiten om hem heen.

Jankend wentelt een zijner honden, door een karabijnkogel doorboord,

zich aan zijn voeten.

Nu slingert de strooper de noodlottige buks ver van zich af, en het

oude geweer van vader Krijn zinkt weg in de diepe modder van den

Davel.

Dan stort Hannes zich uit zijn boot, en het zwarte water van het meer

sluit zich boven hem.

De loeiende storm verwaait den kruitdamp en maakt de forsche stem van

den brigadier bijna onverstaanbaar.

"Roeit onmiddellijk naar den oever!" schreeuwt hij tot Gerrit Dubbe

en Van Gulven, die beiden radeloos over het lichaam van den

veldwachter Durling staan gebogen. Zij trachten den ongelukkige op te

heffen, maar hun onhandige pogingen en de felle windvlagen doen de

boot bijna omslaan.

"Roeit naar den oever, boerenkerels!" brult de brigadier weer, "en

laat den man stil op den bodem van de schuit liggen. Daar bij dat

riet zullen wij even zoeken naar den moordenaar," vervolgt hij, "maar

hij zal wel op den bodem liggen, want één van onze kogels heeft hem

bepaald getroffen."

De veldwachters roeien naar de plek, waar zooeven Hannes overboord

ging, maar hoewel de maan weer helder schijnt, vinden ze niets als de

boot van den strooper. De wind had het schuitje in het riet gedreven

en toen de brigadier het vastgreep, vond hij op den bodem het lijk

van den trouwen Turk, een der honden van Hannes.

Het schuitje werd vastgemaakt achter de politieboot, en toen ging men

zoo snel mogelijk de boot achterna, waarin Gerrit Dubbe en de boer

van "Zorgwijk" hun treurigen last vervoerden.

"Roeit naar den oever," had de brigadier bevolen, maar men kon hier

slechts op één plek den oever bereiken, want op slechts één plaats is

het riet verwijderd, zoodat men als het ware door een klein haventje

naar den oever kan varen; en dit haventje hebben zij nu bereikt.

Doch zij aarzelen om naar binnen te roeien. Van Gulven, wiens geweten

hem aanklaagt als de oorzaak van al deze ellende, zegt, met op

elkander klapperende tanden--want hij als een koortslijder--: "Hier

niet inroeien; niet naar het "Uilennest". Groote God, ik durf Martha

niet onder de oogen te komen. Ik had nooit naar je moeten luisteren,

Gerrit Dubbe, nooit, want jij hebt mijn hart vergiftigd met je

opstokerij. Ik, ellendige dwaas, wat heb ik nu bereikt? O, waartoe

heb ik mij laten verleiden, jou valsche verrader, maar nu is het te

laat!"

"Wat sammel je toch," klonk weer de stem van den brigadier, "roei dan

door; begrijp je niet, dat iedere minuut voor den gewonde kostbaar

is, als hij tenminste nog leeft!"

Met snellen riemslag is de boot der politiemannen naderbij gekomen en

door het volle maanlicht helder beschenen, ligt daar het "Uilennest".

Toen haar man was weggegaan, bleef Martha bij het uitgedoofde

haardvuur zitten. De onrust, die haar verteerde, belette haar zich

ter ruste te begeven, zooals zij anders deed, als Hannes des nachts

ging stroopen.

Traag kruipen voor de wachtende vrouw de minuten om; somber en

treurig lijkt alles om haar heen in de oude hut, waar zij--de rijke

boerendochter van weleer--toch eens zoo gelukkig was, toen Hannes

nog als eerlijk jager ruimschoots zijn brood verdiende.

Buiten huilt de stormwind en krassen de uilen, en de eenzame vrouw

laat haar gedachten den vrijen loop.

Driftig en oploopend was hij altijd geweest, doch viel er vroeger wel

eens een hard woord, dan maakte Hannes het weer dadelijk goed door

zijn gulle, hartelijke vroolijkheid, zoodat Martha onmogelijk boos op

hem kon blijven. En hoe teer en bezorgd was die oogenschijnlijk zoo

ruwe man, indien hij dacht, dat vrouw of kinderen iets deerde.

Ach, hoe was dat alles veranderd in den laatsten tijd. Geen lied of

geen lach kwamen hem meer over de lippen, of het was een bittere

lach, die Martha pijn deed aan het hart.

Het was de haat, de bittere haat, die hem in de borst woelde; de

wraakzucht tegen hen, die hem zoo wreed vervolgden. Daarom, en daarom

alleen hield hij het heillooze stroopen vol, alle gevaar trotseerend,

want hij kon niet buigen en wilde niet wijken voor Barend van Gulven.

Het moest slecht afloopen, het kon niet anders. Olbert de eenarm

heeft het haar onverholen gezegd, en hij heeft het Hannes ook gezegd;

Martha weet het wel, maar Hannes wil niet meer luisteren naar Olbert,

en hij ontwijkt hem zooveel mogelijk.

Doch kan de brave schaapherder geen invloed meer uitoefenen op den

strooper, hij doet het op zijn kinderen, en Gert en Lize zijn

dikwijls op de Schaapskooi, want de oude soldaat van Napoleon en

vrouw Sanne hebben de kinderen hartelijk lief.

En zie, dat heeft Hannes graag; zelf komt hij niet meer op de

Schaapskooi, want hij kan het doordringend oog van den ouden man niet

verdragen; hij wil die waarschuwende en vermanende stem niet meer

hooren, maar niet lang geleden hoorde Martha hem tot Gert zeggen:

"Gert, jongen, je moet goed naar Olbert den schaapherder luisteren en

nooit vergeten wat hij je leert; dan zal het je goed gaan in de

wereld."

En als kleine Lize des avonds voor haar bedje knielde, en de woorden

van het kinderlijk gebed--door Olbert haar geleerd--Hannes in de

ooren klonken, dan kon Martha soms bemerken, dat het hem ontroerde.

"Ik wou dat ik kon gelooven, zooals Krijn Vermeeren geloofde, of

zooals Olbert," had hij eens tot Martha gezegd; "maar ik kan niet."

O! hoe schuldig gevoelde zich de peinzende vrouw. Nooit had ze

getracht haar man en kinderen op te wekken tot opzien naar boven,

nooit hen gewezen op het kruis van Golgotha.

Het werd Martha bang om het hart. Ze denkt aan haar moeder, hoe die

op haar sterfbed tot Geertje, de meid van "Zorgwijk", had gezegd:

"Geertje, bid voor mijn Martha en ook voor vader."

"Zou ik ook voor vader kunnen bidden?" vraagt Martha zichzelve af, en

zij denkt aan het leed, dat hij over haar en over haar gezin bracht

en hoorbaar mompelt zij: "neen, dát kan ik niet."

De wind huilt door den schoorsteen en doet de vlam van de koperen

tuitlamp op de tafel flikkeren; het wordt koud in de hut, maar toch

gaat Martha niet naar bed.

Hier wil zij wachten op haar man; wachten totdat hij terugkeert van

zijn laatsten strooptocht, want hij heeft gezegd, dat het voor het

laatst was, en Martha zal hem aan zijn woord houden. Zij wil den

angst van dezen nacht niet weer doorleven.

Overmorgen is het Zondag, en dan zal zij Hannes trachten over te

halen om met haar en de kinderen naar de Schaapskooi te gaan, zooals

ze het vroeger deden in betere dagen; en ze zal hem vragen voortaan

iederen avond iets voor te lezen uit het oude boek van vader Krijn.

ja, dat zal ik doen, denkt de arme Martha en eindelijk, als gaf deze

gedachte haar rust, dommelt ze peinzensmoede in op haar stoel bij den

uitgedoofden haard.

"Hoe lang ze zoo sluimerde, wist ze later niet meer, maar eensklaps

vliegt ze overeind.

Duidelijk heeft ze twee elkander onmiddellijk opvolgende

geweerschoten hooren knallen, en een radelooze angst maakt zich van

haar meester. Het eene schot klonk kort en scherp, en het andere

dreunde als een donderslag; dat tweede schot kwam uit de buks van

Hannes, want Martha kende dat geluid maar al te goed, maar wie vuurde

het eerste af?

Daar kwam Gert op zijn bloote voeten de ladder afsnellen. Bleek als

een doode zag de knaap. "Moeder," riep hij, "moeder, vader vecht op

den Davel! Ik heb uit het zolderraampje geluisterd en ik heb hooren

roepen en schreeuwen. En vaders stem heb ik ook gehoord. "Nooit!

nooit!" riep hij, en toen werd er tweemaal geschoten; ik heb de

kruitvlammen over het water zien flikkeren!"

Martha werpt de deur uit den grendel, en snelt naar buiten, en Gert,

zijn klompen aan de bloote voeten trekkend, volgt haar. Dwars door

den moestuin snellend, loopen beiden naar den oever van den Davel,

waar het zwarte water tegen den oever klotst.

Duidelijk hooren moeder en zoon het verwarde geschreeuw der

politiemannen, en dan knallen weer drie karabijnschoten.

"O, God! Erbarming!" gilt Martha. "Gert, daarginds wordt je vader

doodgeschoten. O, Heer, wees ons genadig," en de anders zoo kloeke

vrouw zinkt op de knieën in het lange gras, door schrik en angst

overmand.

Een oogenblik is het als zou ze haar bewustzijn verliezen, maar ze

springt weer overeind en grijpt Gert bij den schouder. Want de knaap,

die kan zwemmen als een eend, wil te water om zich zoo mogelijk bij

zijn vader te voegen, en de ongelukkige vrouw heeft moeite genoeg om

de jongen van zijn dolzinnig voornemen af te houden. Het geluid van

riemslagen en verwarde mannenstemmen, nadert den oever, en eerst komt

de eene boot het haventje binnen en daarna de andere.

Een straal van hoop dringt Martha door het hart. Mogelijk hebben de

veldwachters Hannes overmand, en brengen, hem nu geboeid of gewond

aan wal, maar even snel, als de hoop kwam, is ze ook weer verdwenen,

want de man, die men voorzichtig aan wal draagt, is in uniform. Geen,

woord kan ze uitbrengen, zoo heeft de schrik haar bevangen, maar

Gert--anders zoo bedeesd tegenover vreemden--grijpt den brigadier bij

de mouw en huilt: "Waar is vader? Waar is vader, o zeg toch waar mijn

vader is!"

Er klinkt zulk een angst uit de stem van den knaap, dat de brigadier,

die wel ruw, maar in den grond van zijn hart niet ongevoelig is, er

door getroffen wordt.

"Als de man, die onzen makker neergeschoten heeft, je vader was,

jongen, dan is het niet best met hem," is het ontwijkend antwoord van

den brigadier, en Gert voelt een schok door zijn hart gaan, want op

dit oogenblik wordt hem duidelijk, dat hij door zijn vraag zijn vader

als het ware aan den politieman verraadt; hij zegt geen woord meer.

"Vrouw," zoo wendt de brigadier zich tot Martha, "wij hebben hier een

zwaar gewonde, dien wij niet verder kunnen vervoeren, en nu willen we

hem naar binnen dragen, in de hut, en hem voorzichtig op een paar

dekens leggen. Hebt ge die voor ons?" Bevelend klonk zijn stem, en

het antwoord wachtte hij niet af.

Van de roeiriemen heeft men een draagbaar gemaakt, en daarop ligt

lang uitgestrekt het lichaam van den man, wiens borst den kogel

opving, die voor Barend van Gulven was bestemd.

Helder valt het licht der maan op de doodsbleeke trekken, en een dof

kreunen wringt zich uit de doorboorde borst.

Wat gaat er om in Martha's ziel, als zij den gewonde herkent? O, daar

lag een man, die een uur geleden nog vol moed en levenskracht was, en

nu op den rand van het graf zich bevindt. De man, die zoo trouwhartig

en vriendschappelijk Hannes was komen waarschuwen en vermanen om toch

het verboden pad niet langer te bewandelen. Nu lag hij daar

neergeveld in zijn volle kracht als een eik door het bliksemvuur.

Neergeveld door den kogel van haar Hannes, en Martha begint te

gelooven, dat deze het misschien ontkomen is, en nu verscholen zit

ergens in het moeras. En dan is haar Hannes een moordenaar. En wie

maakte hem tot moordenaar?

De man, die daar het arme slachtoffer van zijn plicht mede naar

binnen draagt, dezen, en dezen alleen beschouwt ze als den

moordenaar, en den bewerker van al het leed, dat haar getroffen

heeft; van al de ellende en van al den jammer, dien ze als een zwarte

wolk op zich ziet aanstormen. Een verschrikkelijke gramschap tegen

haar vader verdringt voor een oogenblik elk ander gevoel in het hart

der ongelukkige vrouw.

Haastig opent ze de deur van de hut, en de dekens van haar bed op den

grond spreidend, helpt ze wat ze helpen kan.

Als men den armen Durling heeft neergelegd, slaat Van Gulven--die tot

dusver de oogen strak naar den grond heeft gericht--zijn blikken in

het rond, en in zijn onrustig kloppend hart komt de gedachte op, hoe

het toch mogelijk is, dat zijne Martha het rijke "Zorgwijk" kon prijs

geven voor deze armoedige hut.

Het is of zijn dochter die gedachte leest op zijn bleek, ontsteld

gelaat; en haar vlammende blik wijst hem de deur en hij gaat met

gebogen hoofd. En Martha volgt hem op den voet.

Daar staan die beide menschen, elkander zoo na in het bloed, voor 't

oude "Uilennest" tegenover elkander, en angst en toorn hebben

zoodanig de overhand in de ziel der vrouw, dat er--hoewel haar

lippen, bewegen, bijna geen geluid uit haar toegenepen keel komt.

Eindelijk kan ze spreken.

"Waar is Hannes?" zoo klinkt het op heeschen toon. "Waar is Hannes;

gij weet het, zeg mij de waarheid, is hij ontkomen? Of--of--is . . ."

De stem begeeft haar weer, en de radelooze angst in haar zwarte oogen

doet haar vader huiveren.

"Martha!" stamelt hij eindelijk, "dat het zoo erg zou afloopen had ik

niet kunnen denken, maar Hannes is niet ontkomen. Hij schoot op mij

en trof den veldwachter, en toen schoten de anderen hem overboord."

"Gij! Gij! Gij zijt zijn moordenaar! Weg van hier, ellendeling; gij

hebt mijn man in den dood gedreven en ook het bloed van den

veldwachter komt op uw hoofd. Weg! Weg!"

En Barend van Gulven ging weg. Als door duizend angsten gejaagd, zoo

snelde de boer van "Zorgwijk" onder de wilgen door den landweg over,

en toen dwars door de velden in tegenovergestelde richting van het

"Uilennest" voort, zoo snel hem de beenen konden dragen.

Toen Gerrit Dubbe hem dezen morgen voorstelde mee deel te nemen aan

de jacht op den strooper, had Van Gulven in het eerst geweigerd en

gezegd, dat de heele geschiedenis hem geducht tegen de borst stuitte.

Maar de valsche verleider wist wel hoe hij den rampzaligen man moest

overhalen.

"Als wij vanavond met de veldwachters medegaan, dan kan het niet

missen, of Hannes Klinge loopt in de val.

Ik heb alles reeds met den brigadier afgesproken, en als we hem

snappen, gaat hij gewis achter de tralies. Men neemt hem zijn geweer

af, en ook zijn boot wordt in beslag genomen. Dus als hij terugkeert

is het jagen voorgoed voorbij, want geld om geweer of boot te koopen

heeft hij niet. Dan moet hij wel opkrassen, en gij zijt van den kerel

af, die uw ouden goeden naam te schande maakte."

Doch Van Gulven schudde het hoofd en zeide: "Denk je, dat Hannes, als

hij niet ontkomen kan, zich zal overgeven? Neen, dan ken je hem niet,

of je bent de geschiedenis van de herberg vergeten, waar Olbert de

schaapherder je redde van zijn mes, en waar zijn honden je bijna

verscheurden. Neen, hij zal vechten zeg ik je, en wee dengene, die

dan tegenover hem staat."

"Juist," zegt de roode verleider, "juist, nu begrijpt ge het goed, en

weet ge wat de uitslag zal zijn? Niet? Nu, luister dan eens goed. Ik

ben van morgen bij den brigadier aan huis geweest en heb daar alles

besproken; en hoewel de man norsch en onvriendelijk tegen mij was,

heb ik hem toch tot mijn plan overgehaald. Ik heb hem ook goed onder

het oog gebracht met welk een gevaarlijken klant we te doen hadden,

maar daar lachte de oude vuurvreter om.

"Wat, gevaarlijk," bromde hij, "als de kerel durft dreigen, schieten

we hem oogenblikkelijk een karabijnkogel door de ribben."

"Begrijpt ge me nu, Van Gulven? Hannes Klinge zal dreigen--en dan zal

hij zijn verdiende loon krijgen, en nooit meer zal hij zijn honden op

mij aanhitsen, of u in een volle herberg den mantel uitborstelen. En

als alles voorbij is, dan krijgt gij uw Martha weer thuis, want waar

moet zij anders met haar kinderen heen?

Dan zijt gij niet langer eenzaam en verlaten op "Zorgwijk", zooals

nu, en als er een paar jaartjes overheen zijn gegaan dan zal zij, en

iedereen hier in het dorp, Hannes Klinge vergeten hebben."

Zoo sprak de schurk, en de rampzalige vader ging, hoewel

schoorvoetend en met heimelijker tegenzin, op het eerlooze voorstel

in; zooals hij zich altijd door den man had laten ompraten, die al

wat goed in hem was langzamerhand had vergiftigd.

En nu is het goddelooze plan ten uitvoer gebracht, en de door zijn

wanhopige dochter van haar erf verjaagde vader overziet, terwijl hij

door nacht en duisternis over de ongebaande velden vlucht, zijn

schuld, zijn gansche zware schuld, en berouw en wroeging grijpen hem

aan: die vreeselijke aanklagers van het ontwaakt geweten.

Hoe anders had alles kunnen zijn, als hij zijn Martha niet had

verstooten en Hannes niet had gehaat, doch nu? "Te laat," jammerde de

boer van "Zorgwijk", "te laat!"

Als Martha de hut weer binnengaat, dan hoort zij den brigadier tot

Gerrit Dubbe zeggen:

"Gauw kerel, loop als de wind naar het dorp en breng zoo spoedig

mogelijk den dokter hierheen!

Hebt ge paard en wagen? Ja? Nu, dan kunt ge met den dokter

terugkomen, zoo hard het beest draven kan."

"Ik zal doen wat ik kan, brigadier," is het antwoord, en de roode

Dubbe gaat Martha rakelings voorbij, de deur der hut uit en het is de

vrouw als zag zij een triomfeerenden lach op zijn, terugstootend

gelaat.

O, dezen verschrikkelijken nacht zal ze nimmer vergeten, en zij kan

nog maar niet gelooven, dat het niet alles slechts een nare, bange

droom is.

De walmende pit van de koperen tuitlamp verlicht met haar flikkerend

schijnsel de jagershut; de uniformknoopen der politiemannen glimmen

als goud, en de karabijnen, die in den hoek bij den haard zijn

neergezet, blinken;--ook valt er nog een lichtstraal op het

lijkbleeke gelaat van den neergeschoten man, die in zijn volle lengte

ligt uitgestrekt op een paar dekens. Spreekt dat licht van leven, of

zal de doodelijk gewonde het oog nooit weder opslaan? De brigadier

met het verweerde gelaat en den grijzen knevel knipt met vaste hand

de uniform op de gewonde borst open, en Martha deinst terug, als ze

ziet hoe het donkere bloed in breede golf langs de borst naar beneden

vloeit. Aan de rechterzijde vindt men het kleine ronde gat, dat door

een der beide kogels--waarmede Hannes, behalve met den lichten hagel,

zijn geweer had geladen--is veroorzaakt.

De brigadier en de beide veldwachters buigen zich over den kreunenden

man heen, en de eerste zegt: "Het zal mij medevallen als de arme

kerel de zon nog ziet opgaan; de rechterlong is doorboord, en wij

kunnen niet anders doen dan het bloeden trachten te stelpen."

Gert staat dicht tegen zijn moeder aangedrongen en kijkt telkens om

naar de deur; maar hij zegt geen woord meer.

Kleine Lize zit overeind in haar bedje aan den anderen kant der hut,

en de onschuldige blauwe kinderoogen staren vol ontzetting van den

een naar den ander.

Met groote handigheid verbindt de brigadier de wond met een in reepen

gescheurd beddelaken, en nauwelijks is hij er mede gereed, of het

kermen van den gewonde bedaart.

Daar gaat nauwelijks hoorbaar de deur open en bleek als een doode,

met verwarde haren en druipnatte kleeren staat Hannes Klinge op den

dorpel van het "Uilennest".

Martha ziet hem het eerst, want ze staat vlak bij de deur.

"Groote God! Hannes!" zoo gilt ze, "en men zei, dat je was

doodgeschoten!"

"Vader! vader!" schreeuwt Gert, half zinneloos van vreugde. De

geweldige ontroering was te zwaar voor Martha, en als Hannes Klinge

zijn sterken arm niet om haar heen had geslagen, zou ze op den grond

zijn neergevallen; haar oogen sluiten zich, en Hannes mompelt: "Zoo

is het goed, arme, arme vrouw." Als door den bliksem getroffen, zoo

staren de rijksveldwachters den strooper aan, doch de brigadier trekt

met een ruk zijn sabel uit de scheede, en dringt naar voren.

"Laat je sabel maar rusten, brigadier," merkt Hannes op, "ik ben je

gevangene; ik heb onschuldig bloed vergoten, en daarom geef ik mij

over; anders . . ."

En zijne vrouw, die machteloos in zijn arm hangt, naar een stoel

dragend, zegt hij op kalmen toon tot zijn zoon:

"Gert, houd moeder vast; en jij, brigadier, doe je plicht."

Hij steekt beide handen vooruit en de brigadier heeft er in een

oogenblik het stalen kettinkje om geslagen.

Terwijl men hem boeit, heeft de strooper het oog niet van den

zwaargewonde afgewend; maar geen trek op zijn marmerbleek gelaat

verraadt wat daar omgaat in de ziel van den ongelukkigen man.

Kleine Lize is uit haar bedje gekomen, en bitterlijk weenend grijpt

ze haar vaders geboeide handen in haar kleine handjes, en de angst

van zijn lieveling verscheurt Hannes het hart.

Voetstappen worden voor de deur gehoord, en als deze open gaat, dan

treedt de lange magere gestalte van Olbert den eenarm binnen. Hij

heeft de geweerschoten hooren knallen op den Davel, en die hebben den

ouden soldaat van Napoleon een droeve tijding gebracht.

Onmiddellijk begreep hij wat er gebeurde, en door storm en nacht is

hij gekomen, de oude schaapherder, en op het marmeren gelaat van

Hannes Klinge komt voor een oogenblik een mildere trek.

"Wie bent u?" vraagt de brigadier, "en wat wilt u?"

"Ik ben een schaapherder, en een vriend van deze arme lieden," zoo

klinkt de diepe, eigenaardige stem van Olbert, en zich tot Hannes

wendend, vraagt hij met bewogen hart:

"Is dat bloed door jou vergoten, Hannes Klinge?" En als deze zwijgend

met het hoofd knikt, dan legt de schaapherder de magere, dorre hand

op den schouder van den strooper en zegt:

"Het gedane wordt niet ongedaan, en mijn raad heb je verworpen; maar

luister nu naar mij:

Het Uilennest · 第 22 / 28 题