Toen brak er een, donkere tijd aan voor de bewoners van het
"Uilennest".
Martha wilde, dat Hannes het "Uilennest" verkocht en wegtrok van
hier, omdat er voor hem geen brood meer was te verdienen, op het
plekje grond, dat hun eigendom was; maar Hannes werd woedend als zijn
vrouw daarvan sprak.
Hij wilde niet bukken voor de dwingelandij van haar vader, riep hij
toornig, als Martha sprak van heengaan; neen, men zou den "Uil" niet
zoo gemakkelijk uit zijn nest drijven, en zoo lang hem nog droog
brood overbleef, zou hij standhouden aan den Davel.
Toen kocht Hannes een oude hondenkar, laadde er wat late groenten uit
zijn moestuin op, en spande er zijn beide jachthonden voor--die hij
met veel moeite en geduld had geleerd de kar te trekken. Zoo reed hij
dan des morgens vroeg naar de stad en keerde des middags weer met de
ledige kar huiswaarts.
Voorts vlocht de handige kerel manden van wilgetwijgen, en sneed
klompen van wilgenhout. Doch hoewel hij met een en ander nogal wat
geld verdiende, was dat op den duur toch niet toereikend voor het
onderhoud van zijn gezin. Maar wijken van de plek grond, die hij lief
had, dat deed Hannes Klinge niet, en toen hij zag, dat de armoede
zijn intocht deed in het "Uilennest", toen, greep hij naar zijn
jachtroer en in den, stillen nacht, wanneer het maanlicht de
moerassen van den Davel bescheen, dan knalde het oude geweer van
Krijn Vermeeren.
Strijd had het hem gekost, om van een eerlijk jager een strooper te
worden. Strijd in zijn binnenste en strijd in zijn huisgezin, want
Martha was er met kracht tegen opgekomen, maar de stem in zijn gemoed
bracht Hannes tot zwijgen door zichzelven vrij te pleiten met de
redeneering, dat men hem er toe dwong, en dat de nood hem dreef. En
als Martha sprak van haar angst en onrust, als hij bij nacht en
ontijd omdoolde in het moeras, waar een enkele mistred hem kon doen
verzinken in de peilloos diepe modder, dan lachte Hannes, maar het
was een harde, bittere lach.
Waren de nachten donker, dan legde hij lijnen uit met haken waaraan
als lokaas een kleine kikvorsch was geslagen; en eer de dageraad
gloorde in het oosten, dreef de strooper met onhoorbaren riemslag
zijn boot over het pikzwarte water van den Davel en lichtte zijn
fleuren.
Dan gingen de groote snoeken en armdikke palingen zijn boot in en van
daar naar het "Uilennest", en zoowel het gestroopte wild als de visch
vervoerde Hannes in zijn hondenkar onder klompen of manden verborgen,
des morgens vroeg naar de stad, waar hij het altijd aan den man wist
te brengen.
Op de Schaapskooi bij Olbert kwam Hannes niet veel meer. Hij kon den
blik van den "eenarm" niet verdragen, want die blik drong hem tot in
de ziel.
"Hannes! Hannes!" had Olbert gezegd, "je gaat een wis verderf
tegemoet, want het is in het dorp geen geheim meer, dat Hannes Klinge
stroopt in den Davel; laat dat heilloos handwerk varen, en tracht met
Gods hulp elders werk en brood te vinden. Dit leven loopt uit op
ellende en berouw."
Maar Hannes luisterde niet naar dezen vriendenraad en voegde Olbert
toe, dat men hem niet zoo gemakkelijk snappen zou, want dat hij den
Davel kende als niemand anders.
"Van Gulven heeft mij wel een nederlaag bezorgd, maar nog lang niet
ten onder gebracht, en liever versmoor ik in de modder van den
Davel," klonk het knarsetandend, "dan dat ik voor dien rijken schurk
het veld ruim, en het "Uilennest" verlaat."
Olbert schudde het hoofd. "Hannes," klonk het ernstig, "lees je nog
wel eens in het boek van den ouden Krijn Vermeeren?"
"Dat deed ik in gelukkige tijden, thans heb ik er geen lust meer in.
Wat zal het mij trouwens ook baten? Alles, alles is tegen mij. Laat
mij ook maar aan mijn lot over, Olbert, wij passen niet meer bij
elkander, want jij bent een eerlijk man en ik ben een strooper en
wilddief, maar vloek over hen, die het mij hebben gemaakt!"
Toen wendde hij zich om, groette Olbert met de hand en verwijderde
zich met snellen tred.
"Ik zal voor je bidden, Hannes, dat God je behoede, en je doe keeren
op het pad des verderfs. Hannes, laat je raden; denk aan Martha, denk
aan je onschuldige kinderen; luister naar goeden raad."
Maar Hannes luisterde niet, en snelde voort zonder meer om te zien.
Sinds dien dag vermeed hij den schaapherder.
Thuis was Hannes ook niet meer zooals voorheen. Vroeger placht den
ganschen dag zijn vroolijk lied te klinken bij zijn arbeid, en het
was zijn lust te spelen met zijn kinderen, met hen te stoeien, of te
luisteren naar het babbelen van zijn kleine Lize. Nu kon hij soms
urenlang in het haardvuur zitten staren met een diepen rimpel
tusschen de oogen, zonder dat hij bemerkte dat zijn pijp was
uitgegaan, en als Lize dan haar handje op zijn forschen arm legde en
haar blond kopje tegen hem aandrukte, dan kwam er wel dadelijk een
zachtere trek op zijn gelaat, en dan tilde hij het kind op zijn knie,
maar de gulle vroolijkheid van vroeger, zie, die was verdwenen. Waar
haat en wraakzucht eenmaal post hebben gevat in het menschelijk hart,
daar verdwijnen langzamerhand de zachtere gewaarwordingen, om plaats
te maken voor wrevel en onrust.
Onder deze omstandigheden gingen een paar jaren voorbij, en overal in
den omtrek was het bekend, dat Hannes Klinge hoofdzakelijk met
stroopen den kost verdiende, en reeds meer dan eens was hij door de
rijksveldwachters scherp vervolgd. Doch zijne behendigheid en groote
kennis van het gevaarlijk terrein hadden hem tot dusver met hun
pogingen doen spotten.
Nu was er evenwel een nieuwe rijksveldwachter op het dorp gekomen, en
op een zomermorgen, toen Hannes op het grasveld voor zijn woning naar
zijn vier schapen stond te kijken, en een plekje zocht waar hij de
geit zou vastzetten, kwam de veldwachter het smalle voetpad
afwandelen, dat door het grasveld naar het "Uilennest" liep.
De strooper hoorde de naderende voetstappen, en zijn scherp oog gleed
vorschend over den naderender man met de blinkende knoopen.
Het was een kloeke kerel, wien de blauwe uniform uitmuntend kleedde,
terwijl op het open, goedige gelaat, ondanks den zwaren blonden
knevel, bijna altijd een vriendelijke trek om de lippen speelde. Nu
staat de veldwachter voor Hannes Klinge, en dezen in het gelaat
kijkend, zegt hij: "Ben ik dan in vijftien jaar tijds zoo veranderd,
dat je mij niet meer kent, Hannes Klinge?
Dat jij veranderd bent met je vollen baard zul je toch wel gelooven;
maar onder duizend zou ik je hebben herkend!"
Thans herkent ook Hannes den veldwachter, en de oude, gulhartige
vroolijkheid glinstert in zijn blauwe oogen, en trekt als een
zonnestraal over zijn gebaard gezicht.
"Durling! Korporaal Durling! Hoe te drommel is het mogelijk, dat ik
den langen Durling niet spoediger herkende! Mijn slaapkameraad uit de
oude kazerne! Maar je bent er niet minder op geworden, sinds onze
wegen uit elkander liepen. Kom, laten we binnengaan! je moet eens met
mijn vrouw kennis maken, als je ten minste tijd hebt, en mijn
armoedige hut je niet te gering is. Je zult misschien al wel weten
dat men deze plaats het "Uilennest" noemt en mij "den Uil"?"
Op dit oogenblik komt Martha, met den voederbak voor de kippen in de
hand, naar buiten, en als haar oog op den veldwachter valt, dan kan
ze een beweging van schrik niet onderdrukken.
Het is Durling niet ontgaan, dat de vrouw van kleur verschoot, toen
ze hem zag, en de oorzaak daarvan is hem maar al te goed bekend, want
men heeft niet verzuimd hem in te lichten aangaande den bewoner van
het "Uilennest" en diens woest en ontembaar karakter.
"Kijk moeder!" zegt Hannes op monteren toon, "dat is nu korporaal
Durling, van wien ik je wel eens iets verteld heb, en die mijn
slaapkameraad was gedurende mijn soldatenleven in het garnizoen te G.
Nu is hij hier veldwachter geworden: dat had je vijftien jaar geleden
niet kunnen, denken, Durling; maar kom, moeder heeft de koffie klaar,
en wij keuvelen een uurtje, en stoppen een pijp." Ook Martha noodigde
hem binnen, en hoewel Durling verzekerde dat hij aan zijn tijd
gebonden was en hun geen last wilde veroorzaken, men hield niet op
voordat de veldwachter met een kop dampende koffie voor zich in de
ezellige keuken van de oude jagershut zat.
Heerlijk scheen het zonnetje door de kleine ruitjes en door de
openstaande bovendeur drong de geur van bloeiende vlier en witte
rozen binnen. In het riet langs den Davel zong de rietvink, en van
uit de oude wilgen, waarin bij nacht de uilen krasten, klonk nu de
vèr klinkende roep van den merel.
"Wat is het hier heerlijk stil en rustig op dezen Zondagmorgen,"
sprak Durling, "en wat geuren die rozenstruiken en de vlier;
waarlijk, zoo had ik mij het "Uilennest" en zijn bewoners niet
voorgesteld."
En toen, ernstig wordend, keek Durling Hannes Klinge in de oogen en
sprak:
"Klinge! men vertelt in het dorp leelijke dingen van je, en het is
niet bij toeval dat ik je ben komen opzoeken. Luister naar mij,
Hannes Klinge, ik kom als vriend, als een oprecht vriend. Wij kennen
elkaar uit onze jeugd, of liever uit onze vroolijke jongelingsjaren,
en ik verzeker je, dat de veldwachter Durling nog precies dezelfde is
als korporaal Durling voorheen. Welnu, laat je dan van een oud vriend
raden en word niet boos als ik openhartig spreek, want waarlijk, ik
heb je bestwil op 't oog. Hannes Klinge," vervolgt Durling met
nadruk, "laat het stroopen varen of het wordt je ongeluk, en al
gelukt het je nu al een tijd lang, door behendigheid en list uit de
handen der politie te blijven, op den duur loopt het toch mis.
Ik wil nog verder gaan," vervolgt hij, "en je iets zeggen, dat ik als
veldwachter eigenlijk niet zeggen mag; maar ik zou het zoo hard
vinden voor ons beiden, als ik later genoodzaakt was--en ik zal er
toe genoodzaakt worden--je te vervolgen, als de jager het wild; maar
een boer uit H., wiens naam ik niet noemen wil, schijnt het er op
gezet te hebben, dat je betrapt wordt; hij heeft mij een goede
belooning toegezegd, indien het mij gelukte de hand op je te leggen.
Stroop niet meer, Hannes, waarlijk, het zou mij hard vallen, maar
indien wij elkander na dezen dag op den Davel ontmoeten, en je hebt
geweer of vischtuig bij je, zoowaar ik leef, Abbe Durling zal zijn
plicht doen; want mijn eed blijf ik getrouw, al moest ik er voor
sterven."
Terwijl de veldwachter sprak, staarde Hannes onafgewend voor zich;
slechts toen Durling sprak van den boer, die hem geld beloofde voor
het vangen van den strooper, flikkerde zijn oog en groefde zich een
dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen; hij wist maar al te goed
wie die boer was. Ook Martha wist het en het sneed haar door de ziel,
want ondanks alles was de boer van "Zorgwijk" toch haar vader.
"Hannes," sprak ze met zachte stem, "doe het toch niet meer. Laat ons
weggaan van hier, want waarlijk een inwendige stem zegt het mij, wij
gaan ons ongeluk tegemoet. Luister naar Durling, hij handelt edel en
als een oprecht vriend; al moet je als daglooner je brood verdienen,
ik zal zonder morren de armoede met je dragen; hier neemt het een
slecht einde, dat gevoel ik."
Hannes wendt zich, zonder Martha te antwoorden, tot Durling.
"Ben je getrouwd, kameraad?"
"Neen," is het antwoord, "ik zorg voor mijn oude moeder; wij wonen
gezellig te zamen, en zoo lang de oude vrouw leeft, blijven we bij
elkaar."
Er is iets warms in de trouwhartige oogen van den veldwachter als hij
van zijn oude moeder spreekt en onwillekeurig gevoelt Martha achting
voor dezen man.
"Heb je," zegt de voormalige jager, "heb je in het dorp, waar de
menschen zooveel goeds van mij vertellen, de geschiedenis van mijn
huwelijk niet vernomen?"
"Neen," is het antwoord, "van je huwelijk sprak de boer niet, die mij
inlichtingen verschafte, en ik kan ook niet vatten wat dit met het
stroopen te maken heeft; of staat het er soms mede in verband?"
Martha had zich even naar buiten begeven om de kippen--die luid om
hun voeder kakelden,--van het noodige te voorzien, en intusschen
vertelde Hannes in het kort zijn geschiedenis, sinds den tijd, dat
hij den militairen dienst had verlaten en als bouwknecht op
"Zorgwijk" kwam.
Toen hij uitgesproken had, sprong Durling op, en riep: "Dan is de
man, die een prijs op je hoofd stelde, de vader van je vrouw? Arme,
arme kerel, men heeft je het leven hier zwaar genoeg gemaakt; maar
toch, thans heeft hij het recht op zijn zijde, en het is dwaas van je
om tegen den stroom in te zwemmen, want waarlijk, je gaat te gronde
en je sleept je vrouw en kinderen met je in het verderf, en dat mag
je niet doen, kameraad! Dat mag je niet doen! Daarvoor heeft vooral
zij te veel voor je opgeofferd." Oog in oog staan daar die beide
kloeke mannen voor elkander, en Durling steekt de hand uit. "Zeg, dat
je niet meer stroopen zult, Hannes, geef me er de hand op, en ik ga
gerust heen, want je woord heb je nimmer gebroken. Buig voor de
overmacht en werk eerlijk voor vrouw en kind. Voor een kerel als jij
is overal werk en brood te vinden; kom, sla toe!"
Een oogenblik aarzelt Hannes, en, voert een harden strijd in zijn
gemoed, maar het is ook maar één oogenblik. Dan behaalt de duivel van
haat en trots de overwinning in zijn ziel, en terwijl het onstuimige
bloed zijn gelaat donkerrood kleurt, klinkt het knarsetandend:
"Dus vluchten zou ik; als een geslagen hond mij uit de voeten maken,
met hun spottend gelach achter mij? Dit plekje grond verlaten, waar
mijn kinderen geboren zijn en waar ik gelukkig was, toen ik er
eerlijk mijn brood verdiende? Ha! Dan was het doel bereikt, als de
verachte Uil uit zijn nest gejaagd was, maar nog liever sterf ik met
het geweer in de hand of versmoor ik in het moeras, dan dat ik als
een lafhartige bloodaard mij uit de voeten maak.
Neen! Duizendmaal neen, ik zal stroopen, nu men mij het jagen
onmogelijk heeft gemaakt, en ik zal het volhouden hier zoo lang ik
maar eenigszins kan."
"Dan zul je het aan jezelven te wijten hebben, Hannes Klinge, als het
ongeluk over je komt," zegt de veldwachter ernstig. "Als vriend ben
ik tot je gekomen en je wilt mijn raad niet aannemen. Nu ga ik weg,
maar dit moet ik je nog zeggen: Indien wij elkander bij nacht of bij
dag op den Davel ontmoeten, terwijl jij op stroopen uit zijt, dan ben
ik niet je oude kameraad Abbe Durling, maar een rijksveldwachter, die
zijn plicht zal doen al moest hij er voor sterven."
Hij groet met de hand en zonder omzien stapt hij het voetpad af en
slaat den weg in naar het dorp. Maar Hannes kijkt hem na, totdat de
lange slanke gestalte verdwijnt in een kromming van den landweg, en
hij heeft een gevoel in de borst, alsof hij dien man moest naloopen
en hem de hand drukken, die hij daareven heeft geweigerd. Het was een
vriendenhand, die hij had teruggestooten. Maar Hannes bleef waar hij
was; valsche schaamte hield hem terug, en in zijn hart was het
onvrede. En onvrede was het in zijn gezin, want Martha verweet hem
met scherpe woorden en tranen van spijt in de oogen, dat hij alle
menschen, die het goed met hem meenden, van zich afstiet, en het
geluk van vrouw en kinderen opofferde aan zijn haat en aan den
hartstocht voor de jacht, want ook het laatste was een machtige
beweegreden, die Hannes aan het "Uilennest" boeide.
Ontevreden op zichzelven en op de gansche wereld, antwoordde hij met
harde woorden, om eindelijk driftig de deur achter zich toewerpend
naar den oever van den Davel te loopen.
Neen, Hannes Klinge was niet met hardheid tot rede te brengen, dat
beproefde boer Van Gulven reeds jaren lang tevergeefs, en ook zijn
dochter Martha zou er niets mede bereiken.
Terwijl een vriendelijk woord zelden zijn uitwerking op hem miste,
was hij dadelijk tot verzet gereed, als hij dacht dat men hem ergens
toe wilde dwingen.
Het bewijs van vriendschap van den nobelen veldwachter had hem aan
het wankelen gebracht, en indien Martha met zachtheid en liefde hem
had gevraagd het met Durling in het reine te brengen, en diens
welgemeenden raad op te volgen, mogelijk had hij gehoor gegeven aan
de stem zijner vrouw, die hij ondanks haar heftig karakter toch
hartelijk liefhad.
Maar het mocht niet zoo zijn.
De almachtige Bestuurder aller dingen had het anders over Hannes
Klinge besloten, en deze zou het verkeerde pad bewandelen, totdat
voor hem het "tot hiertoe en niet verder" zou weerklinken. Lang
uitgestrekt ligt hij onder den bloeienden vlierstruik, vlak aan den
waterkant in het geurige gras, en kijkt naar den blauwen hemel, waar
hoog in de lucht de zwaluwen rondzwerven.
Het zachte zomerkoeltje, dat langs zijn brandend voorhoofd strijkt,
verkwikt hem, maar daarbinnen in zijn borst gloeit iets, dat door
geen zomerwindje te verkoelen is.
Het is de haat en de bitterheid, waartegen Olbert de schaapherder hem
reeds jaren geleden had gewaarschuwd.
Uit de verte klinken klokketonen door den stillen omtrek, en de
strooper luistert er naar totdat de laatste klanken zijn weggestorven
in de verte, en het is hem als spreken die sabbatstonen woorden tot
hem van waarschuwing en van zacht verwijt. "Kom dan! Kom dan! Zoo
schijnt de kerkklok te roepen," mompelt Hannes, en hij denkt aan den
tijd, toen hij nog bij Krijn Vermeeren was.
Dan ging hij des Zondagsmorgens wel ter kerke, want dan was Martha
van Gulven er ook, en daar kon de boer van "Zorgwijk" hem niet weren.
En als hij dan weer terug was in het "Uilennest", dan moest de oude
jager weten welken tekst de dominee behandeld had, en Hannes moest
hem dan het hoofdstuk, waarin die tekst stond, voorlezen, en een der
psalmen zingen die men dien morgen in de kerk gezongen had.
Maar Krijn was dáárheen gegaan, van waar niemand wederkeert, en
Hannes had langzamerhand het kerkgaan verzuimd, en nu had hij er
sinds jaren geen voet meer over den dorpel gezet.
"Waarom ook," mompelt hij bitter; "een strooper zooals ik moet zich
niet vertoonen, waar zooveel goede menschen bijeen zijn."
En toch, dat klokgelui op dezen schoonen morgen doet een snaar
trillen in zijn hart, en wekt een gevoel op, alsof hij moest breken
met zijn tegenwoordig bestaan, en een ander, een nieuw leven
beginnen. "Kon ik maar weg," mompelt hij, ver weg, naar Amerika.
Daar moeten nog eindelooze bosschen zijn, waarin het wemelt van wild.
Daar zou ik heen willen, daar was ik mogelijk vrij.
En Martha zou mij met vreugde volgen, dat weet ik zeker. Maar ik heb
geen geld voor den overtocht, al verkocht ik het "Uilennest". Want nu
het jacht- en vischrecht in handen van Van Gulven is, heeft dit
armelijke boeltje geen waarde meer."
Dus peinzend en tobbend is hij zoo in gedachten verzonken, dat hij
den lichten tred van zijn Lieske niet hoort op het mollige gras, en
niets van haar aanwezigheid bemerkt, voordat ze haar handje op zijn
breeden schouder legt.
"Vader, ach, waarom bent u toch zoo boos? Kom binnen, moeder heeft de
boterhammen klaar; maar moeder is zoo stil, en Gert wil niet met mij
spelen. Vader," vervolgt het kind, "houdt u niet veel meer van Lieske
en van moeder en Gert? U kijkt nooit meer naar mijn bloemen in mijn
tuintje, en u wilt ook nooit meer voor mij zingen; houdt u niet meer
van ons?"
Het kind is bij hem neergeknield, en als hij haar bevende lipjes ziet
en de tranen in de onschuldige blauwe oogjes ziet parelen, dan
gevoelt Hannes Klinge, dat het leven, dat hij thans leidt, hem
waarschijnlijk op wroeging en berouw zal komen te staan.
Doch de klacht van zijn kind, dat hij lief heeft als het licht zijner
oogen, snijdt hem door de ziel, en opspringend neemt hij haar in zijn
armen.
"Neen, neen, Lieske, vader is niet boos; maar zingen kan ik nu niet;
doch zing jij eens een liedje voor mij, dan gaan we als het uit is
naar binnen om onze boterhammen te eten."
Kinderleed is als een zomerwolkje, dat ras verdwijnt en Lieske droogt
haar tranen af en zegt: "Weet u wat ik zingen zal, vader: ik zal het
schoone lied zingen, dat Olbert de schaapherder mij heeft geleerd,"
en met een stem als een zilveren klokje zoo helder en zuiver heft het
kind aan:
"Heer, ai maak mij Uwe wegen
Door Uw woord en geest bekend;
Leer mij hoe die zijn gelegen,
En waarheen G' Uw treden wendt.
Leid mij in Uw waarheid, leer
IJvrig mij Uw wet betrachten,
Want Gij zijt mijn heil, o Heer,
'k Blijf U al den dag verwachten."
"Je hebt het mooi gezongen, Lieske," zegt Hannes, als het kind hem
vraagt of hij het niet een mooi lied vindt, maar er is hem een brok
in de keel geschoten en hij kan zelf niet begrijpen, waarom hij
vandaag zoo weekhartig is.
Met het meisje op den arm gaat hij naar binnen, maar voor hij Lize
neerzet heeft hij haar beloofd, dat ze van middag, als moeder wil,
naar de Schaapskooi zullen gaan met het schuitje.
Maar moeder gaf er geen antwoord op, en bleef zwijgend en norsch, en
dat verbitterde Hannes weer. Zoo verliep de schoone Sabbatdag voor de
bewoners van het Uilennest somber en treurig, want waar twist en
tweedracht woont, daar wijkt het huiselijk geluk.