Lang hebben Van Gulven en de snoode Gerrit Dubbe gepeinsd op een
middel om den jager te noodzaken de streek langs den Davel te
verlaten, want de boer van "Zorgwijk" zou niets liever hebben dan dat
zijn dochter, die hij beschouwt als de schandvlek van zijn geslacht,
met man en kroost wegtrok, ver van hier.
Reeds dikwijls was hij van plan geweest den jager veel geld te
bieden, indien deze zich in een andere provincie wilde vestigen, maar
steeds had de gedachte aan een trotsche weigering van Hannes Klinge
hem teruggehouden. Hij herinnerde zich zeer goed, dat de Gelderschman
hem eenmaal zijn geld voor de voeten had geworpen met de woorden:
"Van het geld, dat uw afgod is, verlang ik geen enkelen penning!"
Dat was reeds jaren geleden, maar Van Gulven kende zijn gewezen
bouwknecht te goed, om niet te vreezen dat hij datzelfde antwoord nog
eens zou hooren.
Daarom had hij van dit plan afgezien, en er zich reeds in geschikt
den jager in het "Uilennest" te weten, nog te meer, daar deze zich
maar zelden in het dorp vertoonde, en er zich dan nog zoo kort
mogelijk ophield.
Doch dit alles veranderde na de ruwe ontmoeting in den "Zwarten
Arend". Hier had de jager eerst recht getoond hoe ver zijne
vermetelheid wel ging, en Van Gulven, wiens vroegere vijandige
gezindheid jegens den jager, sedert de zedelijke nederlaag, die hij
in de herberg had geleden, tot gloeienden haat was aangewakkerd, Van
Gulven dorstte naar wraak, en ging op het lage plan, dat Gerrit Dubbe
hem voorstelde, bijna zonder bedenken in.
Laag en snood was het plan, dat de roode Judas den verblinden vader
van Martha voorlegde, en het kwam hierop neer, dat zij Hannes Klinge,
door hem zijn broodwinning te ontnemen, dwingen zouden zich elders te
vestigen.
De Davel en bijna al de omringende velden en akkers behoorden sinds
eeuwen aan een rijke, adellijke familie, en bijna alle boeren in de
omliggende dorpen pachtten hun landerijen, van den rentmeester der
familie.
Nu was de oude rentmeester gewoon geweest, sinds vele jaren eerst
Krijn Vermeeren en later Hannes Klinge een geschreven volmacht of
verlofbrief te geven, die dezen het recht gaven in en op den Davel te
visschen, en als de jacht opengesteld werd, te jagen; want over dat
recht hadden de baronnen als grondeigenaars de vrije beschikking.
Ieder jaar omstreeks het openen der jacht, begaf Hannes Klinge zich
naar den rentmeester, en de vriendelijke oude heer verstrekte hem dan
het bewijs, dat hem weder voor een jaar in staat stelde eerlijk zijn
brood te verdienen. Dan kocht hij een jachtacte, en indien--wat wel
eens gebeurde--een veldwachter hem vroeg of hij in het bezit was van
een acte en verlof, dan kon Hannes, door beide stukken te vertoonen,
het bewijs leveren, dat hij jager en visscher, maar geen strooper
was. Doch de oude, vriendelijke rentmeester was gestorven, en een
trotsche jonge man werd rentmeester in zijne plaats.
Tot dezen man begaf zich--eenige weken voor den tijd, dat Hannes
Klinge gewoon was zijn verlofbrief te gaan halen--de boer van
"Zorgwijk", en stelde zich voor als de grootste pachter van het
domein.
Toen wist Van Gulven het gesprek te brengen op de jacht en de
visscherij van den Davel en hij stelde den jager uit het "Uilennest"
aan den rentmeester voor als een woesten, twistzieken kerel, wiens
tegenwoordigheid een gevaar opleverde voor de rust van het dorp en
daarna liet hij doorschemeren, dat het jacht- en vischrecht op den
Davel hem, Barend van Gulven, wel eenige honderden guldens waard zou
zijn.
De rentmeester, die wel trotsch, maar toch onbemiddeld was, ging op
deze eerlooze aanbieding in, en met een verlofbrief voor het volgend
jachtseizoen in den zak verliet de boer van "Zorgwijk" de spreekkamer
van den rentmeester. Een paar weken later ging Hannes Klinge argeloos
om zijn verlofbrief vragen, en ontving de verpletterende mededeeling,
dat de permissie reeds vergeven was. Toen Hannes zich beriep op oude
rechten, die sinds onheuglijke tijden de bewoners van het "Uilennest"
van de landheeren hadden genoten, glimlachte de rentmeester, en
voegde Hannes toe, dat dergelijke rechten of liever gunsten, niet
werden verleend aan kroegloopers en twistzoekers, zooals hij, maar
aan ordelijke en geachte burgers.
O, het was den armen jager maar al te duidelijk wie de rentmeester
bedoelde met ordelijke, geachte burgers.
De geheele toeleg, waarvan hij het slachtoffer was, stond hem helder
en klaar voor oogen.
"Mijnheer!" sprak hij, "wij zullen er niet veel woorden over
wisselen, maar het is niet omdat ik een kroeglooper of twistzoeker
ben, maar het is omdat Hannes Klinge arm, en de man, die mijn
ondergang zoekt, rijk is. Daarom, en daarom alleen word ik uit mijn
broodwinning gestooten. Waarom ook niet? Voor een handvol geld worden
wel grooter laagheden bedreven dan deze." Hoe bitter, hoe bevend van
ingehouden toorn klonken die woorden uit den mond van den jager, en
de rentmeester gevoelde zich niet op zijn gemak onder dien
doorborenden blik, en hij was maar blijde, dat Hannes Klinge zich
plotseling omkeerde en zonder een enkel woord te spreken de deur
uitging.
Ja, die Van Gulven had wel gelijk. Dit was bepaald een gevaarlijke
kerel, en het was maar goed dat men hem noodzaakte de streek te
verlaten, en de rentmeester lachte en stak een versche sigaar op.