HOOFDSTUK XIII.

Lang hebben Van Gulven en de snoode Gerrit Dubbe gepeinsd op een

middel om den jager te noodzaken de streek langs den Davel te

verlaten, want de boer van "Zorgwijk" zou niets liever hebben dan dat

zijn dochter, die hij beschouwt als de schandvlek van zijn geslacht,

met man en kroost wegtrok, ver van hier.

Reeds dikwijls was hij van plan geweest den jager veel geld te

bieden, indien deze zich in een andere provincie wilde vestigen, maar

steeds had de gedachte aan een trotsche weigering van Hannes Klinge

hem teruggehouden. Hij herinnerde zich zeer goed, dat de Gelderschman

hem eenmaal zijn geld voor de voeten had geworpen met de woorden:

"Van het geld, dat uw afgod is, verlang ik geen enkelen penning!"

Dat was reeds jaren geleden, maar Van Gulven kende zijn gewezen

bouwknecht te goed, om niet te vreezen dat hij datzelfde antwoord nog

eens zou hooren.

Daarom had hij van dit plan afgezien, en er zich reeds in geschikt

den jager in het "Uilennest" te weten, nog te meer, daar deze zich

maar zelden in het dorp vertoonde, en er zich dan nog zoo kort

mogelijk ophield.

Doch dit alles veranderde na de ruwe ontmoeting in den "Zwarten

Arend". Hier had de jager eerst recht getoond hoe ver zijne

vermetelheid wel ging, en Van Gulven, wiens vroegere vijandige

gezindheid jegens den jager, sedert de zedelijke nederlaag, die hij

in de herberg had geleden, tot gloeienden haat was aangewakkerd, Van

Gulven dorstte naar wraak, en ging op het lage plan, dat Gerrit Dubbe

hem voorstelde, bijna zonder bedenken in.

Laag en snood was het plan, dat de roode Judas den verblinden vader

van Martha voorlegde, en het kwam hierop neer, dat zij Hannes Klinge,

door hem zijn broodwinning te ontnemen, dwingen zouden zich elders te

vestigen.

De Davel en bijna al de omringende velden en akkers behoorden sinds

eeuwen aan een rijke, adellijke familie, en bijna alle boeren in de

omliggende dorpen pachtten hun landerijen, van den rentmeester der

familie.

Nu was de oude rentmeester gewoon geweest, sinds vele jaren eerst

Krijn Vermeeren en later Hannes Klinge een geschreven volmacht of

verlofbrief te geven, die dezen het recht gaven in en op den Davel te

visschen, en als de jacht opengesteld werd, te jagen; want over dat

recht hadden de baronnen als grondeigenaars de vrije beschikking.

Ieder jaar omstreeks het openen der jacht, begaf Hannes Klinge zich

naar den rentmeester, en de vriendelijke oude heer verstrekte hem dan

het bewijs, dat hem weder voor een jaar in staat stelde eerlijk zijn

brood te verdienen. Dan kocht hij een jachtacte, en indien--wat wel

eens gebeurde--een veldwachter hem vroeg of hij in het bezit was van

een acte en verlof, dan kon Hannes, door beide stukken te vertoonen,

het bewijs leveren, dat hij jager en visscher, maar geen strooper

was. Doch de oude, vriendelijke rentmeester was gestorven, en een

trotsche jonge man werd rentmeester in zijne plaats.

Tot dezen man begaf zich--eenige weken voor den tijd, dat Hannes

Klinge gewoon was zijn verlofbrief te gaan halen--de boer van

"Zorgwijk", en stelde zich voor als de grootste pachter van het

domein.

Toen wist Van Gulven het gesprek te brengen op de jacht en de

visscherij van den Davel en hij stelde den jager uit het "Uilennest"

aan den rentmeester voor als een woesten, twistzieken kerel, wiens

tegenwoordigheid een gevaar opleverde voor de rust van het dorp en

daarna liet hij doorschemeren, dat het jacht- en vischrecht op den

Davel hem, Barend van Gulven, wel eenige honderden guldens waard zou

zijn.

De rentmeester, die wel trotsch, maar toch onbemiddeld was, ging op

deze eerlooze aanbieding in, en met een verlofbrief voor het volgend

jachtseizoen in den zak verliet de boer van "Zorgwijk" de spreekkamer

van den rentmeester. Een paar weken later ging Hannes Klinge argeloos

om zijn verlofbrief vragen, en ontving de verpletterende mededeeling,

dat de permissie reeds vergeven was. Toen Hannes zich beriep op oude

rechten, die sinds onheuglijke tijden de bewoners van het "Uilennest"

van de landheeren hadden genoten, glimlachte de rentmeester, en

voegde Hannes toe, dat dergelijke rechten of liever gunsten, niet

werden verleend aan kroegloopers en twistzoekers, zooals hij, maar

aan ordelijke en geachte burgers.

O, het was den armen jager maar al te duidelijk wie de rentmeester

bedoelde met ordelijke, geachte burgers.

De geheele toeleg, waarvan hij het slachtoffer was, stond hem helder

en klaar voor oogen.

"Mijnheer!" sprak hij, "wij zullen er niet veel woorden over

wisselen, maar het is niet omdat ik een kroeglooper of twistzoeker

ben, maar het is omdat Hannes Klinge arm, en de man, die mijn

ondergang zoekt, rijk is. Daarom, en daarom alleen word ik uit mijn

broodwinning gestooten. Waarom ook niet? Voor een handvol geld worden

wel grooter laagheden bedreven dan deze." Hoe bitter, hoe bevend van

ingehouden toorn klonken die woorden uit den mond van den jager, en

de rentmeester gevoelde zich niet op zijn gemak onder dien

doorborenden blik, en hij was maar blijde, dat Hannes Klinge zich

plotseling omkeerde en zonder een enkel woord te spreken de deur

uitging.

Ja, die Van Gulven had wel gelijk. Dit was bepaald een gevaarlijke

kerel, en het was maar goed dat men hem noodzaakte de streek te

verlaten, en de rentmeester lachte en stak een versche sigaar op.

Het Uilennest · 第 20 / 28 题