Allen zijn beschaamd en niemand spreekt een woord, maar Van Gulven
wordt nog bleeker dan daar straks, nu de geheimzinnige, diepliggende
oogen van den schaapherder hem strak aanstaren.
Waarschuwend strekt Olbert den langen, mageren arm naar hem uit en
zegt: "Barend van Gulven, ook voor u zullen er andere tijden
aanbreken; er komt een tijd, dat ge niet meer als de rijke boer van
"Zorgwijk" zult staan, want bij den grooten Rechter hierboven geldt
aardsche rijkdom voor niets: maar als ge voor den rechterstoel van
den Rechtvaardige wordt geroepen, zult gij dan kunnen verantwoorden
uw gedrag tegenover uw kind? Tegenover uw dochter, waarvoor Hannes
Klinge daar straks het mes trok? Ik zeg u: neen!
Wees gewaarschuwd, Van Gulven. Op deze wereld zult ge het mogelijk
van hem winnen, maar hiernamaals zal God rechten tusschen u en den
jager."
Van Gulven wil iets zeggen, maar de woorden blijven hem in de keel
steken, en de boer van "Zorgwijk", die anders niet licht het antwoord
schuldig blijft, kan tegen dien wonderlijken schaapherder, wiens
huiveringwekkende woorden hem zijns ondanks doen beven, niets
uitrichten.
Reeds wendt Olbert zich tot Hannes, wiens toorn inmiddels bedaard is.
"Kom Hannes, wij gaan naar de Schaapskooi, dan kun je verder alleen
naar het "Uilennest" wandelen; kom, Hannes, kom mede in de frissche
lucht," herhaalt de eenarm.
Klinge knoopt zijn loshangend buis vast, en zich tot Sijmen den
ossenkooper wendend, drukt hij dezen krachtig de hand, met de
woorden: "Jij hebt mijn partij gekozen, Sijmen, jij alléén, en dat
vergeet ik nooit! Heb je ooit hulp noodig en ik kan je helpen, dan
kun je op Hannes Klinge rekenen, en wat jou betreft, Govert Kemp, het
spijt mij, dat ik je zooveel last heb veroorzaakt van avond, doch ik
beloof je, dat je voortaan op Vrijdagavond geen hinder meer van mij
zult hebben."
De deur valt achter Olbert en den jager dicht, en zwijgend wandelen
beide mannen de modderige dorpsstraat uit, en als Hannes het riet van
den Davel weer hoort ruischen, en hem de stille velden omgeven, dan
komt er dankbaarheid jegens Olbert in zijn hart op. En niet alleen
dankbaarheid, maar ook bewondering, want Hannes denkt, dat er meer
moed voor noodig is, om tot opgewonden menschen in een herberg te
spreken zooals Olbert sprak, dan er in dolle, razende drift met het
mes in de vuist op los te stormen. Nu staan ze voor de Schaapskooi en
Hannes zegt met iets trillende in de stem:
"Olbert, gij hebt mij vanavond van de gevangenis gered, want zonder u
zou ik dien "rooden Judas" hebben vermoord, en ik kan er niet aan
denken, wat dan voor mij de gevolgen zouden geweest zijn. Sijmen de
ossenkooper was ook bereid mij te helpen, maar zijn hulp zou voor mij
de toestand niet veel beter gemaakt hebben, en zijn stok en mijn mes
zouden mij mogelijken wel door de boeren heen naar buiten hebben
gebracht, maar hadden mij niet buiten de gevangenis gehouden. Daarom,
Olbert, dank ik u van ganscher harte; gij, oude, moedige veteraan,
toondet dat ge meer waard zijt dan wij allen. Maar waarom zijn ze mij
vijandig gezind? Ik verdien eerlijk mijn brood, en ik leg niemand
hunner ooit iets in den weg, en toch waren, behalve Sijmen, allen
tegen, mij; kunt ge dat begrijpen, Olbert?"
"Zeker kan ik dat begrijpen," is het antwoord van Olbert, "zeker
begrijp ik dat. Het is de eeuwenoude geschiedenis van het aanbidden
van het gouden kalf, en zoo zal het wel altijd blijven, Hannes. Wie
rijk is, en macht heeft door dien rijkdom, dien hangt iedereen aan,
maar wie arm is en zonder invloed, die wordt verstooten en vertrapt.
Nog een enkel woord, Hannes, en dan ga ik naar binnen.
Toen het volk van Jeruzalem dacht en hoopte, dat de "rabbi van
Nazareth", die zoo machtig was in woorden en werken, hen op zou
heffen uit hun diep verval en de oude glorie van het huis van David
zou doen herleven, toen klonken Hem jubeltonen tegemoet, en toen
werden er palmtakken op zijn weg gespreid, en het Hosanna! Hosanna!
gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren, Hij, die is de
Koning Israëls, werd gehoord. Aardsche macht en aardsche glorie zag
men in Hem, die geen aardsche macht begeerde, maar hoe ras veranderde
toen het jubelend Hosanna! in het hoonend Kruis Hem! Kruis Hem!
Zoo was de wereld toen en zoo is zij nog, en indien Barend van Gulven
nu eens al zijn geld en goed verloor, zoodat hij even arm was als jij
nu, dan zouden dezelfde menschen, die hem nu in alles trachten ter
wille te zijn, zich het eerst van hem afwenden. Doch laat dit je niet
verbitteren, Hannes, er zijn immers ook andere menschen, die handelen
en spreken zonder aanzien des persoons, maar bovenal, zie het in het
reine te brengen met den grooten Meester, die ons het heilige
voorbeeld van lijdzaamheid en liefde gaf. Nu echter ga ik naar
binnen. Goeden nacht, Hannes, en bid, voor ge dezen nacht gaat
slapen, dat God je moge bewaren voor twist en haat, anders konden
deze je wel eens ten verderve zijn: goeden nacht!"
Alleen vervolgde Hannes het eenzame pad, waarop zelfs geen enkele
star een lichtstraal zond, maar ook de meest donkere nacht zou den
jager hier niet doen dolen, en in zijn ziel is het iets lichter
geworden. Hij neemt zich voor, den raad van Olbert te volgen, en God
te bidden om steun bij zijn voornemen, drift en wrevel te bedwingen,
en kalm en rustig te blijven als der menschen haat hem vervolgt.
Met zulke gevoelens bezield, treedt hij zijn hut binnen, waar zijn
vrouw op hem wacht bij het uitgedoofde vuur.
't Is koud en kil in de hut, waar het anders zoo warm en gezellig kan
zijn, en het lange wachten, dat Martha niet gewoon is, heeft haar
verbitterd, en ze ontvangt den jager met harde woorden en
verwijtingen.
Alle goede voornemens van Hannes Klinge verdwijnen als sneeuw voor de
zon, en slechts een kort oogenblik bewaart hij zijn uiterlijke
kalmte. Dan volgt het eene harde woord op het andere, en het einde
van de ongelukkige geschiedenis is, dat in plaats van met een gebed,
de jager met een vloekwoord op de lippen zich op zijn legerstede
werpt.
Had Martha door haar onverstandige verwijten Hannes Klinge niet tot
toorn geprikkeld, dan had deze geen woorden gesproken, die hem later
berouwden, doch op deze wijs werken de duistere machten des satans in
de harten der menschenkinderen, want niet gemakkelijk laat de vorst
der duisternis zijn prooi glippen.