Kemp! Geef me een kruik oud bier."

De man gaat aan het tafeltje zitten bij Hannes Klinge. Het is een

reusachtige, zwaargebouwde kerel, met hoogrood gelaat, en vollen,

donkeren baard. Hij draagt, evenals Hannes, hooge laarzen, die van

onder tot boven met modder zijn bespat, terwijl de dikke doornenstok

met looden knop, dien hij in de hand draagt, meer op een wapen dan op

een wandelstok gelijkt.

Hannes Klinge kent hem goed; het is Sijmen, de ossenkooper, die stad

en land afreist, om ossen te koopen en te verkoopen, en die doorgaans

aan den sterken leeren riem, dien hij om zijn middel draagt, een goed

gevulden geldbuidel heeft hangen.

Maar Sijmen loopt onbevreesd bij nacht en bij ontijd op de eenzaamste

wegen, want hij vertrouwt op zijn stok en zijn geweldige

lichaamskracht, en hij lacht met landloopers, aanranders, en

dergelijk gespuis.

Spoedig is de ossenkooper met Hannes in druk gesprek en ondanks de

vroolijke zorgeloosheid, die Sijmen kenmerkt, is hij toch een man met

veel menschenkennis, en spoedig genoeg heeft hij bemerkt, wat Hannes,

die anders altijd bij vrouw en kinderen blijft, naar de herberg heeft

gevoerd. Hoewel hij nu zelf naar huis verlangt, en nog een uur

loopens van zijn woning verwijderd is, blijft hij toch nog talmen,

want het staat hem niet aan, dat de jager het eene glas brandewijn na

het andere uitdrinkt.

Weer gaat de deur open en twee mannen treden binnen. In het scherpe

oog van den jager flikkert het, alsof er een stuk wild onder zijn

schot komt. Op één van die twee heeft hij zitten wachten. Het is de

boer van "Zorgwijk", en de man die hem vergezelt is zijn

boezemvriend, de roode Gerrit Dubbe, tevens zijn kwade geest, die

altijd zijn trots weet op te wekken, en zijn haat te prikkelen.

Nimmer ook zou het zoover met Van Gulven gekomen zijn, als niet de

lastertong van den rooden Judas, die zoowel Hannes Klinge als diens

vrouw haat met een doodelijken haat, gestadig had gefluisterd en

gefleemd.

Zoowel Dubbe als Van Gulven bemerkten den jager daar in den hoek, en

het gelaat van den laatste wordt een oogenblik vaalbleek. Hij

begrijpt heel goed, dat Hannes Klinge iets in zijn schild voert.

Doch zijn ontsteltenis duurt slechts een oogenblik; de jager is

alleen met zijn honden, en de tien of twaalf boeren, die om de groote

tafel zitten, zijn allen op zijn hand, en zullen hem niet in den

steek laten als Hannes Klinge soms iets wil ondernemen.

Met schetterende stem commandeert Gerrit Dubbe twee kruiken oud bier

met suiker, en terwijl de waardin, die de klanten bedient, het

verlangde brengt, geeft Govert Kemp den boer, dien hij onder handen

heeft, een veeg met zijn scheermes in de kin, wat den getroffene

driftig de vraag doet uiten of Goof van zijn verstand beroofd is.

Maar de kastelein had Van Gulven en Gerrit Dubbe hooren binnenkomen,

en dat deed hem beven, want nu zou weldra blijken wat de jager van

het "Uilennest" in zijn, schild voerde. Kemp plakt een groote

pleister op de kin van het boertje, en verontschuldigt zich door te

zeggen dat het mes uitschoot.

Het wordt opmerkelijk stil in de gelagkamer. Het gesprek om de groote

tafel, straks nog zoo levendig, verflauwt. Wat er gesproken wordt,

klinkt gedwongen, terwijl er onder de boeren wel zijn, die wenschen

thuis bij moeder de vrouw te zitten. Anderen daarentegen hebben

heimelijk schik in het geval. Hun rondglurende oogen hebben den blik

van den jager wel opgemerkt, dien dezen op Van Gulven wierp, toen hij

binnenkwam. Ze hebben den rijken boer ook zien verbleeken, en als

straks een twist losbarst tusschen Hannes Klinge en den boer van

"Zorgwijk", dan zullen ze als één man partij kiezen tegen den woesten

Gelderschman, die altijd in het dorp de rust verstoorde, en die per

slot van rekening de rijkste boerendochter nog meevoerde naar zijn

krot. Zij woelen met de handen in hun wijde broekzakken en zoeken

naar de stalen tabaksdoozen. Want de jager is geen kerel, dien men

met bloote handen kan aanpakken. En dan die twee sterke honden, die

zijn ook niet te verachten, terwijl het niet onmogelijk is, dat

Sijmen de ossenkooper op de hand van Hannes Klinge is. Doch geen

nood, ze zijn talrijk genoeg en Gerrit Dubbe telt voor twee.

"Wat zijn jullie toch allemaal stil vanavond!" zoo schettert de roode

Gerrit, en hij schenkt zijn bier uit de kruik in zijn glas. Maar ook

zijn handen schijnen te beven, want het bier vloeit over den rand van

het glas op de tafel.

"Dat komt zeker," vervolgt Dubbe, "omdat er van avond één hier is,

die hier niet behoort. Maar dat is niets; als ons dat verveelt, dan

smijten we hem er uit, want het spreekwoord zegt: Geen uilen bij

bonte kraaien, en op uilen zijn we hier niet gesteld."

Allen lachen om de aardigheid van Gerrit Dubbe, maar Sijmen de

ossenkooper lacht niet. Het stuit hem geweldig tegen de borst, dat de

roode Gerrit zonder de minste aanleiding zijn hatelijke woorden

uitschettert en hij steekt zijn misnoegen niet onder stoelen of

banken.

"Daar heb je gelijk in, Gerrit Dubbe," zoo klinkt de zware stem van

Sijmen, "daar heb je gelijk in, als iemand je verveelt, dat je hem de

deur uitsmijt, maar dan moet je niet in het meervoud spreken, man, en

niet zeggen, dan smijten we hem de deur uit, maar het zelf en alleen

doen, als je kunt. Ik twijfel er echter sterk aan of je den man, dien

je thans in den weg zit, wel gemakkelijk alleen buiten de deur zoudt

krijgen!"

Thans springt Hannes Klinge recht overeind, en zich voor de tafel

plaatsend, waaraan de boeren zitten, zegt hij, oogenschijnlijk kalm:

"Gerrit Dubbe heeft gelijk, als hij zegt, dat er één in den "Zwarten

Arend" is, die er niet behoort, en hij had er gerust bij kunnen

voegen: "Hannes Klinge behoort hier niet, want ik behoor in het

"Uilennest" bij vrouw en kinderen, en ik zou waarlijk je gezelschap

niet gezocht hebben, als ik niet iets te zeggen had, dat mij van het

hart moet.

Maar niet tot jou heb ik iets te zeggen, Gerrit Dubbe! Want dan

spreek ik onder vier oogen met je en dan zal het je beste dag niet

zijn, kameraad!"

Scherp en doordringend zijn de blauwe oogen van den jager op den

rooden Gerrit gericht, en deze kent maar al te goed dien dreigenden,

doorborenden blik, en hij slaat de gluiperige oogen neer.

"Neen," vervolgt Hannes Klinge, "wat ik te zeggen heb, dat zeg ik tot

u, Barend van Gulven, en allen die hier zijn zullen het mede

aanhooren!" De manhafte spreker doet nog een pas nader en buigt zich

wat over tot zijn tegenpartij, en met den vinger van de rechterhand

op Van Gulven wijzend, klinkt zijn stem als een trompet door de

gelagkamer, terwijl allen zwijgend den koenen spreker aanstaren:

"Barend van Gulven, je hebt je dochter verstooten omdat zij ondanks

je verbod een arm maar eerlijk man getrouwd heeft en dat kan ik

begrijpen, want jij gevoelt je hier koning in het dorp. Maar wat ik

niet kan begrijpen is, dat je je kind, je eenig kind, de deur

uitwerpt als ze haar moeder wil zien, die op haar sterfbed om haar

kind roept! Dat zal je op de ziel branden zoo lang je leeft, want dat

is meer dan hardvochtige trots, dat is een laffe, erbarmelijke

misdaad, en ik, je schoonzoon, de man van je dochter, ik ben hier

gekomen om je te zeggen, dat je een ellendeling bent! Een lage,

wreede ellendeling!"

"Er uit met hem! Slaat hem dood!" zoo brult thans de roode Gerrit

Dubbe, en grijpt de zware bierkruik in de groote sterke vuist.

"Er uit! Slaat dood den Uil!" schreeuwen de boeren, die op de hand

van Van Gulven zijn, en rukken de stalen tabaksdoozen uit den zak.

Angstig schreeuwend vlucht de waardin uit het buffet, terwijl de

kastelein, anders voor geen klein geruchtje vervaard, den boer dien

hij juist heeft ingezeept laat zitten, en angstig zijn glaswerk

tracht te redden. Hannes Klinge had zich voorgenomen kalm te blijven,

en slechts Van Gulven zijn meening te zeggen, om zich daarna

onmiddellijk huiswaarts te begeven. Maar het driftige, opvliegende

karakter van den jager spot met alle goede voornemens, en nu hij

ziet, dat allen tegen hem zijn, nu ontbrandt zijn razende woede.

"Ha! Nu durft gij den Uil aan, laffe kerels!"

"Twintig tegen één," zoo dondert de jager zijn tegenstanders toe,

"maar komt op! De Uil is niet bang! Nog voor geen twintig kraaien!"

Een woest tooneel volgt, tafels en banken worden omgesmeten, glazen

en kruiken rinkelen en breken. De bierkruik, door Gerrit Dubbe naar

Hannes Klinge geworpen, mist haar doel, maar treft den spiegel, die

kletterend van den wand stort.

Te midden van het geraas vliegt Sijmen de ossenkooper naar voren, en

zijn zware laarzen doen den vloer dreunen.

"Terug, bloodaards!" buldert de reus, "met u allen tegen een enkelen

man, gij oude wijven. Wie hem aanraakt, sla ik te pletter," en

dreigend zwaait hij den doornenstok met den geweldigen looden knop

boven zijn hoofd.

"Slaat hem dood! Slaat hen beiden dood!" roept Gerrit Dubbe. Blind

van haat en woede grijpt hij weer een bierkruik, maar Hannes Klinge

heeft, alle heerschappij over zich zelf verliezend, zijn mes

getrokken, en terwijl de bloeddorst hem uit de bliksemende oogen

straalt, springt hij met de vlugheid van een panter over de

omvergeworpen tafel heen, en zijn honden volgen hem met

overeindstaande haren.

Er gaat een angstkreet op onder de boeren, en allen vliegen

achteruit.

Sijmen tracht Hannes nog te grijpen; maar vruchteloos, en indien geen

Hoogere macht tusschenbeiden komt, dan zal het mes van den jager zijn

weg vinden naar het hart van Gerrit Dubbe.

Reeds grijpt hij met de linkerhand den rechterarm van den rooden

Gerrit, waarin deze de kruik houdt, en de gespierde rechterhand met

het scherpe mes vliegt omhoog voor den doodelijken stoot, als

plotseling een lange gestalte zich tusschen de vechtenden werpt, en

over den schouder van Gerrit Dubbe heen, de hand van den jager

terzijde slaat, zoodat de moordende messteek zijn doel mist.

"Houd op, ongelukkige dwaas!" roept Olbert de schaapherder, want deze

was het; "houd op, en denk aan je vrouw en je onschuldige kinderen!"

De verschijning van den "eenarm" werkte op de opgewonden lieden als

olie op de golven van een onstuimige zee, en zoodra heeft Hannes

Klinge niet bemerkt dat het Olbert is, die zijn hand terzijde sloeg,

of hij laat het reeds weer opgeheven mes zinken, en roept met forsche

stem zijn honden terug, die Gerrit Dubbe aanvliegen.

"Los Tromp! Hier Turk!" en hun meester onmiddellijk gehoorzamend,

laten ze Gerrit Dubbe los, maar blijven dreigend grommen.

Bleek als een doode richt Dubbe zich op. Zijn buis is door de honden

aan flarden gescheurd, en op zijn broek vertoonen zich groote

bloedvlekken, die wel aantoonen, dat de nijdige dieren hem duchtig te

pakken hebben gehad.

Een der boeren is door een stokslag van Sijmen op den arm getroffen,

en hij zal dien arm in de eerste zes weken niet kunnen gebruiken.

Maar op dit oogenblik bekommert zich niemand om hem. Hoog boven allen

uit staat de veteraan van Napoleon, die in zijn leven reeds zoo menig

bloedig tooneel heeft aanschouwd. Hij is opzettelijk hierheen

gekomen, want Martha had haar zoon, haar Gerard, naar de schaapskooi

gezonden om te vragen of vader ook bij Olbert was.

Dadelijk was toen de gedachte bij hem opgekomen, dat Hannes Klinge

zich veel langer ophield in het dorp dan deze gewoon was, en daar hij

wist, dat de jager de beleediging zijner vrouw door haar vader niet

kon verkroppen, duchtte de schaapherder onheil, en besloot hij, om,

zooals hij dat noemde, op verkenning uit te gaan.

Hij zond Gert terug naar het "Uilennest" met de boodschap aan Martha,

dat ze gerust kon zijn, want dat hij zelf naar het dorp zou gaan om

te zien waar Hannes Klinge vertoefde. De toedracht der zaak goed

overleggende, begaf de schaapherder zich regelrecht naar de

dorpsherberg. Het rumoer van het losbrekend gevecht wees hem den weg,

en hij kwam ter rechter tijd, een seconde later, en waarschijnlijk

was er een doode of doodelijk gewonde in den "Zwarten Arend"

gevallen.

Doch met Gods hulp was het hem gelukt den storm te doen bedaren en

waarschijnlijk zou er niet gemakkelijk iemand gevonden zijn, die

grooter invloed uitoefende dan deze man.

In het gansche dorp stond Olbert de schaapherder bekend om zijn

oprechte godsvrucht, en zijn groote ervaring op het gebied van

landbouw en veeteelt. Bij alle belangrijke dingen won men zijn raad

in, en niemand klopte tevergeefs bij hem aan.

Voor de armen een helper in den nood en voor den rijke een

onpartijdige raadsman, was hij bij alle weldenkende lieden in het

dorp geacht en bemind, waarbij nog een soort van bijgeloovige vrees

kwam, als zou de schaapherder over geheimzinnige krachten en gaven

kunnen beschikken.

Het is vreemd, zoo stil als het wordt in de straks nog zoo rumoerige

herberg. Sijmen loopt op Olbert toe en drukt den schaapherder

hartelijk de hand.

"God zij gedankt," zegt de ruwe ossenkooper, "dat je zoo kloek

tusschenbeiden kwaamt, want zoo waar ik leef, er zou een moord

gepleegd zijn, en niemand zou het hebben kunnen beletten! Die wilde

jager heeft den duivel in het lijf als men hem boos maakt, en nooit

zal ik vergeten hoe hij over die tafel sprong, met het mes in de

vuist en zijn honden achter hem aan. Gerrit Dubbe," vervolgt Sijmen,

"je moogt Olbert den schaapherder ook wel bedanken, want die heeft je

leven gered. Jij hebt dezen twist gezocht en zonder de hulp van

Olbert zou de jager je het mes door het lichaam gejaagd, en zijn

honden je verscheurd hebben."

"Neen, Sijmen, neen," zegt de eenarm, "niet mij komt dank toe, maar

Hem, die mij hierheen zond ter rechter tijd. Die niet wilde dat jij,

Gerrit Dubbe, zoudt sterven in je zonden. Hij geeft je nog tijd je af

te wenden van je zondige wegen.

Het Uilennest · 第 18 / 28 题