Er is een schaduw gevallen op het gelukkig huiselijk leven van de
bewoners van het "Uilennest". Hannes Klinge is stiller dan gewoonlijk
en het zingen gaat hem niet van harte, want de wraakzucht woelt
daarbinnen in zijn gemoed, en waar de duivel van den haat heeft
postgevat, daar verdwijnen vroolijkheid en levenslust.
Wat Van Gulven hem persoonlijk had aangedaan, had hij nog kunnen
verdragen, maar dat deze zijn vrouw zoo smadelijk had behandeld, dat
zou den rijken boer berouwen.
Verschillende wraakplannen had Hannes reeds beraamd, doch ook even
spoedig weer verworpen, want op den achtergrond van al deze plannen
grijnsde hem de gevangenis tegen.
Ook Martha was veranderd, en was er voorheen wel eens een twistwoord
tusschen de beide echtgenooten gewisseld, dan was het toch nooit van
beteekenis geweest, en gewoonlijk eindigde het krakeel in een grap,
waar zoowel Martha als Hannes om lachten.
Doch thans was dat anders, want hoewel Martha het haar vader niet
vergeven kon, wilde zij toch niet, dat Hannes wraak nam voor het
leed, dat Van Gulven haar had aangedaan op den sterfdag harer moeder,
en zij verlangde van Hannes, dat deze geen woord zou reppen van de
ongelukkige geschiedenis. Doch tegen zijn gewoonte bleef de jager
halsstarrig bij zijn plan, om Van Gulven tenminste zijn meening te
zeggen over diens onwaardig gedrag.
Verwijtingen en tranen van de vrouw, toornige en ruwe woorden van den
man waren het gevolg van een en ander, en een schaduw verdonkerde het
eens zoo zonnige geluk van Hannes Klinge en de zijnen.
't Is Vrijdagavond, en donker, somber Novemberweer. In den namiddag
heeft het geregend, doch nu is 't droog, hoewel de rieten daken der
boerenhoeven in het dorp H. nog aanhoudend druipen en de windvlagen
de modderplassen in de hobbelige dorpsstraat doen rimpelen.
Van straatverlichting was in den tijd, waarin ons verhaal speelt, nog
volstrekt geen sprake, maar toch is aan een huis in de kom van het
dorp een lantaarn met een eindje vetkaars er in aan den muur
bevestigd.
Het bedoelde huis is de dorpsherberg, en het flikkerend, bevend
kaarslicht beschijnt een verroest uithangbord, waarop een zwarte
vogel geschilderd is met uitgespreide vlerken.
Het onderschrift verklaart ons den naam van den vogel en tevens dien
van de herberg. "In den zwarten Arend" staat er met vergulde letters
onder den vogel, en de kastelein oefent behalve zijn gewoon bedrijf
ook dat van barbier uit. Het is nog vroeg in den avond, en in de
ruime gelagkamer is nog niemand aanwezig dan Govert Kemp, de
kastelein, die alvast de kruiken bier gereed zet en de lange Goudsche
pijpen in het rekje schikt. De dikke, gemoedelijke herbergier weet
precies welke gasten er iederen avond te wachten zijn, en 's
Vrijdagsavonds dan komen zijn aanzienlijkste klanten!
Het is de avond, waarop de vlasboeren van het dorp zich laten
scheren, hun lange pijpen rooken en hun kruiken bier drinken.
Het kan er soms al te levendig toegaan in den "Zwarten Arend", als
het zware bier den boeren naar het hoofd stijgt en de anders nogal
dikke tongen losmaakt. Juist is baas Kemp met zijn voorbereidende
werkzaamheden klaargekomen, als de buitendeur opengaat en de kloeke
gestalte van een man binnenstapt, op den voet gevolgd door twee
langharige jachthonden.
Zooals hij daar staat, is hij een toonbeeld van mannelijke kracht en
gezondheid.
De regendroppels glinsteren nog op de muts van ottervel en in den
blonden baard, die het gebruinde gelaat voor een groot deel bedekt.
"Goeden avond, Govert Kemp," klinkt het op helderen toon; "echt
Novemberweer, maar toch zit er vorst in de lucht als ik mij niet
vergis, geloof je dat ook niet?"
"Zoo Hannes Klinge, ben je daar ook eens?" is de eenigszins
verwonderde vraag van den kastelein, want Hannes, die vroeger nogal
dikwijls de herberg van Govert Kemp placht te bezoeken, was er sinds
langen tijd niet geweest.
"Och," zegt de jager, terwijl hij zich in een der halfdonkere hoeken
op een stoel zet, "wat zal ik je zeggen. Mij laten scheren is niet
meer noodig, want ik laat alles maar groeien, en op het "Uilennest"
vind ik alles waar ik behagen in schep. Dus waarom zou ik naar het
dorp komen als ik er niet noodig heb? Maar thans moest ik bij den
vischhandelaar zijn, dus ik dacht zoo: ik ga baas Kemp nog eens
opzoeken in den "Zwarten Arend". Mogelijk ontmoet ik er wel oude
kennissen, met wie ik dan eens een hartig woordje wisselen kan."
Eenigszins onrustig ziet de kastelein zijn bezoeker aan; de jager
heeft iets in zijn blik, dat Govert Kemp niet bevalt, ondanks de op
schertsender toon gesproken woorden.
"Ja," zegt Kemp, "oude kennissen zul je hier van avond wel ontmoeten,
maar of het kennissen zijn, die je naar den zin zullen wezen, dat
betwijfel ik sterk, Hannes Klinge; want 's Vrijdagsavonds komen hier
de boeren van het dorp om zich te laten scheren en een kruik bier te
drinken, en . . . en . . . ik dacht zoo, hm . . . dat wil
zeggen . . ."
"Dat wil zeggen," valt de jager den kastelein ruw in de rede, "dat
wil zeggen, dat je liever hadt dat ik opkraste, voordat je rijke
klanten binnenkomen, want er zijn er onder, die Hannes Klinge liever
niet zien. Maar ik blijf je toch nog een poosje gezelschap houden.
Geef mij een glas brandewijn."
Govert Kemp schenkt den brandewijn uit een dikbuikige karaf, en als
hij den jager het glas overreikt, dan wenscht hij van harte, dat
Hannes goed en wel in het "Uilennest" zat. Bij ondervinding weet de
kastelein, hoe gevaarlijk het sterke vocht is voor mannen, in wier
hart de wraakzucht gloeit, en op een dorp als H. kennen de menschen
elkanders omstandigheden veel te goed, dan dat er bij den kastelein
uit den "Zwarten Arend" de minste twijfel zou bestaan of Hannes
Klinge is met een opzettelijk plan naar hier gekomen. Govert Kemp
beeft voor de mogelijke gevolgen van een twist tusschen den
vermeteler jager en den trotschen, verwaten Van Gulven.
In het dorp was het ruchtbaar geworden, dat de boer van "Zorgwijk"
zijn eenig kind den toegang geweigerd had tot het sterfbed harer
moeder, en de verontwaardiging was algemeen geweest.
Men sprak er schande van, en men riep er wraak over, doch--achter den
rug van Barend van Gulven, en inmiddels haastte men zich om den
rijken boer zijne deelneming te betuigen in het smartelijk verlies,
dat hem trof door den dood zijner vrouw.
Toch waren er wel op het dorp, die hem onomwonden hunne afkeuring
over zijn gedrag deden gevoelen, en één dezer was de predikant van
het dorp.
Met diepen ernst en zonder omwegen had de leeraar hem gewezen op het
goddelooze zijner handelwijze, doch het had slechts dit ten gevolge,
dat Van Gulven hem de deur wees en niet meer ter kerke kwam.
Een half uur ongeveer had Hannes Klinge in de herberg vertoefd, toen
van lieverlede de gasten begonnen te komen.
Vreemd kijken de boeren op, als ze den jager met zijn beide honden in
dien duisteren hoek zien zitten, maar niemand knoopt een gesprek met
hem aan. De binnenkomenden gaan bij elkaar zitten aan de groote
langwerpig vierkante tafel bij de schouw, en zijn spoedig in druk
gesprek gewikkeld over den prijs van het vlas, over de lage markt der
winteraardappelen en dergelijke onderwerpen.
Daar komt weer iemand binnen, die met zulk een kracht de deur achter
zich toetrekt, dat de glaasjes in het oude buffet rammelen.
"Goeden avond samen," zoo klinkt zijn zware stem door de gelagkamer.
"Wie te drommel zit daar ginds in dien hoek met zijn honden alleen?
Ha," vervolgt de man, "ben jij het, Hannes Klinge? Durf je je mooie
Martha zoo alleen laten in 't "Uilennest"? Je komt toch je prachtigen
baard niet laten afscheren? Dat moet je niet doen, mijn jongen, er
zitten hier al genoeg met gladgeschrapte vollemaansgezichten of
oudewijventronies.