HOOFDSTUK XII.

Er is een schaduw gevallen op het gelukkig huiselijk leven van de

bewoners van het "Uilennest". Hannes Klinge is stiller dan gewoonlijk

en het zingen gaat hem niet van harte, want de wraakzucht woelt

daarbinnen in zijn gemoed, en waar de duivel van den haat heeft

postgevat, daar verdwijnen vroolijkheid en levenslust.

Wat Van Gulven hem persoonlijk had aangedaan, had hij nog kunnen

verdragen, maar dat deze zijn vrouw zoo smadelijk had behandeld, dat

zou den rijken boer berouwen.

Verschillende wraakplannen had Hannes reeds beraamd, doch ook even

spoedig weer verworpen, want op den achtergrond van al deze plannen

grijnsde hem de gevangenis tegen.

Ook Martha was veranderd, en was er voorheen wel eens een twistwoord

tusschen de beide echtgenooten gewisseld, dan was het toch nooit van

beteekenis geweest, en gewoonlijk eindigde het krakeel in een grap,

waar zoowel Martha als Hannes om lachten.

Doch thans was dat anders, want hoewel Martha het haar vader niet

vergeven kon, wilde zij toch niet, dat Hannes wraak nam voor het

leed, dat Van Gulven haar had aangedaan op den sterfdag harer moeder,

en zij verlangde van Hannes, dat deze geen woord zou reppen van de

ongelukkige geschiedenis. Doch tegen zijn gewoonte bleef de jager

halsstarrig bij zijn plan, om Van Gulven tenminste zijn meening te

zeggen over diens onwaardig gedrag.

Verwijtingen en tranen van de vrouw, toornige en ruwe woorden van den

man waren het gevolg van een en ander, en een schaduw verdonkerde het

eens zoo zonnige geluk van Hannes Klinge en de zijnen.

't Is Vrijdagavond, en donker, somber Novemberweer. In den namiddag

heeft het geregend, doch nu is 't droog, hoewel de rieten daken der

boerenhoeven in het dorp H. nog aanhoudend druipen en de windvlagen

de modderplassen in de hobbelige dorpsstraat doen rimpelen.

Van straatverlichting was in den tijd, waarin ons verhaal speelt, nog

volstrekt geen sprake, maar toch is aan een huis in de kom van het

dorp een lantaarn met een eindje vetkaars er in aan den muur

bevestigd.

Het bedoelde huis is de dorpsherberg, en het flikkerend, bevend

kaarslicht beschijnt een verroest uithangbord, waarop een zwarte

vogel geschilderd is met uitgespreide vlerken.

Het onderschrift verklaart ons den naam van den vogel en tevens dien

van de herberg. "In den zwarten Arend" staat er met vergulde letters

onder den vogel, en de kastelein oefent behalve zijn gewoon bedrijf

ook dat van barbier uit. Het is nog vroeg in den avond, en in de

ruime gelagkamer is nog niemand aanwezig dan Govert Kemp, de

kastelein, die alvast de kruiken bier gereed zet en de lange Goudsche

pijpen in het rekje schikt. De dikke, gemoedelijke herbergier weet

precies welke gasten er iederen avond te wachten zijn, en 's

Vrijdagsavonds dan komen zijn aanzienlijkste klanten!

Het is de avond, waarop de vlasboeren van het dorp zich laten

scheren, hun lange pijpen rooken en hun kruiken bier drinken.

Het kan er soms al te levendig toegaan in den "Zwarten Arend", als

het zware bier den boeren naar het hoofd stijgt en de anders nogal

dikke tongen losmaakt. Juist is baas Kemp met zijn voorbereidende

werkzaamheden klaargekomen, als de buitendeur opengaat en de kloeke

gestalte van een man binnenstapt, op den voet gevolgd door twee

langharige jachthonden.

Zooals hij daar staat, is hij een toonbeeld van mannelijke kracht en

gezondheid.

De regendroppels glinsteren nog op de muts van ottervel en in den

blonden baard, die het gebruinde gelaat voor een groot deel bedekt.

"Goeden avond, Govert Kemp," klinkt het op helderen toon; "echt

Novemberweer, maar toch zit er vorst in de lucht als ik mij niet

vergis, geloof je dat ook niet?"

"Zoo Hannes Klinge, ben je daar ook eens?" is de eenigszins

verwonderde vraag van den kastelein, want Hannes, die vroeger nogal

dikwijls de herberg van Govert Kemp placht te bezoeken, was er sinds

langen tijd niet geweest.

"Och," zegt de jager, terwijl hij zich in een der halfdonkere hoeken

op een stoel zet, "wat zal ik je zeggen. Mij laten scheren is niet

meer noodig, want ik laat alles maar groeien, en op het "Uilennest"

vind ik alles waar ik behagen in schep. Dus waarom zou ik naar het

dorp komen als ik er niet noodig heb? Maar thans moest ik bij den

vischhandelaar zijn, dus ik dacht zoo: ik ga baas Kemp nog eens

opzoeken in den "Zwarten Arend". Mogelijk ontmoet ik er wel oude

kennissen, met wie ik dan eens een hartig woordje wisselen kan."

Eenigszins onrustig ziet de kastelein zijn bezoeker aan; de jager

heeft iets in zijn blik, dat Govert Kemp niet bevalt, ondanks de op

schertsender toon gesproken woorden.

"Ja," zegt Kemp, "oude kennissen zul je hier van avond wel ontmoeten,

maar of het kennissen zijn, die je naar den zin zullen wezen, dat

betwijfel ik sterk, Hannes Klinge; want 's Vrijdagsavonds komen hier

de boeren van het dorp om zich te laten scheren en een kruik bier te

drinken, en . . . en . . . ik dacht zoo, hm . . . dat wil

zeggen . . ."

"Dat wil zeggen," valt de jager den kastelein ruw in de rede, "dat

wil zeggen, dat je liever hadt dat ik opkraste, voordat je rijke

klanten binnenkomen, want er zijn er onder, die Hannes Klinge liever

niet zien. Maar ik blijf je toch nog een poosje gezelschap houden.

Geef mij een glas brandewijn."

Govert Kemp schenkt den brandewijn uit een dikbuikige karaf, en als

hij den jager het glas overreikt, dan wenscht hij van harte, dat

Hannes goed en wel in het "Uilennest" zat. Bij ondervinding weet de

kastelein, hoe gevaarlijk het sterke vocht is voor mannen, in wier

hart de wraakzucht gloeit, en op een dorp als H. kennen de menschen

elkanders omstandigheden veel te goed, dan dat er bij den kastelein

uit den "Zwarten Arend" de minste twijfel zou bestaan of Hannes

Klinge is met een opzettelijk plan naar hier gekomen. Govert Kemp

beeft voor de mogelijke gevolgen van een twist tusschen den

vermeteler jager en den trotschen, verwaten Van Gulven.

In het dorp was het ruchtbaar geworden, dat de boer van "Zorgwijk"

zijn eenig kind den toegang geweigerd had tot het sterfbed harer

moeder, en de verontwaardiging was algemeen geweest.

Men sprak er schande van, en men riep er wraak over, doch--achter den

rug van Barend van Gulven, en inmiddels haastte men zich om den

rijken boer zijne deelneming te betuigen in het smartelijk verlies,

dat hem trof door den dood zijner vrouw.

Toch waren er wel op het dorp, die hem onomwonden hunne afkeuring

over zijn gedrag deden gevoelen, en één dezer was de predikant van

het dorp.

Met diepen ernst en zonder omwegen had de leeraar hem gewezen op het

goddelooze zijner handelwijze, doch het had slechts dit ten gevolge,

dat Van Gulven hem de deur wees en niet meer ter kerke kwam.

Een half uur ongeveer had Hannes Klinge in de herberg vertoefd, toen

van lieverlede de gasten begonnen te komen.

Vreemd kijken de boeren op, als ze den jager met zijn beide honden in

dien duisteren hoek zien zitten, maar niemand knoopt een gesprek met

hem aan. De binnenkomenden gaan bij elkaar zitten aan de groote

langwerpig vierkante tafel bij de schouw, en zijn spoedig in druk

gesprek gewikkeld over den prijs van het vlas, over de lage markt der

winteraardappelen en dergelijke onderwerpen.

Daar komt weer iemand binnen, die met zulk een kracht de deur achter

zich toetrekt, dat de glaasjes in het oude buffet rammelen.

"Goeden avond samen," zoo klinkt zijn zware stem door de gelagkamer.

"Wie te drommel zit daar ginds in dien hoek met zijn honden alleen?

Ha," vervolgt de man, "ben jij het, Hannes Klinge? Durf je je mooie

Martha zoo alleen laten in 't "Uilennest"? Je komt toch je prachtigen

baard niet laten afscheren? Dat moet je niet doen, mijn jongen, er

zitten hier al genoeg met gladgeschrapte vollemaansgezichten of

oudewijventronies.

Het Uilennest · 第 17 / 28 题