HOOFDSTUK XI.

Hannes Klinge zit intusschen met eenige onrust in het hart bij zijn

kinderen in 't "Uilennest". Reeds geruimen tijd geleden is Martha

naar het dorp vertrokken, en Hannes weet niet, wanneer zij terug zal

komen, en hij kort den tijd met netten knoopen, waaraan Gerard zijn

vader trouw helpt. De kleine blonde Lize voert een gesprek met de

beide jachthonden, waarvan er een zijn ruigen kop op de knie van het

kind heeft gelegd, terwijl de andere gedurig tegen haar opspringt.

"Schei toch uit, Turk!" roept Lize, "en houd je rustig zooals Tromp,

terwijl ik je wat vertel!" en de kleine meid vervolgt haar verhaal,

telkens lastig gevallen door Turk, die geregeld zijn plagerijen

voortzet.

Hannes moet ondanks zijn onrust toch lachen, en zijn net neerwerpend,

zegt hij: "Kom Gert, wij zullen er maar mee eindigen, want het wordt

voor Lieske tijd om te gaan slapen. En jij moest ook maar gaan, dan

mag je morgenochtend vroeg met mij mee om palingfleuren te gaan

lichten. Wat zeg je daarvan, Gert?"

Gert zei niet veel, maar zijn zwarte oogen glinsteren en verraden.

duidelijk genoeg, dat het voorstel hem best naar den zin is.

Niets deed de jongen liever dan met zijn vader medegaan en dezen

behulpzaam zijn in de uitoefening van zijn beroep. Met

hartstochtelijke liefde hing Gerard zijn vader aan, en niets maakte

hem gelukkiger dan samen op den Davel om te zwerven in de boot.

Reikhalzend wachtte hij den tijd af, dat hij de school zou kunnen

verlaten, en als hij dan vader een paar jaar zou hebben vergezeld bij

jacht en vischvangst, dan zou deze het kleine geweer voor hem in orde

maken, en dat was het toppunt zijner wenschen. Gerard helpt de

kleine Lize bij het ontkleeden, nu moeder er niet is, en als de

kleine voor haar bedje knielt en haar kinderlijk gebed uitspreekt,

dan ontroert de ruwe jager, zonder dat hij zich rekenschap kan geven

waarom. Hij tilt het blondkopje op en drukt haar aan zijn hart.

"Vader," zegt de kleine, "u bidt toch zeker ook voor u gaat slapen,

nietwaar? Want oom Olbert vertelt mij zoo mooi van den goeden God,

die ons alles geeft wat wij behoeven en altijd voor ons zorgt en

waakt, maar dan moeten ook alle menschen Hem dankbaar zijn en bidden.

Vader," vervolgt het kind, en de onschuldige blauwe kinderoogen zien

den man ernstig aan, "Vader, waarom vertelt u mij nooit van God en

van de engelen in den Hemel, zooals oom Olbert dat doet?"

"Je moet nu gaan slapen, Lieske," antwoordt Hannes. "Gert is ook

gereed, en Tromp en Turk kruipen ook in hun hoekje, zie je wel?"

Hannes legt zijn kind in haar bedje en dekt haar zorgvuldig toe; en

als ook Gerard zich ter ruste heeft gelegd, wordt het stil, doodstil

in de oude jagershut.

Strak voor zich uitsturend zit Hannes op zijn stoel, en de woorden.

van zijn kind, in onnoozelheid gesproken, trillen na in het hart van

den vader. Heeft het kind bij toeval gevraagd: "Vader, bidt u ook

voor u gaat slapen?" Of is er dan werkelijk een hoogere macht, die

zijn kind die woorden deed spreken?

Nooit heeft hij ernstig over deze dingen gedacht, en hoewel hij

nimmer een vloeker of spotter was, zijn vroolijke, lichtzinnige

levensopvatting deed hem toch altijd twijfelen en verwerpen.

Het leven als boerenknecht en soldaat, dat hij geleid had eer hij bij

Van Gulven kwam, was niet erg geschikt geweest om den jongeling op te

voeden in het licht van het Evangelie, en bij Van Gulven nam men het

ook zoo nauw niet, want al ging de boer ook trouw ter kerke en al

vorderde hij zulks ook van zijn huisgenooten, Hannes wist veel te

goed, dat het hart van den boer geen deel had aan zijn vertoon van

godsvrucht.

Toen was hij in aanraking gekomen met den schaapherder; in hem had

hij voor het eerst een man ontmoet, voor wiens godsdienstig gevoel

hij eerbied had.

Maar bij dien eerbied kwam toch steeds de gedachte, dat de man, wiens

jeugd was voorbijgegaan te midden van de gruwelen des oorlogs, van

het eene uiterste tot het andere was overgeslagen, met andere

woorden, Hannes Klinge beschouwde Olbert den eenarm als een vromen

dweper, die, als hij Roomsch geweest was, zijn leven zou hebben

versleten tusschen de muren eener kloostercel, om met vasten en

bidden boete te doen voor de zonden zijner jeugd. En Krijn Vermeeren?

Zeker, dat was een vroom en eenvoudig man en Hannes had hem liefgehad

als een goed zoon zijn vader, maar was dat geen man geweest, die van

een gelukkig gezin alleen overbleef, als een ontredderd schip op de

levenszee? Die, toen alles hem ontviel wat hij liefhad, niets meer

van de wereld daarbuiten wilde weten, en zich geheel terugtrok in de

eenzaamheid? Wiens hart zich afwendde van alles wat hem vroeger

toelokte, en die zijn troost zocht en vond in het ongeziene en

geheimzinnige, dat volgens Hannes zooveel reden overliet tot twijfel.

En toch, wat staat die heldere Zondagmorgen hem weer klaar voor den

geest, die Zondagmorgen, waarop de oude jager is gestorven, en nu in

dit stille avonduur is het hem als hoort hij weer den stervende

stamelen: "Hannes, zul je den ouden man niet vergeten en zul je mijn

bijbel gebruiken?" En daarna: "O, Hannes, moge uw stervensuur zijn

zooals het mijne."

Neen, vergeten zou hij Krijn Vermeeren niet; maar, den ouden bijbel

gebruiken, dat deed Hannes toch niet veel. Martha had het altijd zoo

druk met hare huiselijke bezigheden en zorgen, dat er voor

bijbellezen geen tijd kon overschieten, en daarom bleef het woord van

God in het "Uilennest" een gesloten boek. "Moge uw sterfbed zijn als

het mijne," had de oude jager gezegd, en deze gedachte verontrustte

Hannes in dit oogenblik, want Krijn Vermeeren was gestorven in het

onwankelbaar geloof aan God en zijn Woord, en hoe zou het hem gaan

indien zijn ure kwam?

Buiten krasten de uilen in de oude boomen, en Hannes wordt onrustig.

Waar Martha toch zoo lang blijft? Hij staat op en gaat naar buiten.

Wat is het donker en kil, en hoe wild jagen de donkere wolken langs

het zwerk. Ik wilde wel, dat Martha al thuis was, want wie zal haar

vergezellen op den langen, donkeren weg langs den Davel, als ze

huiswaarts keert. Wacht, daar schiet den jager iets te binnen. Hij

fluit, kort en scherp, en, dadelijk staan de beide honden voor hem.

Hij klopt ze op den kop, en zegt dan op bevelenden toon: "Tromp,

Turk, het is verloren, zoek de vrouw," nog eens herhaalt hij: "Zoek

de vrouw, het is verloren;" dan snellen de jachthonden het donkere

pad op, al snuivend met de koppen dicht langs den grond.

Hannes gaat weer naar binnen, terwijl hij mompelt: "Ik wou dat Martha

maar weer thuis was." Hij zet zich op zijn oude plaats, en weer moet

hij denken aan de woorden van zijn kleine Lize: "Vader, bidt u wel

voor u gaat slapen?"

Hoe ernstig had zijn vroolijk klein blondkopje dat gevraagd; en in

den jager sprak een stem, die hem er op wees, dat hij slechts een der

twee wegen kon bewandelen: den weg des behouds, of het pad des

verderfs. Ook denkt hij aan het woord, dat de Heiland eens sprak:

"Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal

u ruste geven."

Ja, Olbert de eenarm en Krijn de jager, zij waren tot Hem gegaan,

toen zij vermoeid en beladen waren door tegenspoed, en zij hadden

rust gevonden. Rust voor hun ziel en steun en kracht op den

levensweg.

Nog geruimen tijd zit Hannes in gedachten verzonken, maar plotseling

staat hij op, als hondengeblaf tot hem doordringt, en, naderende

voetstappen de terugkomst aanduiden van de vrouw des huizes.

Hannes opent spoedig de deur en Martha treedt met haar honden binnen.

Zij ontdoet zich van haar zwart wollen doek. Dan laat ze zich op een

stoel neervallen naast Hannes en haar hoofd verbergend aan zijn

breede borst, weent zij bitter, terwijl snikken haar schoone,

krachtige gestalte doen schokken.

De jager laat haar geduldig uitschreien en vraagt eindelijk op

zachten toon:

"Is je lieve moeder gestorven, Martha? En ben je aan haar sterfbed

geweest? Kom, vertel mij eens alles; dat zal je smart verlichten."

De vrouw richt zich op en wischt haar tranen af. Nu eerst bemerkt

Hannes een trek van verbittering op haar gelaat, en weer vraagt hij:

"Kom Martha, vertel mij nu, hoe je het hebt gevonden op "Zorgwijk"."

Eindelijk vindt zij woorden, en nu vertelt ze onder hartstochtelijk

snikken, dat hare moeder reeds was gestorven, toen zij op "Zorgwijk"

was aangekomen. Zij spreekt van haar angst en aarzeling om te kloppen

aan de deur van haar ouderlijk huis. Zij vertelt, hoe haar hart

bonsde, toen ze den welbekenden stap van haar vader hoorde

weerklinken in de lange gang, en woordelijk verhaalt ze het gesprek

met haar vader; woordelijk, want dat gesprek bewaart zij bij

zichzelve maar al te duidelijk.

En als dan de jager hoort, hoe wreed en hardvochtig de rijke boer

zijn eenig kind verstiet, en haar den toegang weigerde tot het

doodsbed harer moeder, dan maakt een vreeselijke woede zich van

Hannes meester. Dreunend slaat zijn gespierde vuist op de tafel,

zoodat de honden opspringen in hun slaap, en de zwarte merel die in

een teenen kooi aan den wand hangt, angstig begint te fladderen. De

oude bijbel valt op den grond, maar Hannes slaat er geen acht op; de

goede voornemens, die hij daareven nog had, zij vervliegen als een

rookdamp voor dien storm van toorn, die daarbinnen woedt, in het hart

van den jager.

"Dat is een beleediging, die men de vrouw van Hannes Klinge niet

straffeloos aandoet," brulde de jager. "Barend van Gulven zal mij nog

nader leeren kennen, al moest ik er voor gehangen worden. Terwijl je

doode moeder boven de aarde staat, zal ik niets tegen hem ondernemen,

maar daarna, wee hem! Om mij, om mij alleen heeft hij je verstooten,

en dat wisten wij van te voren. Dat kan ik ook gemakkelijk dragen,

want ik begeer niets van hem, maar jou te behandelen als een

landloopster, zie, dat kan ik niet verkroppen, en dat zal ik hem

betaald zetten!"

Weenend tracht Martha den razenden man tot bedaren te brengen, want

hoewel niet spoedig vervaard, slaat haar nu toch de schrik om het

hart, en ze gevoelt, dat deze luchthartige, vroolijke, zorgelooze man

in zijn ontembare drift tot alles in staat is, en zij beeft, wanneer

zij er aan denkt, dat hij in zulk een opgewonden toestand vandaag of

morgen aan haar vader rekenschap zal vragen over hetgeen dezen

noodlottiger avond op "Zorgwijk" is voorgevallen.

Het Uilennest · 第 16 / 28 题