Hannes Klinge zit intusschen met eenige onrust in het hart bij zijn
kinderen in 't "Uilennest". Reeds geruimen tijd geleden is Martha
naar het dorp vertrokken, en Hannes weet niet, wanneer zij terug zal
komen, en hij kort den tijd met netten knoopen, waaraan Gerard zijn
vader trouw helpt. De kleine blonde Lize voert een gesprek met de
beide jachthonden, waarvan er een zijn ruigen kop op de knie van het
kind heeft gelegd, terwijl de andere gedurig tegen haar opspringt.
"Schei toch uit, Turk!" roept Lize, "en houd je rustig zooals Tromp,
terwijl ik je wat vertel!" en de kleine meid vervolgt haar verhaal,
telkens lastig gevallen door Turk, die geregeld zijn plagerijen
voortzet.
Hannes moet ondanks zijn onrust toch lachen, en zijn net neerwerpend,
zegt hij: "Kom Gert, wij zullen er maar mee eindigen, want het wordt
voor Lieske tijd om te gaan slapen. En jij moest ook maar gaan, dan
mag je morgenochtend vroeg met mij mee om palingfleuren te gaan
lichten. Wat zeg je daarvan, Gert?"
Gert zei niet veel, maar zijn zwarte oogen glinsteren en verraden.
duidelijk genoeg, dat het voorstel hem best naar den zin is.
Niets deed de jongen liever dan met zijn vader medegaan en dezen
behulpzaam zijn in de uitoefening van zijn beroep. Met
hartstochtelijke liefde hing Gerard zijn vader aan, en niets maakte
hem gelukkiger dan samen op den Davel om te zwerven in de boot.
Reikhalzend wachtte hij den tijd af, dat hij de school zou kunnen
verlaten, en als hij dan vader een paar jaar zou hebben vergezeld bij
jacht en vischvangst, dan zou deze het kleine geweer voor hem in orde
maken, en dat was het toppunt zijner wenschen. Gerard helpt de
kleine Lize bij het ontkleeden, nu moeder er niet is, en als de
kleine voor haar bedje knielt en haar kinderlijk gebed uitspreekt,
dan ontroert de ruwe jager, zonder dat hij zich rekenschap kan geven
waarom. Hij tilt het blondkopje op en drukt haar aan zijn hart.
"Vader," zegt de kleine, "u bidt toch zeker ook voor u gaat slapen,
nietwaar? Want oom Olbert vertelt mij zoo mooi van den goeden God,
die ons alles geeft wat wij behoeven en altijd voor ons zorgt en
waakt, maar dan moeten ook alle menschen Hem dankbaar zijn en bidden.
Vader," vervolgt het kind, en de onschuldige blauwe kinderoogen zien
den man ernstig aan, "Vader, waarom vertelt u mij nooit van God en
van de engelen in den Hemel, zooals oom Olbert dat doet?"
"Je moet nu gaan slapen, Lieske," antwoordt Hannes. "Gert is ook
gereed, en Tromp en Turk kruipen ook in hun hoekje, zie je wel?"
Hannes legt zijn kind in haar bedje en dekt haar zorgvuldig toe; en
als ook Gerard zich ter ruste heeft gelegd, wordt het stil, doodstil
in de oude jagershut.
Strak voor zich uitsturend zit Hannes op zijn stoel, en de woorden.
van zijn kind, in onnoozelheid gesproken, trillen na in het hart van
den vader. Heeft het kind bij toeval gevraagd: "Vader, bidt u ook
voor u gaat slapen?" Of is er dan werkelijk een hoogere macht, die
zijn kind die woorden deed spreken?
Nooit heeft hij ernstig over deze dingen gedacht, en hoewel hij
nimmer een vloeker of spotter was, zijn vroolijke, lichtzinnige
levensopvatting deed hem toch altijd twijfelen en verwerpen.
Het leven als boerenknecht en soldaat, dat hij geleid had eer hij bij
Van Gulven kwam, was niet erg geschikt geweest om den jongeling op te
voeden in het licht van het Evangelie, en bij Van Gulven nam men het
ook zoo nauw niet, want al ging de boer ook trouw ter kerke en al
vorderde hij zulks ook van zijn huisgenooten, Hannes wist veel te
goed, dat het hart van den boer geen deel had aan zijn vertoon van
godsvrucht.
Toen was hij in aanraking gekomen met den schaapherder; in hem had
hij voor het eerst een man ontmoet, voor wiens godsdienstig gevoel
hij eerbied had.
Maar bij dien eerbied kwam toch steeds de gedachte, dat de man, wiens
jeugd was voorbijgegaan te midden van de gruwelen des oorlogs, van
het eene uiterste tot het andere was overgeslagen, met andere
woorden, Hannes Klinge beschouwde Olbert den eenarm als een vromen
dweper, die, als hij Roomsch geweest was, zijn leven zou hebben
versleten tusschen de muren eener kloostercel, om met vasten en
bidden boete te doen voor de zonden zijner jeugd. En Krijn Vermeeren?
Zeker, dat was een vroom en eenvoudig man en Hannes had hem liefgehad
als een goed zoon zijn vader, maar was dat geen man geweest, die van
een gelukkig gezin alleen overbleef, als een ontredderd schip op de
levenszee? Die, toen alles hem ontviel wat hij liefhad, niets meer
van de wereld daarbuiten wilde weten, en zich geheel terugtrok in de
eenzaamheid? Wiens hart zich afwendde van alles wat hem vroeger
toelokte, en die zijn troost zocht en vond in het ongeziene en
geheimzinnige, dat volgens Hannes zooveel reden overliet tot twijfel.
En toch, wat staat die heldere Zondagmorgen hem weer klaar voor den
geest, die Zondagmorgen, waarop de oude jager is gestorven, en nu in
dit stille avonduur is het hem als hoort hij weer den stervende
stamelen: "Hannes, zul je den ouden man niet vergeten en zul je mijn
bijbel gebruiken?" En daarna: "O, Hannes, moge uw stervensuur zijn
zooals het mijne."
Neen, vergeten zou hij Krijn Vermeeren niet; maar, den ouden bijbel
gebruiken, dat deed Hannes toch niet veel. Martha had het altijd zoo
druk met hare huiselijke bezigheden en zorgen, dat er voor
bijbellezen geen tijd kon overschieten, en daarom bleef het woord van
God in het "Uilennest" een gesloten boek. "Moge uw sterfbed zijn als
het mijne," had de oude jager gezegd, en deze gedachte verontrustte
Hannes in dit oogenblik, want Krijn Vermeeren was gestorven in het
onwankelbaar geloof aan God en zijn Woord, en hoe zou het hem gaan
indien zijn ure kwam?
Buiten krasten de uilen in de oude boomen, en Hannes wordt onrustig.
Waar Martha toch zoo lang blijft? Hij staat op en gaat naar buiten.
Wat is het donker en kil, en hoe wild jagen de donkere wolken langs
het zwerk. Ik wilde wel, dat Martha al thuis was, want wie zal haar
vergezellen op den langen, donkeren weg langs den Davel, als ze
huiswaarts keert. Wacht, daar schiet den jager iets te binnen. Hij
fluit, kort en scherp, en, dadelijk staan de beide honden voor hem.
Hij klopt ze op den kop, en zegt dan op bevelenden toon: "Tromp,
Turk, het is verloren, zoek de vrouw," nog eens herhaalt hij: "Zoek
de vrouw, het is verloren;" dan snellen de jachthonden het donkere
pad op, al snuivend met de koppen dicht langs den grond.
Hannes gaat weer naar binnen, terwijl hij mompelt: "Ik wou dat Martha
maar weer thuis was." Hij zet zich op zijn oude plaats, en weer moet
hij denken aan de woorden van zijn kleine Lize: "Vader, bidt u wel
voor u gaat slapen?"
Hoe ernstig had zijn vroolijk klein blondkopje dat gevraagd; en in
den jager sprak een stem, die hem er op wees, dat hij slechts een der
twee wegen kon bewandelen: den weg des behouds, of het pad des
verderfs. Ook denkt hij aan het woord, dat de Heiland eens sprak:
"Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal
u ruste geven."
Ja, Olbert de eenarm en Krijn de jager, zij waren tot Hem gegaan,
toen zij vermoeid en beladen waren door tegenspoed, en zij hadden
rust gevonden. Rust voor hun ziel en steun en kracht op den
levensweg.
Nog geruimen tijd zit Hannes in gedachten verzonken, maar plotseling
staat hij op, als hondengeblaf tot hem doordringt, en, naderende
voetstappen de terugkomst aanduiden van de vrouw des huizes.
Hannes opent spoedig de deur en Martha treedt met haar honden binnen.
Zij ontdoet zich van haar zwart wollen doek. Dan laat ze zich op een
stoel neervallen naast Hannes en haar hoofd verbergend aan zijn
breede borst, weent zij bitter, terwijl snikken haar schoone,
krachtige gestalte doen schokken.
De jager laat haar geduldig uitschreien en vraagt eindelijk op
zachten toon:
"Is je lieve moeder gestorven, Martha? En ben je aan haar sterfbed
geweest? Kom, vertel mij eens alles; dat zal je smart verlichten."
De vrouw richt zich op en wischt haar tranen af. Nu eerst bemerkt
Hannes een trek van verbittering op haar gelaat, en weer vraagt hij:
"Kom Martha, vertel mij nu, hoe je het hebt gevonden op "Zorgwijk"."
Eindelijk vindt zij woorden, en nu vertelt ze onder hartstochtelijk
snikken, dat hare moeder reeds was gestorven, toen zij op "Zorgwijk"
was aangekomen. Zij spreekt van haar angst en aarzeling om te kloppen
aan de deur van haar ouderlijk huis. Zij vertelt, hoe haar hart
bonsde, toen ze den welbekenden stap van haar vader hoorde
weerklinken in de lange gang, en woordelijk verhaalt ze het gesprek
met haar vader; woordelijk, want dat gesprek bewaart zij bij
zichzelve maar al te duidelijk.
En als dan de jager hoort, hoe wreed en hardvochtig de rijke boer
zijn eenig kind verstiet, en haar den toegang weigerde tot het
doodsbed harer moeder, dan maakt een vreeselijke woede zich van
Hannes meester. Dreunend slaat zijn gespierde vuist op de tafel,
zoodat de honden opspringen in hun slaap, en de zwarte merel die in
een teenen kooi aan den wand hangt, angstig begint te fladderen. De
oude bijbel valt op den grond, maar Hannes slaat er geen acht op; de
goede voornemens, die hij daareven nog had, zij vervliegen als een
rookdamp voor dien storm van toorn, die daarbinnen woedt, in het hart
van den jager.
"Dat is een beleediging, die men de vrouw van Hannes Klinge niet
straffeloos aandoet," brulde de jager. "Barend van Gulven zal mij nog
nader leeren kennen, al moest ik er voor gehangen worden. Terwijl je
doode moeder boven de aarde staat, zal ik niets tegen hem ondernemen,
maar daarna, wee hem! Om mij, om mij alleen heeft hij je verstooten,
en dat wisten wij van te voren. Dat kan ik ook gemakkelijk dragen,
want ik begeer niets van hem, maar jou te behandelen als een
landloopster, zie, dat kan ik niet verkroppen, en dat zal ik hem
betaald zetten!"
Weenend tracht Martha den razenden man tot bedaren te brengen, want
hoewel niet spoedig vervaard, slaat haar nu toch de schrik om het
hart, en ze gevoelt, dat deze luchthartige, vroolijke, zorgelooze man
in zijn ontembare drift tot alles in staat is, en zij beeft, wanneer
zij er aan denkt, dat hij in zulk een opgewonden toestand vandaag of
morgen aan haar vader rekenschap zal vragen over hetgeen dezen
noodlottiger avond op "Zorgwijk" is voorgevallen.