Hannes kwam zelden in het dorp, maar als hij er kwam, gebeurde het
wel eens, dat hij Van Gulven tegenkwam, want in de nauwe dorpsstraat
kon men elkander niet ongemerkt voorbijloopen.
Dan werd het gelaat van den rijken boer donkerrood van drift en met
afgewenden blik liep hij den jager voorbij, die zich in zijn volle
lengte oprichtte, en met trotsch gelaat, in het volle besef zijner
onafhankelijkheid, den vader zijner vrouw voorbijliep.
In het begin had Martha wel eenige pogingen gedaan, om zich met hare
ouders te verzoenen, maar alles was afgestuit op de
onverzettelijkheid van Van Gulven, en Martha had spoedig de hoop
opgegeven het steenen hart van haar vader te vermurwen.
Toen stierf na een korte, doch hevige ziekte hare moeder, en toen
Martha kort voor den dood harer moeder van Olbert den schaapherder
vernam, dat hare moeder in zorgelijke omstandigheden verkeerde, ach
toen brak haar bijna het harte, want al had hare moeder zich nimmer
durven kanten tegen het despotisch karakter van haar man, ze had toch
haar dochter altijd innig liefgehad, en Martha besloot toegang te
vragen op "Zorgwijk".
In den laten herfstavond klopte zij aan de poort van de boerderij
aan. Ze was geheel alleen, want haar man kon haar niet vergezellen;
de kinderen waren nog te klein om in het "Uilennest" alleen
achtergelaten te worden. Wat was het stil op de hoeve; slechts het
zuchten van den wind door de boomen en het doffe loeien van een os in
den stal werd gehoord.
Hoe bonst en klopt haar hart, nu zij op de plek staat, waar zij als
kind heeft gespeeld, waar haar jong leven is voorbijgegaan in
zonneschijn en geluk. Nu staat ze voor de deur en durft niet zonder
kloppen binnen te gaan in haar ouderlijk huis.
Daar nadert iemand door de gang om op haar kloppen de deur te openen,
en zij kent dien tred; het is de zware pas van boer Van Gulven.
De deur gaat open, en het licht van de ganglantaarn valt op haar
angstig gelaat; met één oogopslag heeft de boer zijn dochter herkend.
Het is of zijn hooge gestalte nog langer wordt, en Martha merkt op,
hoe bleek zijn gelaatskleur is, en dat zijn oogen diep in de kassen
zijn gezonken.
Maar ach, hoe barsch en dreigend klinkt zijn stem als hij vraagt, of
liever haar toesnauwt:
"Wat wil je hier; wat zoek je?"
"Vader," zegt Martha, en de trotsche boerendochter vouwt smeekend de
handen, "vader, laat mij bij moeder. De menschen hebben me verteld,
dat ze zoo ziek is, ach, laat mij toch bij haar!"
Eén oogenblik aarzelt de boer, maar ook slechts een oogenblik. Dan
klinkt het dof van zijne lippen: "Mijne vrouw is een uur geleden
gestorven, dus ik blijf als een eenzaam man achter hier op de hoeve."
Onbeschrijfelijke bitterheid ligt er in de stem van den rijken boer,
maar de slag die hem trof doet geen enkele snaar van vaderliefde of
mededoogen trillen in zijn hardvochtig gemoed.
"Groote God," gilt Martha, "is moeder dood? Vader, laat mij door, ik
wil haar zien! Ik wil mijn moeder zien, dat moogt ge mij niet
beletten. Heb ik dan zulk een misdaad gepleegd, dat ik een man gehuwd
heb van nederigen stand? Een man met een eerlijk hart, maar zonder
geld? O vader, laat mij toch om Gods wil door, en ik zal, als gij het
niet wilt, geen voet meer op "Zorgwijk" zetten!"
Wie zal zeggen wat er omging in het hart van Van Gulven, toen zijn
eenig kind hem zoo smeekte bij het lijk van haar moeder te worden
toegelaten? God alleen peilt de donkere diepte van het menschelijk
hart, maar gekrenkte hoogmoed en grenzenlooze trots behaalden de
overwinning, en Martha ruw terugduwend, schreeuwt hij:
"Er uit! Ga naar dien vent daarginds aan den Davel, om wiens wil je
het leven van je ouders hebt vergald. Er uit!"
En met dreunenden slag valt de deur dicht en Martha hoort, dat de
zware ijzeren grendels er voor geschoven worden.
Als versuft staat ze tegen den deurpost geleund, en de koude
avondwind, die haar langs het voorhoofd strijkt, doet haar goed, want
het hamert en klopt daarbinnen als zou haar hoofd bersten.
Daar wordt een hand op haar arm gelegd, en een vriendelijke stem zegt
zacht:
"Martha, het is verschrikkelijk, zooals uw vader u behandelt. Ik heb
alles gehoord wat er gesproken is, maar gij kent hem; als hij eenmaal
beleedigd is, dan weet hij van vergeven noch vergeten; doch zijn
eenige dochter terugstooten, als zij smeekt om het lijk harer moeder
te zien, zie, dat is goddeloos en hij zal zijne straf niet ontgaan."
Het is Geertje, de meid van "Zorgwijk", die voor het zolderraam alles
gehoord heeft wat Van Gulven met zijn dochter sprak, en nu is ze stil
door de achterdeur naar buiten gegaan, en haar zachte, vriendelijke
stem doet de arme verstootene goed.
Geertje is een wees, en reeds als kind op "Zorgwijk" gekomen, want
Martha's moeder had medelijden met de hulpelooze kleine gehad, wier
ouders bijna gelijktijdig door de cholera werden weggerukt. Ze was
met Martha opgegroeid, en de rijke boerendochter had de arme wees
altijd zusterlijke liefde betoond. Zij was getuige geweest van
menigen huiselijken twist tusschen Martha en haar vader over Hannes
Klinge, en beefde Martha niet, Geertje beefde voor haar.
Zij was de steun en de troost van de boerin van "Zorgwijk" geweest,
toen Martha gehuwd was, en zij had gewaakt en haar opgepast tot het
stervensoogenblik toe, en als de zieke haar bang vragend aankeek in
een oogenblik van helder bewustzijn, dan had ze de arme moeder
toegefluisterd: "Ik zal het Martha doen weten, dat ge zoo ziek zijt,
en dan zal Martha komen, dat weet ik zeker."
Toen had Geertje Dirk den stalknecht gevraagd of hij geen kans zag
Olbert den eenarm op te dragen de tijding aan Martha te brengen, en
Dirk, die voor Geertje zijn leven zou gewaagd hebben, had een paard
uit de weide gehaald, en was spoorslags naar de Schaapskooi gereden,
waar hij den ouden soldaat dadelijk bereid vond aan zijn opdracht te
voldoen.
Dirk was ongemerkt teruggekomen, en dat was zijn geluk, want had de
boer van "Zorgwijk" geweten, dat de stalknecht zonder vragen een
paard had genomen voor het doel, waarvoor hij het had gebruikt,
zonder twijfel had hij Dirk weggejaagd.
En toch was Martha te laat gekomen, want terwijl Dirk wegreed,
strekte de dood reeds de koude hand naar zijn offer uit.
"Geertje," had de stervende vrouw gefluisterd, "Geertje, bid voor
mij; bid voor mijn Martha, en ook voor hem."
Met "hem" bedoelde de stervende vrouw haar man, die, toen hij het
woord "bidden" hoorde, zich over haar heen boog en vroeg of hij den
dominee zou laten halen, maar zij schudde het hoofd en murmelde:
"Geertje, ach, Geertje, bid voor ons." Toen had Geertje de handen
gevouwen en uit de diepte van haar kinderlijk vroom gemoed klom haar
gebed, om licht en hulpe voor de stervende, om steun op den levensweg
voor de afwezige dochter, om troost en bemoediging voor den
achterblijvenden man.
En terwijl dat gebed opklom tot den troon der genade, was boer Van
Gulven de kamer uitgegaan, want het kloppertje daarbinnen maakte het
hem zoo bang, en toen hij weer binnenkwam, lag de zieke rustig en
stil, doch het leven spoedde ten einde, en bijna onmerkbaar scheidde
de ziel zich van het stof.
Dat alles verhaalde Geertje met door tranen afgebroken stem aan
Martha, met wie zij een eindweegs meegewandeld was tot buiten de
poort van "Zorgwijk".
Zwijgend hoorde Martha haar aan, en slechts de jagende boezem en het
bleeke gelaat getuigden van de ontroering harer ziel, want geen traan
was in haar oog.
Daar naderde een jonge, forsche man; het was Dirk de stalknecht, en
terwijl hij aan de pet tikte voor de dochter van zijn baas, vroeg hij
op zachten toon, of hij haar wilde vergezellen naar het "Uilennest",
want de donkere weg langs den Davel was geen weg voor een vrouw
alleen om in den laten avond te bewandelen.
Doch Martha schudde beslist het hoofd, en zei: "Neen Dirk, je bent
een goede jongen, maar ik wil je niet in ongelegenheid brengen; als
je baas te weten kwam, dat je de vrouw van Hannes Klinge een dienst
bewezen hadt, dan was je denkelijk den langsten tijd op "Zorgwijk"
geweest."
Het hart van Geertje werd diep getroffen door den harden, bitteren
toon, waarop Martha die laatste woorden sprak, en zij begreep, dat
Van Gulven op dit oogenblik het hart van zijn eenig kind had
verloren, en indien God het niet verhoedde, verloren voor altijd.
"Dat durf ik wel wagen, vrouw Klinge," zegt Dirk. "Wat zou Hannes wel
van mij denken, als ik zijn vrouw in den laten avond alleen het
donkere onveilige pad naar het "Uilennest" liet gaan? Neen, daarvoor,
kent hij Dirk te goed."
Op dat oogenblik weerklonk een vroolijk geblaf en twee langharige
jachthonden drukten de ruige koppen tegen Martha aan.
Dirk en Geertje schrokken, en de stalknecht sloeg de hand aan zijn
mes, doch Martha schrok niet, want zij herkende de honden
oogenblikkelijk.
"Ziet ge, Dirk? Hier is voor mij reeds geleide genoeg en met hen ga
ik veilig naar huis.
De arme jager uit het "Uilennest" zendt mij zijn trouwe honden, om
mij veilig te voeren in zijn hut, want hij kan zelf niet komen, hij
durft onze kinderen niet alleen achterlaten.
Goddank, dat ik nog man en kinderen bezit, die ik liefheb en die mij
liefhebben, want ouders heb ik niet meer, die heb ik dezen dag beiden
verloren."
"Ach, Martha," zegt Geertje met zachte stem en tranen in de oogen
"ach, Martha, zoo moogt ge niet spreken. Uw goede moeder wilde dezen
middag in haar stervensure, dat ik ook zou bidden voor hem, voor uw
vader, en al heeft hij u zooeven hard en wreed behandeld, hij blijft
immers toch uw vader. Martha, bid den goeden God, dat hij uw hart
beware voor haat en verbittering, want dat kan tot niets anders
leiden dan tot wroeging en spot." De vrouw van den jager echter wees
met den vinger naar "Zorgwijk" en koud kwam het over haar lippen:
"Die man heeft den vadernaam verbeurd; een mensch die zoo handelt met
zijn eigen kind, is niet waard, dat hij den vadernaam draagt." En met
verheffing van stem roept ze de rondspringende honden.
"Hier Tromp! Kom Turk, wij gaan naar het "Uilennest"."
Zij drukt een kus op Geertjes wang, reikt Dirk de hand, werpt nog een
somberen blik op de schoone bezitting van Van Gulven, en verdwijnt
met haar honden in het donker.