HOOFDSTUK X.

Hannes kwam zelden in het dorp, maar als hij er kwam, gebeurde het

wel eens, dat hij Van Gulven tegenkwam, want in de nauwe dorpsstraat

kon men elkander niet ongemerkt voorbijloopen.

Dan werd het gelaat van den rijken boer donkerrood van drift en met

afgewenden blik liep hij den jager voorbij, die zich in zijn volle

lengte oprichtte, en met trotsch gelaat, in het volle besef zijner

onafhankelijkheid, den vader zijner vrouw voorbijliep.

In het begin had Martha wel eenige pogingen gedaan, om zich met hare

ouders te verzoenen, maar alles was afgestuit op de

onverzettelijkheid van Van Gulven, en Martha had spoedig de hoop

opgegeven het steenen hart van haar vader te vermurwen.

Toen stierf na een korte, doch hevige ziekte hare moeder, en toen

Martha kort voor den dood harer moeder van Olbert den schaapherder

vernam, dat hare moeder in zorgelijke omstandigheden verkeerde, ach

toen brak haar bijna het harte, want al had hare moeder zich nimmer

durven kanten tegen het despotisch karakter van haar man, ze had toch

haar dochter altijd innig liefgehad, en Martha besloot toegang te

vragen op "Zorgwijk".

In den laten herfstavond klopte zij aan de poort van de boerderij

aan. Ze was geheel alleen, want haar man kon haar niet vergezellen;

de kinderen waren nog te klein om in het "Uilennest" alleen

achtergelaten te worden. Wat was het stil op de hoeve; slechts het

zuchten van den wind door de boomen en het doffe loeien van een os in

den stal werd gehoord.

Hoe bonst en klopt haar hart, nu zij op de plek staat, waar zij als

kind heeft gespeeld, waar haar jong leven is voorbijgegaan in

zonneschijn en geluk. Nu staat ze voor de deur en durft niet zonder

kloppen binnen te gaan in haar ouderlijk huis.

Daar nadert iemand door de gang om op haar kloppen de deur te openen,

en zij kent dien tred; het is de zware pas van boer Van Gulven.

De deur gaat open, en het licht van de ganglantaarn valt op haar

angstig gelaat; met één oogopslag heeft de boer zijn dochter herkend.

Het is of zijn hooge gestalte nog langer wordt, en Martha merkt op,

hoe bleek zijn gelaatskleur is, en dat zijn oogen diep in de kassen

zijn gezonken.

Maar ach, hoe barsch en dreigend klinkt zijn stem als hij vraagt, of

liever haar toesnauwt:

"Wat wil je hier; wat zoek je?"

"Vader," zegt Martha, en de trotsche boerendochter vouwt smeekend de

handen, "vader, laat mij bij moeder. De menschen hebben me verteld,

dat ze zoo ziek is, ach, laat mij toch bij haar!"

Eén oogenblik aarzelt de boer, maar ook slechts een oogenblik. Dan

klinkt het dof van zijne lippen: "Mijne vrouw is een uur geleden

gestorven, dus ik blijf als een eenzaam man achter hier op de hoeve."

Onbeschrijfelijke bitterheid ligt er in de stem van den rijken boer,

maar de slag die hem trof doet geen enkele snaar van vaderliefde of

mededoogen trillen in zijn hardvochtig gemoed.

"Groote God," gilt Martha, "is moeder dood? Vader, laat mij door, ik

wil haar zien! Ik wil mijn moeder zien, dat moogt ge mij niet

beletten. Heb ik dan zulk een misdaad gepleegd, dat ik een man gehuwd

heb van nederigen stand? Een man met een eerlijk hart, maar zonder

geld? O vader, laat mij toch om Gods wil door, en ik zal, als gij het

niet wilt, geen voet meer op "Zorgwijk" zetten!"

Wie zal zeggen wat er omging in het hart van Van Gulven, toen zijn

eenig kind hem zoo smeekte bij het lijk van haar moeder te worden

toegelaten? God alleen peilt de donkere diepte van het menschelijk

hart, maar gekrenkte hoogmoed en grenzenlooze trots behaalden de

overwinning, en Martha ruw terugduwend, schreeuwt hij:

"Er uit! Ga naar dien vent daarginds aan den Davel, om wiens wil je

het leven van je ouders hebt vergald. Er uit!"

En met dreunenden slag valt de deur dicht en Martha hoort, dat de

zware ijzeren grendels er voor geschoven worden.

Als versuft staat ze tegen den deurpost geleund, en de koude

avondwind, die haar langs het voorhoofd strijkt, doet haar goed, want

het hamert en klopt daarbinnen als zou haar hoofd bersten.

Daar wordt een hand op haar arm gelegd, en een vriendelijke stem zegt

zacht:

"Martha, het is verschrikkelijk, zooals uw vader u behandelt. Ik heb

alles gehoord wat er gesproken is, maar gij kent hem; als hij eenmaal

beleedigd is, dan weet hij van vergeven noch vergeten; doch zijn

eenige dochter terugstooten, als zij smeekt om het lijk harer moeder

te zien, zie, dat is goddeloos en hij zal zijne straf niet ontgaan."

Het is Geertje, de meid van "Zorgwijk", die voor het zolderraam alles

gehoord heeft wat Van Gulven met zijn dochter sprak, en nu is ze stil

door de achterdeur naar buiten gegaan, en haar zachte, vriendelijke

stem doet de arme verstootene goed.

Geertje is een wees, en reeds als kind op "Zorgwijk" gekomen, want

Martha's moeder had medelijden met de hulpelooze kleine gehad, wier

ouders bijna gelijktijdig door de cholera werden weggerukt. Ze was

met Martha opgegroeid, en de rijke boerendochter had de arme wees

altijd zusterlijke liefde betoond. Zij was getuige geweest van

menigen huiselijken twist tusschen Martha en haar vader over Hannes

Klinge, en beefde Martha niet, Geertje beefde voor haar.

Zij was de steun en de troost van de boerin van "Zorgwijk" geweest,

toen Martha gehuwd was, en zij had gewaakt en haar opgepast tot het

stervensoogenblik toe, en als de zieke haar bang vragend aankeek in

een oogenblik van helder bewustzijn, dan had ze de arme moeder

toegefluisterd: "Ik zal het Martha doen weten, dat ge zoo ziek zijt,

en dan zal Martha komen, dat weet ik zeker."

Toen had Geertje Dirk den stalknecht gevraagd of hij geen kans zag

Olbert den eenarm op te dragen de tijding aan Martha te brengen, en

Dirk, die voor Geertje zijn leven zou gewaagd hebben, had een paard

uit de weide gehaald, en was spoorslags naar de Schaapskooi gereden,

waar hij den ouden soldaat dadelijk bereid vond aan zijn opdracht te

voldoen.

Dirk was ongemerkt teruggekomen, en dat was zijn geluk, want had de

boer van "Zorgwijk" geweten, dat de stalknecht zonder vragen een

paard had genomen voor het doel, waarvoor hij het had gebruikt,

zonder twijfel had hij Dirk weggejaagd.

En toch was Martha te laat gekomen, want terwijl Dirk wegreed,

strekte de dood reeds de koude hand naar zijn offer uit.

"Geertje," had de stervende vrouw gefluisterd, "Geertje, bid voor

mij; bid voor mijn Martha, en ook voor hem."

Met "hem" bedoelde de stervende vrouw haar man, die, toen hij het

woord "bidden" hoorde, zich over haar heen boog en vroeg of hij den

dominee zou laten halen, maar zij schudde het hoofd en murmelde:

"Geertje, ach, Geertje, bid voor ons." Toen had Geertje de handen

gevouwen en uit de diepte van haar kinderlijk vroom gemoed klom haar

gebed, om licht en hulpe voor de stervende, om steun op den levensweg

voor de afwezige dochter, om troost en bemoediging voor den

achterblijvenden man.

En terwijl dat gebed opklom tot den troon der genade, was boer Van

Gulven de kamer uitgegaan, want het kloppertje daarbinnen maakte het

hem zoo bang, en toen hij weer binnenkwam, lag de zieke rustig en

stil, doch het leven spoedde ten einde, en bijna onmerkbaar scheidde

de ziel zich van het stof.

Dat alles verhaalde Geertje met door tranen afgebroken stem aan

Martha, met wie zij een eindweegs meegewandeld was tot buiten de

poort van "Zorgwijk".

Zwijgend hoorde Martha haar aan, en slechts de jagende boezem en het

bleeke gelaat getuigden van de ontroering harer ziel, want geen traan

was in haar oog.

Daar naderde een jonge, forsche man; het was Dirk de stalknecht, en

terwijl hij aan de pet tikte voor de dochter van zijn baas, vroeg hij

op zachten toon, of hij haar wilde vergezellen naar het "Uilennest",

want de donkere weg langs den Davel was geen weg voor een vrouw

alleen om in den laten avond te bewandelen.

Doch Martha schudde beslist het hoofd, en zei: "Neen Dirk, je bent

een goede jongen, maar ik wil je niet in ongelegenheid brengen; als

je baas te weten kwam, dat je de vrouw van Hannes Klinge een dienst

bewezen hadt, dan was je denkelijk den langsten tijd op "Zorgwijk"

geweest."

Het hart van Geertje werd diep getroffen door den harden, bitteren

toon, waarop Martha die laatste woorden sprak, en zij begreep, dat

Van Gulven op dit oogenblik het hart van zijn eenig kind had

verloren, en indien God het niet verhoedde, verloren voor altijd.

"Dat durf ik wel wagen, vrouw Klinge," zegt Dirk. "Wat zou Hannes wel

van mij denken, als ik zijn vrouw in den laten avond alleen het

donkere onveilige pad naar het "Uilennest" liet gaan? Neen, daarvoor,

kent hij Dirk te goed."

Op dat oogenblik weerklonk een vroolijk geblaf en twee langharige

jachthonden drukten de ruige koppen tegen Martha aan.

Dirk en Geertje schrokken, en de stalknecht sloeg de hand aan zijn

mes, doch Martha schrok niet, want zij herkende de honden

oogenblikkelijk.

"Ziet ge, Dirk? Hier is voor mij reeds geleide genoeg en met hen ga

ik veilig naar huis.

De arme jager uit het "Uilennest" zendt mij zijn trouwe honden, om

mij veilig te voeren in zijn hut, want hij kan zelf niet komen, hij

durft onze kinderen niet alleen achterlaten.

Goddank, dat ik nog man en kinderen bezit, die ik liefheb en die mij

liefhebben, want ouders heb ik niet meer, die heb ik dezen dag beiden

verloren."

"Ach, Martha," zegt Geertje met zachte stem en tranen in de oogen

"ach, Martha, zoo moogt ge niet spreken. Uw goede moeder wilde dezen

middag in haar stervensure, dat ik ook zou bidden voor hem, voor uw

vader, en al heeft hij u zooeven hard en wreed behandeld, hij blijft

immers toch uw vader. Martha, bid den goeden God, dat hij uw hart

beware voor haat en verbittering, want dat kan tot niets anders

leiden dan tot wroeging en spot." De vrouw van den jager echter wees

met den vinger naar "Zorgwijk" en koud kwam het over haar lippen:

"Die man heeft den vadernaam verbeurd; een mensch die zoo handelt met

zijn eigen kind, is niet waard, dat hij den vadernaam draagt." En met

verheffing van stem roept ze de rondspringende honden.

"Hier Tromp! Kom Turk, wij gaan naar het "Uilennest"."

Zij drukt een kus op Geertjes wang, reikt Dirk de hand, werpt nog een

somberen blik op de schoone bezitting van Van Gulven, en verdwijnt

met haar honden in het donker.

Het Uilennest · 第 15 / 28 题