HOOFDSTUK IX.

Intusschen bleek het Hannes wederom, dat Van Gulven geen moeite

spaarde om zich van hem te ontdoen. Maar de rijke boer, die gewoon

was alles voor zijn wil te zien bukken, moest ook nog ondervinden,

dat aan zijn vaderlijk gezag, dat hij zoo despotisch placht uit te

oefenen, een einde kwam, want ondanks alles en allen volgde Martha

den jager als zijn wettige vrouw naar het "Uilennest."

Zwaar, ontzettend zwaar was het offer, dat Martha aan haar liefde

voor Hannes Klinge bracht, en stilzwijgend gaan wij de tooneelen van

twist en huiselijk leed voorbij, die daar afgespeeld waren op het

schoone "Zorgwijk", eer het huwelijk van Martha een voldongen feit

was.

Een razende, tierende, dreigende vader. Een zwakke, bevende, weenende

moeder, en een halsstarrige, onbuigzame dochter.

"Nooit zoolang ik leef, zult ge weer een voet op "Zorgwijk" zetten,

al stondt ge ook bedelend om een stuk brood voor de poort, dat zweer

ik!" had Van Gulven tot Martha gezegd. "En dien avonturier daar ginds

aan den Davel zal ik vandaag of morgen weten te treffen, zoo waar ik

leef. Er zal een tijd komen, dat gij zoudt wenschen dien Gelderschman

nimmer te hebben gezien, want van dit oogenblik af erken ik u niet

meer als mijn dochter. Gij onteert den naam Van Gulven."

Weenend en snikkend had hare moeder haar gesmeekt, het toch niet tot

zulk een uiterste te laten komen, maar vaders zin te doen en te

buigen voor zijn wil. Maar noch het smeeken harer moeder, noch het

dreigen van haar vader had iets kunnen baten. Martha werd de vrouw

van den jager, en niets dan de kleeren, die zij aan het lijf had,

bracht de rijke boerendochter mede ten huwelijk. Dat was juist wat

Hannes Klinge gewild had, want de arme jager begeerde het geld niet

van den rijken boer. Vischnet en geweer verschaften hem het noodige,

en meer begeerde Hannes Klinge niet.

Doch Olbert de schaapherder had een ernstig woord met hem gesproken,

en van Olbert kon Hannes alles verdragen, zonder ooit in toorn op te

stuiven; want hij wist, dat hij in Olbert een vriend had, die slechts

zijn bestwil bedoelde, al kon hij niet altijd de strenge

levensopvatting van den ouden soldaat volgen of begrijpen.

"Hannes, mijn jongen," had Olbert gezegd, "er staat geschreven: Eert

uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga, en tegen den

uitdrukkelijker wil van haar vader is Martha je vrouw geworden, en

toornig en met hardheid heeft ze het ouderlijk huis verlaten; dat kan

nooit goed zijn.

O, ik weet wat je zeggen wilt, Hannes, en ik weet ook, dat Van Gulven

hard is en onbuigzaam, trotsch en aanmatigend, maar ondanks alles is

en blijft hij toch de vader uwer vrouw. En als de dood hem nu eens

wegrukte, Hannes, en de laatste woorden, die hij tot zijn eenig kind

gesproken had, waren woorden van toorn en bitterheid geweest, zou dat

niet vreeselijk zijn voor Martha en zou het geen schaduw werpen op

haar jonge leven en ook op het uwe? Daarom, Hannes, het gedane wordt

niet ongedaan, maar vergeld hem nimmer kwaad voor kwaad. Bedenk eens,

Martha is zijn eenig kind, en ongetwijfeld heeft hij haar lief, zóó

lief, als een man van zijn karakter een dochter liefhebben kan; en

zijn plan was haar door een huwelijk met den eenigen zoon van den

schatrijken Dubbe tot de rijkste boerin van het dorp te maken. Dat

plan hebt gij verijdeld; hij beschouwt u als den verstoorder van zijn

huiselijk geluk. Blijf daarom op den achtergrond, maar laat nu

Martha, als er wat tijd is verloopen, trachten, met geduld en liefde

den toorn van haar vader te overwinnen."

Hannes Klinge had stilzwijgend toegeluisterd, terwijl de schaapherder

sprak, maar toen Olbert zweeg haalde hij de schouders op en zeide,

dat hij Martha volkomen vrij liet hoe zij in dit geval wilde

handelen. "Maar wat mij betreft," voegde de jager er bij, "ik verlang

van hem slechts, dat hij mij met vrede laat. Wee hem, als hij mij met

zijn vijandschap in den weg komt; dan zal hij Hannes Klinge nog nader

leeren kennen."

Olbert had het hoofd geschud en nog eenmaal raadde hij den jager aan,

zijn hart niet te verharden. Toen volgde hij zijne kudde, die door

den ruigharigen Spits reeds den weg langs den Davel opgedreven was,

en door de zomeravondlucht klonk helder en klaar de zilveren klank

der klokjes, die de grootste hamels om den hals droegen.

In het begin werd er op het dorp en in den omtrek druk gepraat over

het huwelijk van Hannes Klinge en Martha van Gulven, maar ook de

onvermoeidste tongen raken eindelijk over een onderwerp uitgeput, en

de alles effenende tijd rolt er over heen. En even vergeten als in

den tijd van Krijn Vermeeren lag het "Uilennest" achter de oude

wilgen, aan den oever van den Davel.

Maar zoowel uitwendig als inwendig is de oude jagershut veranderd,

verjongd als het ware.

Alles buitenshuis is netjes door de vaardige hand van Hannes Klinge

opgeknapt, en op het erf voor het huisje heeft de jager het eertijds

geheel verwilderde grasveld van distelen en ander hoog opschietend

onkruid gezuiverd, en nu is er voedsel voor een geit en eenige

schapen te vinden; terwijl achter het huis een goed onderhouden

moestuin de bewoners van het "Uilennest" ruimschoots van groenten

voorziet.

Weelde was er niet in 't oude huisje, en voor Martha was het verschil

met "Zorgwijk" hemelsbreed; maar de ruwe tafel van vader Krijn en

zijn houten bankjes onder de schouw zult ge er niet meer vinden.

Eenvoudig, hoogst eenvoudig is het in de jagershut, maar alles blinkt

van frischheid en getuigt levendig van de vlijt der kloeke huisvrouw.

Martha is een echte dochter van het oude Hollandsche boerenras.

Opgegroeid in weelde, terwijl de rijkdom van haar vader groot genoeg

was, zijn eenige dochter van allen arbeid vrij te stellen, had ze

toch het huiselijk werk geleerd, dat op een groote boerderij te

leeren valt, en dit kwam haar thans uitmuntend te stade.

Hannes en Martha hadden tot dusver gelukkig geleefd, en de vroolijke

jager deed soms den eenzamen omtrek weergalmen van zijn liederen,

waarvan zijn voorraad onuitputtelijk scheen.

Twee kinderen werden in den loop der jaren in het "Uilennest"

geboren, en groeiden op zoo gezond en krachtig als de wilde bloemen

langs den Davel.

Een grooter contrast dan tusschen deze beide kinderen was bijna niet

denkbaar; niet alleen wat het uiterlijk betreft, maar ook hun

geaardheid was geheel van elkander verschillend.

Zwart als een raaf waren het haar en de oogen van den knaap, terwijl

zijn twee jaar jonger zusje een goudblond engeltje geleek.

Maar van dat oogenblik dat Gerard, zoo heette de knaap, eenig besef

kreeg der dingen van zijn kleine wereld, had hij zich vol liefde aan

zijn klein zusje gehecht.

En toen ze opgroeiden, speelden ze steeds te zamen, en het was voor

den jongen een bitter verdriet, toen hij naar de dorpsschool moest en

kleine Lize nog bij moeder bleef.

Het schoolgaan was Gerard een gruwel en de knaap geleek een jonge

wolf in gevangenschap. Meer dan eens was Hannes Klinge genoodzaakt

den bengel op te sporen als hij de school ontvlucht was en

weggekropen zat in de griend of ergens in een korenveld.

Maar zijn vader ontsnappen kon de vluchteling niet, want de jager

floot zijn honden en die hadden dan spoedig het spoor van den kleinen

baas gevonden, en de straf, die dan onmiddellijk volgde, heugde

Gerard lang, want de hand van den jager was niet van de zachtste.

Schuw en terughoudend van aard als hij was, werd de arme knaap altijd

geplaagd en getergd door de jongens van het dorp, die hem scholden

voor "Gert den Uil". Doch evenals de vogel van den nacht de sterke

klauwen uitslaat, als hij door andere vogels wordt vervolgd, zoo kon

Gerard dikwijls zijn belagers plotseling te lijf gaan, en dan vocht

hij als de roofvogel, wiens naam men hem gaf.

Geheel anders was het met kleine Lize gesteld. Bekoorlijker,

lieftalliger schepseltje was niet denkbaar. Bloeiend als een

lentebloem te midden der wilde bloemen, waarmede zij speelde, kon

niemand haar zonder acht te slaan op het lieve kind voorbijgaan. En

als zij, toen zij wat grooter was geworden, met zilverreine stem de

aardige liedjes zong, die haar vader haar geleerd had, dan klom in

het hart van Hannes Klinge de gedachte wel eens op: "Ik ben een

gelukkig man, maar ben ik er den goeden God wel dankbaar voor?" En

dan trad menigwerf de herinnering aan vader Krijn met kracht naar

voren. Aan den ouden man, die op deze plek hetzelfde leven had

geleefd als Hannes nu. Die ook hier vrouw en kind had lief gehad met

al de kracht van dat sterke hart, dat zijn levensgeluk zoovele jaren

had overleefd.

De rampspoed was over den ouden jager gekomen, en als nu mij ook eens

moest blijken hoe broos en vergankelijk aardsch geluk is, hoe zal ik

dat dan dragen? Dan zocht de jager des avonds na afloop van zijne

dagtaak den ouden bijbel van Krijn Vermeeren op, en las vrouw en

kinderen iets voor uit het heilig boek.

Doch dergelijke indrukken vervliegen zoo snel, en meestal werd de

bijbel vergeten; want als Hannes Klinge zijn blozende vrouw en

kerngezonde kinderen aanzag, dan week alle onrust uit zijn hart, en

vroolijk klonk weer zijn lied.

Des Zondags bracht hij, als het mooi weer was, den avond met vrouw en

kinderen nog wel eens door bij Olbert den eenarm, op de Schaapskooi.

Dan ging het heele gezin in de groote visschersboot, en met krachtige

slagen roeide Hannes dan den Davel uit tot de plek, waar de

eeuwenoude noteboomen het dak van de Schaapskooi overschaduwen.

Hoe hartelijk en vriendelijk ontvingen de schaapherder en zijn goede

Sanne dan den jager en zijn gezin. En hoe gezellig was het op de

groote houten bank onder het breede lommer der noteboomen. Dan

vertelde de oude soldaat van zijne krijgstochten en de gevaren op het

oorlogsveld; van de vreemde landen, die hij had bezocht, en de

vreemde dingen, die hij had beleefd. En altijd wist de oude man aan

te toonen, dat Gods almacht alles bestuurt, zijn wijsheid alles

regeert.

Dan vloog de tijd voorbij, en allen luisterden met onverdeelde

aandacht naar den oude; maar bovenal des jagers zoon Gerard hing aan

de lippen van den verteller, en als deze verhaalde van stormloopende

grenadiers en ten aanval rennende huzaren, of dragonders, dan

fonkelden zijn zwarte oogen, en des nachts droomde hij van

plunderende soldaten en brandende steden en dorpen.

Het Uilennest · 第 14 / 28 题