Intusschen bleek het Hannes wederom, dat Van Gulven geen moeite
spaarde om zich van hem te ontdoen. Maar de rijke boer, die gewoon
was alles voor zijn wil te zien bukken, moest ook nog ondervinden,
dat aan zijn vaderlijk gezag, dat hij zoo despotisch placht uit te
oefenen, een einde kwam, want ondanks alles en allen volgde Martha
den jager als zijn wettige vrouw naar het "Uilennest."
Zwaar, ontzettend zwaar was het offer, dat Martha aan haar liefde
voor Hannes Klinge bracht, en stilzwijgend gaan wij de tooneelen van
twist en huiselijk leed voorbij, die daar afgespeeld waren op het
schoone "Zorgwijk", eer het huwelijk van Martha een voldongen feit
was.
Een razende, tierende, dreigende vader. Een zwakke, bevende, weenende
moeder, en een halsstarrige, onbuigzame dochter.
"Nooit zoolang ik leef, zult ge weer een voet op "Zorgwijk" zetten,
al stondt ge ook bedelend om een stuk brood voor de poort, dat zweer
ik!" had Van Gulven tot Martha gezegd. "En dien avonturier daar ginds
aan den Davel zal ik vandaag of morgen weten te treffen, zoo waar ik
leef. Er zal een tijd komen, dat gij zoudt wenschen dien Gelderschman
nimmer te hebben gezien, want van dit oogenblik af erken ik u niet
meer als mijn dochter. Gij onteert den naam Van Gulven."
Weenend en snikkend had hare moeder haar gesmeekt, het toch niet tot
zulk een uiterste te laten komen, maar vaders zin te doen en te
buigen voor zijn wil. Maar noch het smeeken harer moeder, noch het
dreigen van haar vader had iets kunnen baten. Martha werd de vrouw
van den jager, en niets dan de kleeren, die zij aan het lijf had,
bracht de rijke boerendochter mede ten huwelijk. Dat was juist wat
Hannes Klinge gewild had, want de arme jager begeerde het geld niet
van den rijken boer. Vischnet en geweer verschaften hem het noodige,
en meer begeerde Hannes Klinge niet.
Doch Olbert de schaapherder had een ernstig woord met hem gesproken,
en van Olbert kon Hannes alles verdragen, zonder ooit in toorn op te
stuiven; want hij wist, dat hij in Olbert een vriend had, die slechts
zijn bestwil bedoelde, al kon hij niet altijd de strenge
levensopvatting van den ouden soldaat volgen of begrijpen.
"Hannes, mijn jongen," had Olbert gezegd, "er staat geschreven: Eert
uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga, en tegen den
uitdrukkelijker wil van haar vader is Martha je vrouw geworden, en
toornig en met hardheid heeft ze het ouderlijk huis verlaten; dat kan
nooit goed zijn.
O, ik weet wat je zeggen wilt, Hannes, en ik weet ook, dat Van Gulven
hard is en onbuigzaam, trotsch en aanmatigend, maar ondanks alles is
en blijft hij toch de vader uwer vrouw. En als de dood hem nu eens
wegrukte, Hannes, en de laatste woorden, die hij tot zijn eenig kind
gesproken had, waren woorden van toorn en bitterheid geweest, zou dat
niet vreeselijk zijn voor Martha en zou het geen schaduw werpen op
haar jonge leven en ook op het uwe? Daarom, Hannes, het gedane wordt
niet ongedaan, maar vergeld hem nimmer kwaad voor kwaad. Bedenk eens,
Martha is zijn eenig kind, en ongetwijfeld heeft hij haar lief, zóó
lief, als een man van zijn karakter een dochter liefhebben kan; en
zijn plan was haar door een huwelijk met den eenigen zoon van den
schatrijken Dubbe tot de rijkste boerin van het dorp te maken. Dat
plan hebt gij verijdeld; hij beschouwt u als den verstoorder van zijn
huiselijk geluk. Blijf daarom op den achtergrond, maar laat nu
Martha, als er wat tijd is verloopen, trachten, met geduld en liefde
den toorn van haar vader te overwinnen."
Hannes Klinge had stilzwijgend toegeluisterd, terwijl de schaapherder
sprak, maar toen Olbert zweeg haalde hij de schouders op en zeide,
dat hij Martha volkomen vrij liet hoe zij in dit geval wilde
handelen. "Maar wat mij betreft," voegde de jager er bij, "ik verlang
van hem slechts, dat hij mij met vrede laat. Wee hem, als hij mij met
zijn vijandschap in den weg komt; dan zal hij Hannes Klinge nog nader
leeren kennen."
Olbert had het hoofd geschud en nog eenmaal raadde hij den jager aan,
zijn hart niet te verharden. Toen volgde hij zijne kudde, die door
den ruigharigen Spits reeds den weg langs den Davel opgedreven was,
en door de zomeravondlucht klonk helder en klaar de zilveren klank
der klokjes, die de grootste hamels om den hals droegen.
In het begin werd er op het dorp en in den omtrek druk gepraat over
het huwelijk van Hannes Klinge en Martha van Gulven, maar ook de
onvermoeidste tongen raken eindelijk over een onderwerp uitgeput, en
de alles effenende tijd rolt er over heen. En even vergeten als in
den tijd van Krijn Vermeeren lag het "Uilennest" achter de oude
wilgen, aan den oever van den Davel.
Maar zoowel uitwendig als inwendig is de oude jagershut veranderd,
verjongd als het ware.
Alles buitenshuis is netjes door de vaardige hand van Hannes Klinge
opgeknapt, en op het erf voor het huisje heeft de jager het eertijds
geheel verwilderde grasveld van distelen en ander hoog opschietend
onkruid gezuiverd, en nu is er voedsel voor een geit en eenige
schapen te vinden; terwijl achter het huis een goed onderhouden
moestuin de bewoners van het "Uilennest" ruimschoots van groenten
voorziet.
Weelde was er niet in 't oude huisje, en voor Martha was het verschil
met "Zorgwijk" hemelsbreed; maar de ruwe tafel van vader Krijn en
zijn houten bankjes onder de schouw zult ge er niet meer vinden.
Eenvoudig, hoogst eenvoudig is het in de jagershut, maar alles blinkt
van frischheid en getuigt levendig van de vlijt der kloeke huisvrouw.
Martha is een echte dochter van het oude Hollandsche boerenras.
Opgegroeid in weelde, terwijl de rijkdom van haar vader groot genoeg
was, zijn eenige dochter van allen arbeid vrij te stellen, had ze
toch het huiselijk werk geleerd, dat op een groote boerderij te
leeren valt, en dit kwam haar thans uitmuntend te stade.
Hannes en Martha hadden tot dusver gelukkig geleefd, en de vroolijke
jager deed soms den eenzamen omtrek weergalmen van zijn liederen,
waarvan zijn voorraad onuitputtelijk scheen.
Twee kinderen werden in den loop der jaren in het "Uilennest"
geboren, en groeiden op zoo gezond en krachtig als de wilde bloemen
langs den Davel.
Een grooter contrast dan tusschen deze beide kinderen was bijna niet
denkbaar; niet alleen wat het uiterlijk betreft, maar ook hun
geaardheid was geheel van elkander verschillend.
Zwart als een raaf waren het haar en de oogen van den knaap, terwijl
zijn twee jaar jonger zusje een goudblond engeltje geleek.
Maar van dat oogenblik dat Gerard, zoo heette de knaap, eenig besef
kreeg der dingen van zijn kleine wereld, had hij zich vol liefde aan
zijn klein zusje gehecht.
En toen ze opgroeiden, speelden ze steeds te zamen, en het was voor
den jongen een bitter verdriet, toen hij naar de dorpsschool moest en
kleine Lize nog bij moeder bleef.
Het schoolgaan was Gerard een gruwel en de knaap geleek een jonge
wolf in gevangenschap. Meer dan eens was Hannes Klinge genoodzaakt
den bengel op te sporen als hij de school ontvlucht was en
weggekropen zat in de griend of ergens in een korenveld.
Maar zijn vader ontsnappen kon de vluchteling niet, want de jager
floot zijn honden en die hadden dan spoedig het spoor van den kleinen
baas gevonden, en de straf, die dan onmiddellijk volgde, heugde
Gerard lang, want de hand van den jager was niet van de zachtste.
Schuw en terughoudend van aard als hij was, werd de arme knaap altijd
geplaagd en getergd door de jongens van het dorp, die hem scholden
voor "Gert den Uil". Doch evenals de vogel van den nacht de sterke
klauwen uitslaat, als hij door andere vogels wordt vervolgd, zoo kon
Gerard dikwijls zijn belagers plotseling te lijf gaan, en dan vocht
hij als de roofvogel, wiens naam men hem gaf.
Geheel anders was het met kleine Lize gesteld. Bekoorlijker,
lieftalliger schepseltje was niet denkbaar. Bloeiend als een
lentebloem te midden der wilde bloemen, waarmede zij speelde, kon
niemand haar zonder acht te slaan op het lieve kind voorbijgaan. En
als zij, toen zij wat grooter was geworden, met zilverreine stem de
aardige liedjes zong, die haar vader haar geleerd had, dan klom in
het hart van Hannes Klinge de gedachte wel eens op: "Ik ben een
gelukkig man, maar ben ik er den goeden God wel dankbaar voor?" En
dan trad menigwerf de herinnering aan vader Krijn met kracht naar
voren. Aan den ouden man, die op deze plek hetzelfde leven had
geleefd als Hannes nu. Die ook hier vrouw en kind had lief gehad met
al de kracht van dat sterke hart, dat zijn levensgeluk zoovele jaren
had overleefd.
De rampspoed was over den ouden jager gekomen, en als nu mij ook eens
moest blijken hoe broos en vergankelijk aardsch geluk is, hoe zal ik
dat dan dragen? Dan zocht de jager des avonds na afloop van zijne
dagtaak den ouden bijbel van Krijn Vermeeren op, en las vrouw en
kinderen iets voor uit het heilig boek.
Doch dergelijke indrukken vervliegen zoo snel, en meestal werd de
bijbel vergeten; want als Hannes Klinge zijn blozende vrouw en
kerngezonde kinderen aanzag, dan week alle onrust uit zijn hart, en
vroolijk klonk weer zijn lied.
Des Zondags bracht hij, als het mooi weer was, den avond met vrouw en
kinderen nog wel eens door bij Olbert den eenarm, op de Schaapskooi.
Dan ging het heele gezin in de groote visschersboot, en met krachtige
slagen roeide Hannes dan den Davel uit tot de plek, waar de
eeuwenoude noteboomen het dak van de Schaapskooi overschaduwen.
Hoe hartelijk en vriendelijk ontvingen de schaapherder en zijn goede
Sanne dan den jager en zijn gezin. En hoe gezellig was het op de
groote houten bank onder het breede lommer der noteboomen. Dan
vertelde de oude soldaat van zijne krijgstochten en de gevaren op het
oorlogsveld; van de vreemde landen, die hij had bezocht, en de
vreemde dingen, die hij had beleefd. En altijd wist de oude man aan
te toonen, dat Gods almacht alles bestuurt, zijn wijsheid alles
regeert.
Dan vloog de tijd voorbij, en allen luisterden met onverdeelde
aandacht naar den oude; maar bovenal des jagers zoon Gerard hing aan
de lippen van den verteller, en als deze verhaalde van stormloopende
grenadiers en ten aanval rennende huzaren, of dragonders, dan
fonkelden zijn zwarte oogen, en des nachts droomde hij van
plunderende soldaten en brandende steden en dorpen.