Na den dood van Vermeeren bleef Hannes geheel alleen in het
"Uilennest," en dreef de zaken voor eigen rekening, en hoewel er
weinig gelegenheid was voor hem om Martha van Gulven te spreken te
krijgen, zoo wist hij toch, dat zij hem trouw bleef.
Op een avond in November zat Hannes bij het houtvuur onder de groote
schouw, en twee jonge langharige honden duikelden spelend over den
vloer. Met de pijp tusschen de sterke tanden zat Hannes te lachen om
hun dartel spel. Wolf, de trouwe hond van Krijn Vermeeren, had zijn
ouden meester niet lang overleefd; want toen de oude jager naar zijn
laatste rustplaats werd gebracht, volgde de hond zijn dooden meester
naar het kerkhof, en toen de groeve was dichtgeworpen en de weinige
mannen, die den ouden jager de laatste eer hadden bewezen, het
kerkhof verlieten, toen volgde Wolf met hangenden kop Hannes Klinge
naar het "Uilennest".
Daar ging het dier voor de ledige bedstede liggen en deed eenige
oogenblikken een akelig gehuil hooren, en welke pogingen Hannes ook
deed om hem van daar weg te krijgen, het gelukte niet. De smart van
den armen hond sneed den Gelderschman door de ziel, en hij poogde met
vriendelijke woorden en lekkere beetjes Wolf afleiding te
verschaffen, maar noch het één noch het ander mocht baten; het dier
at of dronk niet.
Soms rees hij overeind, liep de deur uit en dwaalde om de hut heen,
ging op den oever van den Davel staan en huilde droevig; dan keerde
hij weer naar zijn plaatsje voor de ledige bedstede terug, en de
blik, waarmede hij Hannes Klinge aanzag, deed dezen de tranen in de
oogen komen, want ondanks zijn kloeke gestalte en zijn vermetel,
onbevreesd karakter, had Hannes toch een week gemoed.
Zes dagen na den dood van zijn meester begroef de nieuwe eigenaar van
het "Uilennest" den trouwen metgezel van Krijn Vermeeren onder de
vlierheg, aan den oever van den Davel.
Hannes schafte zich twee jonge honden aan, en nu zit hij, zijn pijp
rookend, lachend toe te zien, hoe zij elkander in de lange noren
bijten, en als de jager ze met met den voet op zij schuift, zullen ze
in het vuur van hun spel nog in den brandenden haard terechtkomen.
Daar hoort Hannes een paar tikken op de voordeur. Wie mag dat zijn?
Olbert de eenarm, die hem nogal eens komt opzoeken, kan het niet
zijn, want die komt altijd aan den achterkant binnen.
"Zwijg toch, drommelsche honden!" roept Hannes luid, en nog luider
roept hij in de richting van de voordeur: "kom maar binnen!"
Hij is opgerezen van zijn bankje (want stoelen zoekt men vruchteloos
in het "Uilennest") neemt de kaars van de tafel en laat het flauwe
licht in de voorkamer schijnen.
Met eenige moeite gelukt het den buitenstaande de deur te openen en
een net gekleed heer steekt vriendelijk glimlachend het hoofd naar
binnen.
"Goedenavond," klinkt het op beschaafden toon. "Ben ik hier terecht
bij den jager Johannes Klinge?"
"Jawel, mijnheer," zegt Hannes, "kom binnen. Een stoel kan ik u niet
aanbieden," vervolgt de jager met ruwe gastvrijheid, "want dien heb
ik niet; maar als ge dit bankje voor lief nemen wilt, dan kunt ge
hier bij het vuur plaats nemen, want het is buiten nevelig en guur."
De vreemdeling kijkt met snellen blik om zich heen en er is iets in
zijn oogopslag, dat Hannes niet bevalt.
Vreesachtig blijft zijn oog op de beide honden rusten, die hun dartel
spel gestaakt hebben en nu brommend voor hem staan; en ook de
geweren, die boven zijn hoofd aan de dikke zolderbalken hangen, en
welker blanke loopen schitteren in den gloed van het haardvuur,
schijnen hem vrees in te boezeroen.
"Ga gerust zitten, mijnheer," zegt Hannes, "mijn geweren zijn niet
geladen, en de honden zijn jonge snuiters, die zullen u waarlijk niet
bijten, dus ga maar rustig zitten, en vertel mij wat u in den avond
naar het "Uilennest" voert. En gij, Tromp en Turk, maakt dat je in je
hoek komt, marsch, op je plaats!"
Gehoorzaam vlijen de honden zich in hun hoek; de vreemde heer neemt
voorzichtig plaats op het bankje, en terwijl de jager een versche
pijp stopt, begint hij het doel van zijn komst te verklaren.
"Baas Klinge," begint hij, "ik ben hier gekomen om u een voorstel te
doen, een voorstel, dat u vrij wat voordeel kan bezorgen als ge er op
wilt ingaan. Het huisje met het stukje grond hier is uw onbelast
eigendom, nietwaar?"
"Ja, dat is het," zegt Hannes en kijkt den vreemden heer scherp in de
oogen.
Deze slaat de oogen, neer, als kan hij dien doordringender blik niet
best verdragen en met radde tong vervolgt hij: "Kijk, baas Klinge, ik
weet iemand die veel zin heeft om eigenaar van het "Uilennest" te
worden en nu ben ik als tusschenpersoon hier, ten einde van u te
hooren of ge geneigd zijt om voor goed geld dit oude nest te
verkoopen.
Welnu, hoe denkt ge over deze zaak, vraag eens geld, en het zou mij
wel hard verwonderen, indien wij niet tot een goed resultaat kwamen."
Er speelt een glimlach op het gebruinde gelaat van den jager, en
kortaf vraagt hij: "Wie zijt gij, mijnheer? En wie is uw lastgever?"
Deze vraag had de heer niet verwacht, en eenigszins aarzelend
antwoordt hij, dat hij een zaakwaarnemer is uit D., maar den naam van
zijn lastgever wilde hij liever niet noemen.
Doch dit was, vervolgde hij, ook van minder belang, want indien de
jager met hem tot een overeenkomst kwam, dan had hij met niemand
anders noodig. De koopsom zou dan ten huize van een notaris in de
stad contant worden betaald.
"Nu, Klinge, wat zeg je van mijn voorstel; verkoop dezen ouden
bouwval voor goed geld, vriend; ge zult er waarschijnlijk nimmer de
kans weer voor krijgen. Komaan, laat eens hooren, wat ge voor het
"Uilennest" vraagt; dan zal ik zien of wij het eens kunnen worden."
Zoo sprak de vreemde heer, en om de lippen van Hannes Klinge speelt
een bittere glimlach, en in zijn heldere oogen komt een toornige
gloed. Hard en dreigend klinkt zijn stem als hij tot den vreemdeling
zegt:
"Luister eens, mijnheer. Ge ziet mij voor een lompen boer aan,
nietwaar? Nu, dit zal ik niet tegenspreken, want er zijn een massa
dingen, waarvan een man als ik niet veel begrijpt; maar zoo dom als
uw lastgever schijnt te denken dat ik ben, is Hannes Klinge toch
niet. Wat het "Uilennest" mij waard is, kan zelfs de rijke Van Gulven
niet betalen! Verstaat gij dat, mijnheer?
Al wilde hij mij zijn groote hoeve, het schoone "Zorgwijk", in ruil
afstaan voor deze hut, die gij een bouwval noemt, dan nog zou ik
weigeren, want hier verdien ik mijn brood als een vrij man en ik
behoef niemand naar de oogen te zien, en dat is mijn ideaal, begrijpt
ge dat, vreemdeling? En als ik mij nu eens liet verlokken om deze
plaats aan u of aan Van Gulven te verkoopen, dan zoudt ge misschien
denken: Hannes Klinge kan hier aan den Davel wel een ander stukje
grond koopen om er een huisje op te laten bouwen, en zoo zijn jagers-
en visschershandwerk verder uitoefenen; maar dan kent ge boer Van
Gulven niet.
Op beide oevers van den Davel behoort het bouwland, de weidevelden en
het griendgewas aan Van Gulven of aan zijn vrienden, die het gepacht
hebben. Het "Uilennest" alleen behoort hem niet, en als de rijke boer
daar de hand op kon leggen, wel, dan was er voor den armen jager hier
geen andere woonplaats te vinden dan ginds in het moeras bij de
otters en meerkolven. Zeg gij nu," vervolgt de jager driftig, "zeg
gij nu aan hem, die u zond, dat als hij Hannes Klinge wil verdrijven
uit deze streek, hij andere maatregelen moet nemen, want deze list is
te doorzichtig, begrepen?"
De zaakwaarnemer heeft onwillekeurig zijn bankje wat uit de nabijheid
van den Gelderschman geschoven, en zijn gladde welbespraaktheid laat
hem in den steek, als hij de scherpe, toornige blikken van den jager
op zich voelt rusten.
Een onbehaaglijk gevoel heeft zich van hem meester gemaakt hier in
deze vreemde, sombere omgeving.
De uilen laten hun gillend gekras hooren van uit de oude wilgen, de
honden brommen in hun hoek, en die forsche jonkman, met zijn toornige
oogen en driftige stem, maakte het hem ook al niet gemakkelijk.
Hij beschouwt zijn poging als mislukt en acht het niet geraden verder
bij Hannes Klinge aan te dringen; daarom maakt hij zijn afscheid kort
en vertrekt.