HOOFDSTUK VIII.

Na den dood van Vermeeren bleef Hannes geheel alleen in het

"Uilennest," en dreef de zaken voor eigen rekening, en hoewel er

weinig gelegenheid was voor hem om Martha van Gulven te spreken te

krijgen, zoo wist hij toch, dat zij hem trouw bleef.

Op een avond in November zat Hannes bij het houtvuur onder de groote

schouw, en twee jonge langharige honden duikelden spelend over den

vloer. Met de pijp tusschen de sterke tanden zat Hannes te lachen om

hun dartel spel. Wolf, de trouwe hond van Krijn Vermeeren, had zijn

ouden meester niet lang overleefd; want toen de oude jager naar zijn

laatste rustplaats werd gebracht, volgde de hond zijn dooden meester

naar het kerkhof, en toen de groeve was dichtgeworpen en de weinige

mannen, die den ouden jager de laatste eer hadden bewezen, het

kerkhof verlieten, toen volgde Wolf met hangenden kop Hannes Klinge

naar het "Uilennest".

Daar ging het dier voor de ledige bedstede liggen en deed eenige

oogenblikken een akelig gehuil hooren, en welke pogingen Hannes ook

deed om hem van daar weg te krijgen, het gelukte niet. De smart van

den armen hond sneed den Gelderschman door de ziel, en hij poogde met

vriendelijke woorden en lekkere beetjes Wolf afleiding te

verschaffen, maar noch het één noch het ander mocht baten; het dier

at of dronk niet.

Soms rees hij overeind, liep de deur uit en dwaalde om de hut heen,

ging op den oever van den Davel staan en huilde droevig; dan keerde

hij weer naar zijn plaatsje voor de ledige bedstede terug, en de

blik, waarmede hij Hannes Klinge aanzag, deed dezen de tranen in de

oogen komen, want ondanks zijn kloeke gestalte en zijn vermetel,

onbevreesd karakter, had Hannes toch een week gemoed.

Zes dagen na den dood van zijn meester begroef de nieuwe eigenaar van

het "Uilennest" den trouwen metgezel van Krijn Vermeeren onder de

vlierheg, aan den oever van den Davel.

Hannes schafte zich twee jonge honden aan, en nu zit hij, zijn pijp

rookend, lachend toe te zien, hoe zij elkander in de lange noren

bijten, en als de jager ze met met den voet op zij schuift, zullen ze

in het vuur van hun spel nog in den brandenden haard terechtkomen.

Daar hoort Hannes een paar tikken op de voordeur. Wie mag dat zijn?

Olbert de eenarm, die hem nogal eens komt opzoeken, kan het niet

zijn, want die komt altijd aan den achterkant binnen.

"Zwijg toch, drommelsche honden!" roept Hannes luid, en nog luider

roept hij in de richting van de voordeur: "kom maar binnen!"

Hij is opgerezen van zijn bankje (want stoelen zoekt men vruchteloos

in het "Uilennest") neemt de kaars van de tafel en laat het flauwe

licht in de voorkamer schijnen.

Met eenige moeite gelukt het den buitenstaande de deur te openen en

een net gekleed heer steekt vriendelijk glimlachend het hoofd naar

binnen.

"Goedenavond," klinkt het op beschaafden toon. "Ben ik hier terecht

bij den jager Johannes Klinge?"

"Jawel, mijnheer," zegt Hannes, "kom binnen. Een stoel kan ik u niet

aanbieden," vervolgt de jager met ruwe gastvrijheid, "want dien heb

ik niet; maar als ge dit bankje voor lief nemen wilt, dan kunt ge

hier bij het vuur plaats nemen, want het is buiten nevelig en guur."

De vreemdeling kijkt met snellen blik om zich heen en er is iets in

zijn oogopslag, dat Hannes niet bevalt.

Vreesachtig blijft zijn oog op de beide honden rusten, die hun dartel

spel gestaakt hebben en nu brommend voor hem staan; en ook de

geweren, die boven zijn hoofd aan de dikke zolderbalken hangen, en

welker blanke loopen schitteren in den gloed van het haardvuur,

schijnen hem vrees in te boezeroen.

"Ga gerust zitten, mijnheer," zegt Hannes, "mijn geweren zijn niet

geladen, en de honden zijn jonge snuiters, die zullen u waarlijk niet

bijten, dus ga maar rustig zitten, en vertel mij wat u in den avond

naar het "Uilennest" voert. En gij, Tromp en Turk, maakt dat je in je

hoek komt, marsch, op je plaats!"

Gehoorzaam vlijen de honden zich in hun hoek; de vreemde heer neemt

voorzichtig plaats op het bankje, en terwijl de jager een versche

pijp stopt, begint hij het doel van zijn komst te verklaren.

"Baas Klinge," begint hij, "ik ben hier gekomen om u een voorstel te

doen, een voorstel, dat u vrij wat voordeel kan bezorgen als ge er op

wilt ingaan. Het huisje met het stukje grond hier is uw onbelast

eigendom, nietwaar?"

"Ja, dat is het," zegt Hannes en kijkt den vreemden heer scherp in de

oogen.

Deze slaat de oogen, neer, als kan hij dien doordringender blik niet

best verdragen en met radde tong vervolgt hij: "Kijk, baas Klinge, ik

weet iemand die veel zin heeft om eigenaar van het "Uilennest" te

worden en nu ben ik als tusschenpersoon hier, ten einde van u te

hooren of ge geneigd zijt om voor goed geld dit oude nest te

verkoopen.

Welnu, hoe denkt ge over deze zaak, vraag eens geld, en het zou mij

wel hard verwonderen, indien wij niet tot een goed resultaat kwamen."

Er speelt een glimlach op het gebruinde gelaat van den jager, en

kortaf vraagt hij: "Wie zijt gij, mijnheer? En wie is uw lastgever?"

Deze vraag had de heer niet verwacht, en eenigszins aarzelend

antwoordt hij, dat hij een zaakwaarnemer is uit D., maar den naam van

zijn lastgever wilde hij liever niet noemen.

Doch dit was, vervolgde hij, ook van minder belang, want indien de

jager met hem tot een overeenkomst kwam, dan had hij met niemand

anders noodig. De koopsom zou dan ten huize van een notaris in de

stad contant worden betaald.

"Nu, Klinge, wat zeg je van mijn voorstel; verkoop dezen ouden

bouwval voor goed geld, vriend; ge zult er waarschijnlijk nimmer de

kans weer voor krijgen. Komaan, laat eens hooren, wat ge voor het

"Uilennest" vraagt; dan zal ik zien of wij het eens kunnen worden."

Zoo sprak de vreemde heer, en om de lippen van Hannes Klinge speelt

een bittere glimlach, en in zijn heldere oogen komt een toornige

gloed. Hard en dreigend klinkt zijn stem als hij tot den vreemdeling

zegt:

"Luister eens, mijnheer. Ge ziet mij voor een lompen boer aan,

nietwaar? Nu, dit zal ik niet tegenspreken, want er zijn een massa

dingen, waarvan een man als ik niet veel begrijpt; maar zoo dom als

uw lastgever schijnt te denken dat ik ben, is Hannes Klinge toch

niet. Wat het "Uilennest" mij waard is, kan zelfs de rijke Van Gulven

niet betalen! Verstaat gij dat, mijnheer?

Al wilde hij mij zijn groote hoeve, het schoone "Zorgwijk", in ruil

afstaan voor deze hut, die gij een bouwval noemt, dan nog zou ik

weigeren, want hier verdien ik mijn brood als een vrij man en ik

behoef niemand naar de oogen te zien, en dat is mijn ideaal, begrijpt

ge dat, vreemdeling? En als ik mij nu eens liet verlokken om deze

plaats aan u of aan Van Gulven te verkoopen, dan zoudt ge misschien

denken: Hannes Klinge kan hier aan den Davel wel een ander stukje

grond koopen om er een huisje op te laten bouwen, en zoo zijn jagers-

en visschershandwerk verder uitoefenen; maar dan kent ge boer Van

Gulven niet.

Op beide oevers van den Davel behoort het bouwland, de weidevelden en

het griendgewas aan Van Gulven of aan zijn vrienden, die het gepacht

hebben. Het "Uilennest" alleen behoort hem niet, en als de rijke boer

daar de hand op kon leggen, wel, dan was er voor den armen jager hier

geen andere woonplaats te vinden dan ginds in het moeras bij de

otters en meerkolven. Zeg gij nu," vervolgt de jager driftig, "zeg

gij nu aan hem, die u zond, dat als hij Hannes Klinge wil verdrijven

uit deze streek, hij andere maatregelen moet nemen, want deze list is

te doorzichtig, begrepen?"

De zaakwaarnemer heeft onwillekeurig zijn bankje wat uit de nabijheid

van den Gelderschman geschoven, en zijn gladde welbespraaktheid laat

hem in den steek, als hij de scherpe, toornige blikken van den jager

op zich voelt rusten.

Een onbehaaglijk gevoel heeft zich van hem meester gemaakt hier in

deze vreemde, sombere omgeving.

De uilen laten hun gillend gekras hooren van uit de oude wilgen, de

honden brommen in hun hoek, en die forsche jonkman, met zijn toornige

oogen en driftige stem, maakte het hem ook al niet gemakkelijk.

Hij beschouwt zijn poging als mislukt en acht het niet geraden verder

bij Hannes Klinge aan te dringen; daarom maakt hij zijn afscheid kort

en vertrekt.

Het Uilennest · 第 13 / 28 题