HOOFDSTUK VII.

Eenige jaren zijn vervlogen sinds den Meiavond, waarop Hannes Klinge

voor het eerst in den Bijbel las voor den ouden Krijn Vermeeren, en

gedurende de paar jaar, die de oude jager na dien tijd nog leefde,

heeft Hannes niet veel avonden overgeslagen zonder iets uit het oude

boek voor te lezen.

Krijn is gestorven, en geen eigen zoon had hem trouwer kunnen

oppassen dan Hannes Klinge heeft gedaan. Een ziekbed heeft de oude

jager niet gehad. Zooals met dergelijke ijzersterke gestellen dikwerf

gebeurt, zoo was het ook gegaan met Krijn Vermeeren. Een langzaam

verval van krachten sloopte het sterke lichaam bijna onmerkbaar, en

rustig en kalm zag de grijsaard den dood naderen, die voor hem geen

koning der verschrikking was. Maar voor dien tijd had hij alles wat

het zijne was, vermaakt aan Hannes Klinge, want met al de liefde, die

hij eens voor zijn Frank had gehad, was de kluizenaar uit het

"Uilennest" zich gaan hechten aan den kloeken Gelderschman.

Toen kwam het uur van scheiden. Op een schoonen Zondagmorgen, midden

in den zomer, terwijl Hannes en Olbert de schaapherder bij hem waren,

stierf Krijn Vermeeren en Hannes Klinge zal dat sterfbed nimmer

vergeten.

Vroeg in den morgen was de oude man ontwaakt na een rustig

doorgebrachten nacht, en toen Hannes aan zijn bed kwam,

verwonderde hij er zich over, dat de oogen van Krijn Vermeeren hem

zoo helder en klaar aanstaarden, en opgewekt vroeg hij of vader Krijn

niet iets wilde gebruiken. Maar deze schudde het hoofd, en de eens

zoo zware, krachtige stem sprak nu bijna fluisterend: "Hannes, licht

mij wat op en zet de deur van het binnenvertrek open; daar is het zoo

zonnig en ik zal de zon dezen dag niet onder zien gaan."

Hannes begrijpt zijne bedoeling niet, maar de sterke armen om den

ouden man heenslaande, zet hij hem een weinig overeind, en stopt met

een zorg, die men van den ruwen jagersgezel niet zou verwacht hebben,

een paar kussens achter het hoofd en den rug van den zieke.

"Waarom zoudt ge de zon van avond niet zien ondergaan, vader Krijn?"

vraagt Hannes.

"Omdat ik dan zal gestorven zijn," zegt de oude man, en als de

jonkman hem eenigszins verschrikt aankijkt, dan vallen hem die

eigenaardige strakke trekken in het oog, welke onmiskenbaar wijzen op

het naderend einde. De tranen springen Hannes in de oogen, want nu

bemerkt ook hij, dat het "Uilennest" spoedig weer een doode zal

herbergen.

Langzaam gaat de buitendeur open en de lange gestalte van Olbert den

schaapherder verschijnt in het vertrek. Hij is gisteravond ook nog

komen zien, hoe het met den ouden man ging en met zijn scherpen blik

en groote ervaring heeft hij gisteren reeds gemerkt, dat het leven

van den jager ras ten einde spoedt, en daarom is hij nu reeds zoo

vroeg naar het "Uilennest" gekomen.

Hij groet Hannes en wendt zich dan tot Krijn. Met een oogopslag heeft

hij gezien, dat de dood in aantocht is, en de lange gestalte van den:

ouden soldaat buigt zich over het bed.

"Dag Olbert," zegt Krijn, "kom je afscheid nemen voor het laatst? God

moge je loonen voor je trouwe vriendschap, want je waart steeds den

ouden jager een goed vriend.

Jij en mijn brave Hannes zijn de eenige vrienden, die ik hier heb

gehad," en zich tot Hannes wendend, zegt hij, terwijl zijn stem al

zwakker klinkt:

"Hannes, houd God voor oogen en bid Hem, dat Hij je hart beware voor

haat en booze driften, want dat zijn de klippen, waarop je stranden

zult. Hannes, ik heb je in den korten tijd, dat je hier zijt geweest,

lief gekregen als mijn zoon; hoor het woord van een stervende, en

vergeet nimmer, dat geen nacht van zonde en schuld zoo donker kan

zijn, dat de Heiland je niet kan redden uit die duisternis." Bijna

onhoorbaar wordt de stem, en de diep weggezonken oogen sluiten zich.

Buiten zingen de vogels hun morgenlied; daar dartelen de vlinders en

geuren de wilde bloemen, en over de witte vlierbloesems gonzen de

gouden torren. Alles in Gods schepping ademt leven, heerlijk krachtig

leven, maar in de hut van den jager gevoelt men de ontzaglijke

majesteit van den naderender dood.

Flauw mompelt de stervende onverstaanbare woorden en ligt dan weer

roerloos stil.

Nu en dan verstaan, de luisterende mannen wel iets van hetgeen hij

zegt, maar zijn geest is verward, en blijkbaar zijn het beelden uit

een lang verleden, die hem in bonte verwarring voorbijtrekken.

Dan opent hij de oogen weer, en kijkt Hannes aan met een langen blik,

en daarna Olbert, om eindelijk een wijle te blijven staren op zijn

trouwen hond, die zoo lang zijn eenige metgezel was, hier in het

"Uilennest." Het is als vangt de hond dien blik op, want dadelijk

springt het dier tegen de hooge bedstede op en legt den ruigen poot

op den arm van zijn meester; en er komt iets als een glimlach op het

gelaat van Krijn Vermeeren, want nu is zijn geest weer helder.

"Hannes," fluistert hij, "Hannes, zul je goed voor Wolf zorgen? Het

stomme dier zal den ouden man zoo missen. Het wordt zoo donker;

Frank, mijn Frank, waar ben je," mompelt hij, terwijl zijn geest zich

weer naar het verleden wendt.

Dan verheft zich zijn stem weer en hij roept klagend en angstig:

"Frank! het wak! het wak!"

Het snijdt Hannes door de ziel, en hij grijpt de klamme hand van den

stervende, en zich over hem heen buigend vraagt hij:

"Vader Krijn, kent ge mij nog?"

"Ja, Hannes, zien kan ik je niet meer, want alles is zoo donker, maar

ik hoor je stem. Zul je den ouden man niet spoedig vergeten, Hannes?

En zul je mijn bijbel gebruiken? O Hannes, moge uw stervensuur zijn

zooals het mijne!"

"Olbert," zegt de stervende met stamelende tong, "Olbert, blijf een

vriend voor Hannes en wijs hem naar boven, want jij hebt den Heiland

lief."

Nu strekt de oude man zich uit, zijn trekken worden strakker en de

reutelende ademhaling wordt flauwer en flauwer.

Nog eenmaal openen zich zijn oogen en hoe zacht ook gesproken, Hannes

hoort het toch en het zijn de laatste woorden van Krijn Vermeeren:

"Licht, Hannes; nu wordt het licht." Dan volgt een snik en de oude

jager uit het "Uilennest" is huiswaarts gegaan.

Het Uilennest · 第 12 / 28 题