De barre, lange winter is voorbijgegaan, en de heerlijke Meimaand
heeft haar blijden intocht gedaan in de vruchtbare Zuidhollandsche
landouwen.
De heldere blauwe hemel met de kleine, zachtkens drijvende witte
wolkjes kleurt zich met wonderschoone, rozeroode en goudkleurige
tinten daarginds in het westen, want de zon neigt ten ondergang.
Een lichte witte nevel hangt over den Davel en verbergt de witte en
gele waterlelies met de groote groene bladeren onder haar sluier.
Flauw beweegt het avondwindje de riethalmen op zijn oevers, en de
kwakende kikvorschen vermengen hun geluid met den kreet van den
blauwen reiger, die met zwaren wiekslag over den elzengriend strijkt.
Kwek! kwek! kwaken de eenden in het moeras, en zij kunnen rustig
kwekken, want geen schot uit de vuursteengeweren van Krijn Vermeeren
of Hannes Klinge zal hen nu opschrikken. De jacht is gesloten en dan
wil Krijn niet, dat er een schot meer gelost zal worden. Jager is hij
altijd geweest, doch nimmer strooper.
Op een houten bank onder het keukenraam zitten Hannes Klinge en zijn
oude baas. Zij genieten van den schoonen lenteavond, en de blauwe
rookwolkjes hunner tabakspijpen trekken langzaam weg in de reine,
balsem-geurige lucht.
Zooals ze daar naast elkander op die bank zitten, kan men hun
aanzien, dat ze zich tevreden en gelukkig gevoelen. Trouwens, beide
mannen kunnen zich geluk wenschen met de verandering en het verblijf
van Hannes in het "Uilennest".
Zoodra de jonge Gelderschman zijn werk begon als knecht van Krijn
Vermeeren, deed hij dat met een vlijt en toewijding, alsof hij in
plaats van een betaalden knecht de zoon des huizes was. Handig en
vlug als hij was, ruimde hij overal den verwarden rommel op, en toen
de sneeuw verdween, timmerde Hannes een kleine schuur achter de hooge
vlierheg, en daarheen verhuisden de ottervallen, bunsingklemmen,
aalkorven en alle dergelijke jacht- en visscherijbenoodigdheden. In
de eerste dagen had Hannes wel eens eenige overredingskracht noodig,
om van den ouden jager toestemming te verkrijgen dit of dat te
veranderen.
Krijn haalde dan de breede schouders op en zei met een droeven
glimlach:
"Och, mijn jongen, ik zou het maar zoo laten; het is nu reeds lang
zoo geweest, en ik ben er aan gewoon." Maar als Hannes dan met zijn
gemoedelijker Gelderschen tongval beweerde dat het "Uilennest" er
toch bepaald niet altijd zoo had uitgezien, dan helderde het gelaat
van Krijn op, en hij sprak:
"Neen, Hannes, toen mijn klein vrouwtje nog leefde, lag er hier geen
stofje op den vloer en alles was helder en rein. Maar toen vrouw en
zoon van mij zijn weggegaan, toen had ik geen lust meer in iets
anders dan in treuren en tobben over wat onherroepelijk voor mij was
verloren. Daarom, ga je gang maar, en schik het zooals je het best
lijkt."
En zoo vlogen de dagen voorbij, want nimmer gaat de tijd zoo snel als
wanneer het ons naar den zin gaat. En het ging hun beiden naar den
zin! Dat zou men hebben kunnen zien aan Krijn Vermeeren, als hij 's
avonds onder de groote schouw zijn pijp rookte en luisterde naar het
gebabbel van Hannes, die bovendien nooit ledig kon wezen, en altijd
wat zat te knutselen, of de geweren poetste, dat de loopen blonken
als gepolijst zilver.
Dat zou men hebben kunnen hooren als Hannes overdag aan het werk was,
want dan klonk soms zijn lied ver over de stille beemden, en
wonderlijk genoeg (zijn vroolijk opgeruimd karakter in aanmerking
genomen) waren het altijd zwaarmoedige melodieën, die hij met
prachtige baritonstem zong.
Een vreemden indruk maakte het gezang van Hannes Klinge op den ouden
jager, en meer dan eens bleef hij op zijn geweer geleund achter het
schuurtje staan luisteren, om eerst als de zanger zweeg zijn weg te
vervolgen.
Eens hoorde Krijn den Gelderschman een lied zingen, dat hem tot in de
ziel ontroerde, want datzelfde lied zong eens zijn eenige zoon. Wat
was die tijd reeds lang voorbij; maar hoe klaar en helder stond hij,
nu hij dat lied weer hoorde zingen, den grijzen jager voor het oog.
En dan, wat een hartstochtelijk liefhebber van de jacht was Hannes!
Als Krijn hem zoo gadesloeg, in zijn snelle en behendige behandeling
van het geweer, dan moest de oude jager bekennen, dat hij gedurende
zijn lang leven nog maar zelden een schutter had ontmoet als deze
Gelderschman. Driftig en bewegelijk van natuur, bezat hij toch het
onuitputtelijk geduld, dat den echten jager kenmerkt, en hij was in
staat om uren lang in de sneeuw neergehurkt te blijven zitten om een
armzaligen blauwen reiger onder schot te krijgen; een vogel, die
overigens voor den jager weinig of geen waarde heeft.
Maar nu is de jachttijd voorbij en de met vet ingesmeerde
vuursteengeweren hangen aan de dikke zolderbalken van het Uilennest.
Dezen schoonen lentedag hebben Hannes en zijn baas doorgebracht met
visschen, in den Davel en de groote, woeste snoeken en de logge,
donkerkleurige zeelt en zooveel andere waterbewoners, die van morgen
nog vrij rondspartelden tusschen de stengels der waterplanten,
zwemmen nu in de groote vischkaar, in afwachting van den handelaar,
die elke week komt vragen, of Krijn iets voor hem heeft.
Maar nu is het dagwerk afgeloopen, en alles om hen heen is rustig en
vredig. "Vader Krijn," zegt Hannes (want de oude jager wil niet
hebben dat hij hem "baas" noemt) "vader Krijn, vindt ge het niet
zonderling, dat ik mij hier zoo echt tehuis gevoel? Als ik onder de
menschen verkeer, is er altijd iets, dat mij ontstemt of verbittert.
Ik ben bij verschillende boeren als bouwknecht in dienst geweest en
overal vond ik iets dat mij noodzaakte mijn biezen te pakken. Bij den
een was het dit en bij den, ander was het dat. Toen werd ik soldaat
en ik dacht dat ik thans het leven gevonden had, dat mij meer naar
den zin zou wezen. Ik wilde bevordering maken en leerde wat ik kon,
en in het verschiet zag ik reeds de onderofficiersstrepen schemeren.
Maar de ontgoocheling volgde ras, want zoo ergens, dan zag ik hier
onrecht plegen en onrecht lijden, en dat kan ik maar niet verdragen.
Ik trok partij voor hen, wien onrecht werd aangedaan, en Hannes moest
alweer het loodje leggen; verschillende soorten van straffen werden
mij opgelegd, en ik was ten slotte mooi blij dat ik mijn paspoort te
pakken had en den dienst kon verlaten.
Toen kwam ik bij Van Gulven, en hoe het mij daar gegaan is, weet ge,
vader Krijn; daarom kan ik u niet dankbaar genoeg zijn, dat gij mij
in het "Uilennest" hebt opgenomen, want waar zou ik, arme woelwater,
anders weer terecht zijn gekomen.
Ha, ha," lachte Hannes, "wat was die rijke Van Gulven woedend, toen
hij vernam, dat die gehate Gelderschman zoo kort in zijn nabijheid
bleef;" en met jeugdigen overmoed vertelde hij den ouden Krijn, dat
ondanks al zijn maatregelen de trotsche boer niet kon beletten, dat
hij en Martha elkander nu en dan ontmoetten. En op welke listige
wijze hij Martha brieven in handen wist te spelen. Ja! Trouw zouden
ze elkander blijven, de rijke boerendochter en de arme jagersgezel,
onwankelbare trouw, en als Martha meerderjarig was, dan kon niemand
haar langer beletten zijne vrouw te worden.
Krijn Vermeeren, schudt het ruige hoofd. "Hannes," zegt hij, "je ziet
de toekomst helder voor je liggen, helder en onbewolkt als een
langen, schoonen zomerdag. Maar de stormen zullen komen, mijn jongen,
en dan zal het moeten blijken of de verbintenis met Martha van Gulven
je ten zegen of ten vloek is, want slechts in het ongeluk leert men
elkanders waarde kennen. Ik zeg dit echter niet om je den blijden
levensmoed te benemen, doch je vertrouwt te veel op eigen kracht en
je vergeet van wien alle levensgeluk moet komen. Eens droomde ik
denzelfden droom, dien jij nu droomt. Ik had het woelige, onrustige
zeemanslevenden den rug toegekeerd, en hier in dit oude huis mijn
anker laten vallen als in een veilige haven. En een enkele rukwind
slingerde mij in een zee van jammer. Daarom, Hannes, vertrouw niet te
veel op een gelukkige toekomst, want onze toekomst is in Gods hand,
en wij weten niet wat Hij over ons beschikken zal . . ."
't Wordt stil op de bank voor het "Uilennest". Zwijgend rooken Krijn
en Hannes hun pijpen, en als een bloedroode bol zinkt de zon weg
achter de goudglanzige kim.
Enkele sterretjes pinken aan het verdonkerende blauw van den hemel,
en een op buit beluste uil krast in de oude wilgen voor het huis;
door het avondkoeltje gedragen, galmen de klokketonen uit het dorp
ver over de velden.
"Hannes," zegt de oude jager, "Hannes, ik hoorde je een, poosje
geleden een lied zingen, en dat trof mij meer dan ik je zeggen kan.
Niet om het lied zelf, o, neen! maar omdat mijn Frank het zoo
dikwijls placht te zingen, en ik, oude baas, leef nog zoo gaarne in
dien lang verleden tijd; indien ik er verkeerd aan doe, dan moge de
goede God mij zulks vergeven, maar ik kan niet anders. Het is een oud
ruiterlied; wilt ge het nog eens zingen, Hannes?"
Zeker! Hannes wilde het wel zingen als het vader Krijn pleizier deed,
en zijn jonge, krachtige stem klinkt ver over de stille beemden:
"Drie ruiters rijden door de poort,
Adé, adé, adé,
Het liefje wenkt; zij rijden voort,
Ja, scheiden" ja, scheiden doet wee.
De wreedste scheiding is de dood,
Adé, adé, adé,
Hij maakt zoo menig ooglijn rood,
Ja, scheiden, ja, scheiden doet wee.
Nog eenige coupletten van het aloude ruiterlied, dat waarschijnlijk
reeds in de middeleeuwen gezongen werd, laat Hannes hooren; dan
sterft het geluid weg in de verte, en flauw herhaalt de echo het
refrein: scheiden, scheiden doet wee.
Geruimen tijd blijft de grijsaard nog op de bank zitten, maar zijn
pijp is uitgegaan en mijmerend spreekt hij de echo na: "Scheiden, ja,
scheiden doet wee."
En zijn breede hand op den schouder van den jonkman leggend, klinkt
er blijde hoop in die ruwe, zware stem, als hij zegt:
"Dat lied spreekt wel van de smart der scheiding, de scheiding door
den wreeden dood, maar niet van de hoop op wederzien, van wederzien
op een plaats, waar geen scheiding meer zal zijn. Aan die hoop klem
ik mij vast, Hannes, want die hoop heeft de goede God mij in het hart
gelegd.
Maar kom," vervolgde Krijn, "wij zullen naar binnen gaan; de
vleermuizen fladderen ons reeds om de ooren en vriend Wolf krijgt
honger en slaap.
Het was een prachtige avond, Hannes; waarschijnlijk zal ik niet veel
zulke Mei-avonden meer beleven."
"Waarom niet, vader Krijn," antwoordt Hannes, "ge zijt voor een man
van uwe jaren bijzonder krachtig. Neen neen! wij zullen te zamen nog
menige eend schieten en, menig vischje vangen; wij scheiden niet zoo
spoedig."
Maar de oude jager schudt het hoofd, want er zit hem een loomheid in
de beenen en een gevoel van afmatting door het geheele lichaam, die
hem doen vermoeden, dat dit het begin van het einde is. Doch het
verschrikt hem niet, want hij is bereid. Nu heeft de oude man de
vetkaars aangestoken, en Hannes doet buiten de vensters dicht. Dan
loopt de Gelderschman fluitend naar den oever van den Davel, om nog
eens naar de beide schuiten te zien, die aan in den grond geslagen
palen met een tamelijk lang touw vastgemeerd liggen.
De kleine platte boot dient, om er in den jachttijd mede te gaan
jagen. Dan hangen de jagers droge bossen riet langs het schuitje,
varen zoo ver mogelijk in het riet tusschen griend en moeras, laten
de houten lokeendjes op het water drijven, en loeren met den vinger
aan den trekker van den snaphaan tusschen de rietbossen door; zij
zijn aldus gereed om dadelijk te kunnen vuren.
Trekt dan een troep eenden hoog in de lucht over den Davel heen, dan
zien ze bijna altijd de lokeenden, en nieuwsgierig van aard, daalt de
zwerm, en wil bij de houten eendjes neerstrijken. Dit is het
gunstigste oogenblik voor den jager, en het donderend knallen der
zware geweren doet het overschot van den troep verschrikt overal
heervliegen. Hannes kan die kleine boot niet zien, of het verlangen
naar de jacht overmeestert hem. Maar Krijn wil niet dat er in
gesloten tijd een schot gelost wordt op den Davel, en Hannes heeft
nog nooit een meester gehad dien hij zoo onvoorwaardelijk gehoorzaamt
als den ouden jager uit het "Uilennest". Dat komt omdat Hannes
gevoelt, dat deze man hem lief heeft.
Hij acht en eert hem als ware de man zijn eigen vader, en onlangs,
toen hij op een Zaterdagavond? in H. was, en met een paar
boerenknechts stond te praten, was er een, die met de bedoeling hem
te krenken, op minachtender toon zeide:
"Jij hebt maar een fijnen dienst daar ginds aan den Davel, in dat
krot bij dien ouden, smerigen wilddief, dat mag er van gezegd worden!
Ha! Ha!" En hij lachte uitbundig om zijn eigen geestigheid. Maar hij
lachte niet lang, want het gelaat van den Gelderschman wordt
bloedrood van drift en met een woedenden vuistslag slingert Hannes
Klinge den rauwer klant tegen de steenen van de dorpsstraat.
"Mijn meester is geen rijke boer, zooals de jouwe, ellendeling!"
brult de jagersgezel, "maar hij is edel en goed en wie iets te zijnen
nadeele durft zeggen in mijn tegenwoordigheid, krijgt met mij te
doen, al moest het mij den kop kosten!"
Doodsbleek van schrik en met bloedende lippen tracht de boerenknecht
zich buiten bereik van den woesten Gelderschman te stellen, terwijl
de andere jongelieden Hannes vastgrijpen, ten einde hem van verdere
gewelddaden terug te houden.
Maar deze rukt zich los en: vliegt zijn tegenstander na, die zich uit
de voelen wil maken, grijpt hem in de borst, en hem geweldig heen en
weer schuddend, schreeuwt hij heesch van woede:
"Je zult mij zeggen, waarom je den ouden Krijn Vermeeren zoo laag
belastert, je zult het mij zeggen, anders vermoord ik je, zoowaar ik
leef!"
Sidderend voor de vlammende oogen en den woesten toorn van Hannes
Klinge, stamelt de boerenknecht: "Laat mij los, ach, Hannes, laat mij
toch los, ik weet niets ten nadeele van Vermeeren, maar de jonge
boer, de zoon van mijn baas, zei in den loop van de week tegen mij:
"Arie,--zeit-ie,--Arie, als je Zaterdagavond soms Hannes Klinge in
het dorp ontmoet,--zeit-ie,--vraag hem dan eens hoe het hem bevalt in
zijn nieuwen dienst, bij dien ouden strooper uit het "Uilennest".
Nu schoot mij daareven die boodschap van den jongen boer in de
gedachten, en toen zei ik het maar, en nu loop ik er klappen voor
op."
Haperend en stotterend komt deze bekentenis er uit, en weer volgt het
smeekend verzoek: "Toe Hannes, laat me nu los, ik neem terug wat ik
gezegd heb, en waarlijk, ik zal geen kwaad van Krijn den Uil spreken;
ik heb genoeg aan een stukgeslagen wang; mijn tanden rammelen, in
mijn kaken; morgen heb ik een paar lippen als een neger, en ik meende
nog wel aan de ouders van mijn Jans om het jawoord te gaan vragen; ik
zal er morgen nogal lief uitzien!"
Hannes laat zijn slachtoffer los, en even snel als zijn toorn is
opgekomen, verdwijnt die ook weer, en zoo onweerstaanbaar komiek is
de houding van Arie, dat de Gelderschman, die daareven nog razend was
van drift, nu vruchteloos kampt tegen een opkomende lachbui.
Zijn toorn is weer voorbij en de ijzeren vuisten laten Arie los, maar
toch klinkt zijn stem hard, als hij tot den boerenknecht zegt:
"Vertel nou aan den rooden Gerrit Dubbe, den zoon van je baas, dat je
zijn boodschap gedaan hebt, maar dat hij voortaan zulke boodschappen
zelf maar moet doen, want dat Hannes Klinge dat liever heeft, en of
hij die sneeuwbalpartij van verleden winter al vergeten is; maar wees
jij voortaan wijzer, Arie, want ik kan niet dulden, dat men iemand
beleedigt, die mij lief is."
Zoo was dan deze twist afgeloopen, en na deze uitweiding, die als
bewijs kan dienen hoe na de oude jager Hannes aan het hart ligt,
keeren wij tot onze hoofdpersonen terug. Hannes stond nog een
oogenblik op den oever van den Davel, en vond het jammer om reeds
naar binnen te gaan, want de bekoring van de heerlijke frissche lucht
en de plechtige stilte om hem heen hielden den jonkman geboeid.
Eindelijk toch wendt hij zich om en gaat naar binnen. Oude Krijn zet
reeds brood en gebakken visch op tafel, terwijl Wolf zijn meester
overal met de glinsterende oogen volgt, want hij heeft de gebakken
visch gezien en loert nu op de koppen en de graten.
Eigenaardig is het, hoe lief deze hond zijn ouden meester heeft.
Reeds vijf maanden is Hannes in het "Uilennest", maar het is dezen
tot dusver nog niet gelukt het vertrouwen van Wolf ook maar in het
minst te winnen.
De hond is hem niet vijandig gezind, maar ook niet geneigd tot eenige
vertrouwelijkheid. Klopt Hannes hem op den kop, dan kijkt Wolf zijn
meester aan, als wil hij vragen: "Baas, moet ik dat toelaten of
niet?" Dan komt op het verweerde gelaat van Krijn een stille
glimlach, en als hij dan zegt: "Hannes zal ons geen kwaad doen,
Wolf," dan trekt de hond onwillig zijn kop weg, en gaat vlak bij zijn
meester staan.
Hannes moet er om lachen. "Geloof mij, vader Krijn," zegt hij,
terwijl hij zijn bankje bij de tafel schuift, "geloof mij, Wolf zou
niets liever hooren dan het commando Pak hem! En wat zou hij den
gehaten vreemdeling, die de rust is komen verstoren in het
"Uilennest", aan flarden scheuren."
"Ach," antwoordt Krijn, "de hond is jarenlang mijn eenige makker
geweest, want zelden kwam er iemand in mijne hut. Slechts Olbert de
schaapherder bleef wel eens een uurtje bij mij praten als hij naar de
stad was geweest, of des zomersavonds als hij zijn schapen langs den
Davel liet weiden. En Olbert heeft er slag van om met honden om te
gaan; maar al betoont Wolf den schaapherder eenige vriendschap, hij
is het best in zijn schik als hij met mij alleen is. Wolf is
jaloersch, en daarom is hij zoo stug; jij bent hem te veel in het
"Uilennest", Hannes."
Een vluchtige gedachte komt op in de ziel van den jonkman, en den
ouden jager trouwhartig in de oogen kijkend, zegt hij:
"Hebt gij geen berouw, vader Krijn, dat ge een woelwater zooals ik
ben, tot uw huisgenoot gemaakt hebt?" Er klinkt eenige onrust in de
stem van Hannes als hij deze vraag doet. Want in de vijf maanden, die
hij hier heeft doorgebracht, is de oude man en het oude huis hem lief
geworden.
Doch Krijn legt hem de hand op zijn schouder, en zegt zoo hartelijk
als een vader tot zijn zoon: "Neen Hannes, ik heb er gelukkig nog
geen berouw van gehad, want ik beschouw je komst hier op deze plaats
als een beschikking van den goeden God, die mij, ouden eenzamen man,
een metgezel zond, waarop ik in mijn ouderdom kan steunen. Want
waarlijk, Hannes, ik zou je niet meer kunnen missen, zoo ben ik aan
je gezelschap gewend en de goede God vergeve het mij, maar indien ik
je moest missen, het zou mij zijn, als verloor ik mijn Frank ten
tweeden male. Ik zou de eenzaamheid niet meer kunnen dragen."
De vetkaars brandde met flauwen schijn, en door het openstaande raam
viel het vriendelijke licht der sterren. Een witte nachtvlinder
fladderde om het flikkerende kaarslicht en schroeide zich telken de
vlerkjes. Hannes moest er om lachen, terwijl hij met smaak zijn
boterham met gebakken visch nutttigde. Maar de oude Krijn lachte
niet; hij was op zijn manier een wijsgeer, en op den vlinder wijzend,
die ondertusschen zijn dwazen lust met den dood had geboet, sprak
hij: "Kijk Hannes, dat is nu het beeld der zonde. Als iets heerlijks
en aanlokkelijks schijnt dat onnoozele lichtje den vlinder toe, en
het stomme diertje wordt er zoo onweerstaanbaar door aangetrokken,
dat het alle pogingen in het werk stelt om in dien lichtkring te
komen en ten slotte is het einde zijn verderf. Zooals het kaarslicht
den vlinder, zoo lokt de zonde den mensch. Zonder God in de wereld
verschijnt het kwaad ons bijna altijd in den lichtglans der vreugde.
Toen ik jong en sterk was, zooals jij nu, voer ik ter zee, zooals ik
je reeds meer heb verteld, en het geld, dat ik met varen verdiende,
verbraste ik aan den wal met losbandige, vroolijke gezellen.
Wij vroegen niets van het leven dan genot, en dat zochten en vonden
wij slechts daar, waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht den
armen vlinder, die daar ligt. Hoevelen heb ik niet op mijn levensweg
ontmoet, die het lot van den vlinder gedeeld hebben, wier
levenskracht en gezondheid onherroepelijk werden verwoest, en voor
wie de dood een weldaad was te noemen.
Zij hadden de vleugels verbrand aan dat bedrieglijk, verraderlijk
licht, Hannes, maar de goede God toonde in zijn barmhartige liefde
mij een ander licht,--toen alles duister was om mij heen. Dat licht
straalde af van het kruis van Golgotha, en het bescheen mijn
levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn stervensuur het
oog op mag richten, en dat het mij tot leidstar mag zijn als de
schaduwen des doods mij omringen."
Een oogenblik van stilte volgt; de oude jager schuift het overschot
van het avondmaal in een grooten tinnen schotel, breekt er een paar
hompen brood in en zet het voor den geduldig wachtenden hond neer.
Hannes kijkt door het raam naar buiten en staart naar de fonkelende
sterren aan den zwartblauwen hemel.
De woorden van Krijn treffen zijn licht ontvankelijk gemoed, maar
morgen zal hij ze weer vergeten zijn; zoo is hij.
Nu schijnen die sterren op hem neer te blikken als de reine oogen van
zoovele engelen, en het uitspansel daarboven spreekt hem van Gods
almacht. Onwillekeurig vouwen zich zijn gespierde handen als tot een
gebed, doch het is de indruk van het oogenblik, en die indrukken
vervliegen zoo ras.
"Hannes," zoo klinkt weer de diepe stem van Krijn, "Hannes, wil je
mij, ouden man, een pleizier doen?"
"Zeker," zegt Hannes, "zeker, vader Krijn, als mij zulks mogelijk is,
met genoegen."
Krijn rijst op van zijn bankje en gaat naar den donkeren hoek, waar
de groote groen geschilderde scheepskist staat.
Na eenig zoeken en scharrelen, komt hij terug met een dik pak in de
hand, en na er den lap zeildoek, waarin het gewikkeld is, te hebben
afgedaan, komt er een bijbel voor den dag, waarvan de lederen band
geheel beschimmeld is.
"Zie!" zegt Krijn, en er trilt diepe weemoed in zijne stem, "dit boek
behoorde eens aan mijne vrouw, en zij placht er dikwijls uit voor te
lezen, de arme ziel. Ik hoor haar nog zeggen: Krijn, jij en Frank
willen nooit ter kerke gaan, maar wij zijn toch geen heidenen;
luister daarom naar mij, dan zal ik wat voorlezen uit het heilig
boek. En langzaam, hier en daar de woorden spellend, las zij ons dan
vóór uit dezen bijbel. Arme ziel, zij meende het goed, maar het
maakte niet veel indruk op mij. Mijn hard gemoed moest eerst
verbrijzeld worden door smart en rouw.
Nu wilde ik zoo gaarne, Hannes, dat jij mij iets voorlaast uit het
oude boek, want zelf kan ik het niet; ik heb het niet geleerd.
In mijn jonge jaren heb ik het niet gewild; mijn geweer en mijn
vischnet waren mij genoeg, en toen ik mijn fout begon in te zien, was
het te laat. Jij kunt goed lezen, Hannes, dat weet ik; wil jij nu den
ouden man iets voorlezen?"
Hannes legt den bijbel voor zich op de tafel, trekt de kaars een
weinig naar zich toe, en slaat de muffe, vochtige bladen om.
"Vader Krijn," zegt hij, "wat zal ik lezen, uit het Oude, of uit het
Nieuwe Testament, of zal ik maar bij de eerste bladzijde beginnen?"
Het grijze hoofd van den ouden jager buigt zich over het boek en,
eenige bladen omslaande wijst hij met den vinger op een vouw in een
der bladen, en zegt dan:
"Deze vouw moet er door mijn vrouw in gemaakt zijn, Hannes, en
waarschijnlijk is zij hier geëindigd. Nu wilde ik graag, dat je met
deze bladzijde begont."
Stil, indrukwekkend stil is het in de oude jagershut en daarbuiten.
Het tikken van de klok en de regelmatige, rustige ademhaling van den
slapenden hond is het eenige geluid, dat de stilte stoort. Dan klinkt
de heldere stem van Hannes Klinge, die sinds zijn jongensjaren geen
bijbel meer in handen heeft gehad. Hij leest van het lijden, en
strijden van den Heiland in Gethsemané's hof. Een strijd, die zoo
zwaar was en zoo bang, dat het stof der aarde Zijn bloedzweet dronk.
Van dien strijd, alléén gestreden door den Goddelijken Strijder,
geheel alleen, Zijn discipelen slapend, en de verrader nabij.
Hij leest dat ontroerend gebed: Vader! indien het mogelijk is, laat
dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar
gelijk Gij wilt.
Hij leest van den vreeslijker smaad, van de lage mishandeling, Hem
aangedaan, die gedurende zijn omwandeling op aarde niets deed als
goed, en Hannes begrijpt niets van 's Heilands woord tot Petrus: Keer
uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen,
zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat Ik mijnen Vader nu
niet bidden kan, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioen engelen
bijzetten?
Waarom dan van die hemelsche macht geen gebruik gemaakt, en dien
verwaten hoogepriester en die giftige farizeën, schriftgeleerden en
ouderlingen niet verpletterd?
Hannes schuift, als hij het hoofdstuk heeft uitgelezen, den bijbel
naar den ouden man, die in stille aandacht heeft toegeluisterd, en
zegt:
"Vader Krijn, ik weet van deze dingen zoo weinig af, want het is
jaren geleden, dat ik een woord in den bijbel gelezen heb, maar zeg
mij, kunt gij begrijpen, dat Christus, die zóó werd gesmaad, verraden
en mishandeld, geen verderf bracht over die valsche bende, daar in de
zaal van Kajafas? Dan had de wereld geweten, dat Hij de machthebber
was en niet zijn ellendige tegenstanders; zeg vader Krijn, begrijpt
gij dat?"
Eenigszins heftig stelt Hannes Klinge deze vraag, want het onschuldig
lijden van den Heer wekt in zijn hart verbittering tegen hen, die Hem
dat leed doen dragen, dat leed en dat lijden, waarvan Hannes de
oorzaak niet begrijpt.
Een oogenblik blijft de oude jager voor zich uit staren, als hoorde
hij de tot hem gerichte vraag niet, maar dan wendt hij zich tot
Hannes Klinge en de doordringende oogen van den grijsaard zien, den
jonkman ernstig aan.
"Zie Hannes," zegt hij, "ik ben maar een onwetend man en Olbert de
eenarm zou je een beter antwoord op deze vraag kunnen geven, dan ik,
doch het komt hierop neer:
Jezus' komst op aarde, zijn leven, zijn lijden, zijn sterven, 't was
alles tot behoudenis en tot heil, tot redding voor een in schuld en
zonde verzonken menschheid.
Als mensch droeg Hij menschelijk lijden, Hij de Zoon van God, en geen
lijden, lichamelijk en geestelijk, bleef Hem bespaard. Van zijne
almacht maakte Hij slechts gebruik tot hulp en redding van
menschenkinderen, nimmer tot hun verderf.
En denk je nu, Hannes Klinge, dat de menschen in Hem geloofd zouden
hebben, indien Hij in de zaal van Kajafas zijn tegenstanders had
verpletterd? Had de Heiland niet blinden ziende gemaakt? Geen
kreupelen en lammen doen wandelen? Had Hij niet dooden opgewekt uit
den eeuwigen doodsslaap, en heeft men Hem niet teekenen en wonderen
zien verrichten, die alle als zoovele bewijzen waren van zijne
Goddelijke almacht? Neen, Jezus Christus heeft geleefd, opdat wij
zouden trachten Hem na te volgen, onder biddend opzien tot God, en
Hij is gestorven als zoenoffer voor de schuld der wereld. Voor ons
leed Hij, met menschelijke smart, het duldeloos lijden aan het
vloekhout.
En daarom, Hannes, en vergeet dit woord van den ouden Krijn nooit, al
ben je nog zoo in de zonde en schuld verzonken, en de ure komt,
waarin je oprecht en met berouw in het harte je wendt tot Hem, dan is
het nimmer te laat, want zelfs de moordenaar aan het kruis hoorde te
midden zijner smarten en op den oever des doods zijn heerlijk woord:
"Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."
Er zijn vele eeuwen vervlogen, sindt dat woord door den Heiland werd
gesproken daar op dien bloediger kruisheuvel van Golgotha, maar wie
zal ze tellen, die met schuld beladen, in eigen oog verloren
menschenkinderen, voor wie dat woord ten zegen werd als alle hope hun
ontviel!
Hannes, God verhoede het, maar het kan gebeuren, dat je in een
toestand geraakt, waarin je geen licht meer ziet. Een toestand, als
waarin ik verkeerde, toen mijn zoon verdronken en mijn vrouw
gestorven was. Als alles ons begeeft, waar het hart zich aan hechtte,
dan kan het zoo donker, zoo troosteloos donker zijn op ons pad, dat
het leven ons een last wordt en ik ben er na aan toe geweest het
leven van mij al te werpen door een schot uit mijn geweer.
De goede God wilde het niet en uit de duisternis die mij omgaf, zond
Hij mij, armen zondaar, licht. En nu is het mijne bedoeling, Hannes
Klinge, dat indien ooit de wanhoop je aangrijpt en je geen uitkomst
meer ziet dan den dood, dat je dan zult denken aan wat de oude Krijn
Vermeeren je eens heeft gezegd.
En laat ons nu gaan slapen, Hannes, want we moeten morgenochtend vóór
zonsopgang reeds op, om onze palingfleuren te lichten. Goeden nacht!"
Krijn gaat naar voren en Wolf volgt hem als zijn schaduw, maar Hannes
gaat naar buiten, en geruimer tijd vertoeft hij nog, en luistert in
gedachten verzonken naar het kwaken der eenden en het fluiten, der
otters, ginds in het moeras. Dan keert ook Hannes zich om en slentert
met tragen tred naar binnen, als kan hij slechts noode scheiden van
den heerlijken, lentenacht daarbuiten.