Met een licht hart en een lied op de lippen stapte Hannes door de
mulle sneeuw, die met een dikke laag, hier en daar tot heuvels
opgewaaid, den landweg bedekte.
Gisteravond had hij den sneeuwstorm verwenscht, die hem, afgemat en
moedeloos als hij was, had gedwongen bescherming en schuilplaats te
zoeken in het "Uilennest"; nu wenschte hij er zich geluk mede, want
zonder dien sneeuwstorm zou hij nooit aan de jagershut hebben,
aangeklopt, en zou hij thans weer dezelfde ellende beleven als
gisteren: overal aankloppen om werk en het nergens vinden.
Frisch blaast de noordenwind over den Davel, en kleurt hem de wangen
rood en doet het fijne sneeuwstof uit de knotwilgen langs den weg
zacht op hem neerdalen.
Hoog in de blauwe lucht gaggelt een voorbijtrekkende troep wilde
ganzen, ginds in de verte achter de ingesneeuwde grienden hoort
Hannes eenden kwaken in de wakken van den Davel, waar eens Frank van
den jager verdronk.
Daar hoort de eenzame wandelaar flauw het klinken van zilveren bellen
voor hem op den weg, en dat vroolijk en melodieus geluid is hem
bewijs dat een arreslee nadert.
"'t Is waar ook," zegt Hannes bij zich zelven, "het is vandaag
marktdag in de stad; het zal een boer zijn, die uit H. komt arren, en
den weg langs den Davel verkiest boven den ringdijk."
Daar komt de slede achter de boomen vandaan en het heldere
winterzonnetje doet het beltuig schitteren en blikkeren als louter
goud.
Op den kop van het koolzwarte paard lijkt de roode pluim in dat
zonnelicht wel een golvende bloedstroom en de vergulde leeuw voor op
de ar staat als tot springen gereed.
In de ar achter den leeuw zit, warm ingepakt, een jonge frissche
boerin, met donkere oogen en blozende wangen terwijl achter op het
stuurbankje een statige boer zit, die met vaste hand de lange
leidsels voert, welke het vurige paard in bedwang houden.
De klepper doet de sneeuw opstuiven onder zijn hoefslag, en Hannes
Klinge heeft zoowel paard als ar herkend; zoowel de jonge boerin als
den man op het stuurbankje.
En het hart van den koenen Gelderschman begint te kloppen van geweld,
want de jonge boerin is Martha van Gulven, en die heeft hij lief met
onwankelbare trouw, en de voerman van de ar is haar vader, de boer
van "Zorgwijk", en dien haat hij als zijn bittersten vijand. Voor de
eene zou hij bereid zijn het leven te wagen, en voor den ander zou
het gevaarlijk kunnen zijn hem op een eenzame plek in den weg te
komen, want Hannes Klinge geeft liefde voor liefde, maar ook haat
voor vijandschap.
En vijandschap had die man hem betoond en zijn macht had de rijkaard
hem doen gevoelen, maar thans was hij buiten zijn bereik, want op den
ouden jager uit het "Uilennest" had boer Van Gulven geen vat. Krijn
Vermeeren was een vrij man, die niemand naar de oogen behoefde te
zien; die boog zich slechts voor God en anders voor niemand.
Nu heeft de ar hem bereikt en ongetwijfeld herkent de boer van
"Zorgwijk" zijn gewezen bouwknecht, want zijn zware wenkbrauwen
trekken zich te zamen en een fluitende zweepslag treft zijn klepper.
Steigerend vliegt het paard vooruit en bliksemsnel passeert de ar
Hannes Klinge. Maar nog sneller ontmoeten elkaar de blikken van den
Gelderschman en van Martha van Gulven, en de jonkman leest in die
mooie donkere oogen onwankelbare liefde en trouw.
Zonneschijn is er in het hart van Hannes, en al bemerkt hij de
vijandige houding van den boer wel, dat verdrijft toch zijn goede
luim niet, en met een soldatenlied op de lippen, stapt hij vioolijk
het erf op van de Schaapskooi.
Blaffend schiet Spits, de nijdige herdershond, op Hannes af, maar
maakt dadelijk rechtsomkeert, als hij de zware basstem van Olbert den
eenarm hoort.
Onder de noteboomen stond de schaapherder, en leunde met zijn ééne
hand op den langen steel van een bijl, en een stapel gehakt hout
naast hem bewees, dat hij dezen schoonen wintermorgen niet in
ledigheid heeft doorgebracht; ook dat zijn rechterarm gespierd genoeg
is om met hetzelfde gemak de bijl te voeren als een ander man met
twee armen.
"Ha! ben je daar, Hanneske," roept vrouw Sanne, en kijkt over de
onderdeur, "je brengt goede tijding, dat kan ik wel aan je gezicht
zien. Olbert," vervolgt ze tot haar man, "breng Hannes mee binnen,
dan kan hij ons zijn wedervaren vertellen, en een kop warme koffie
drinken; ik heb ze net gezet!"
De vriendelijke vrouw gaat naar binnen, en beide mannen volgen haar.
Als de koffie in de kommen dampt en de stoelen bij den haard zijn
geschoven, dan vertelt Hannes, hoe het hem gegaan is sinds hij
gistermorgen vroeg de Schaapskooi verliet.
Zijn aangezicht wordt donker, als hij spreekt van de boeren, bij wie
hij zich aanmeldde om werk, en die hem afwezen, hoewel hij zeker
wist, dat men hem goed kon plaatsen; en hij knarst op de tanden als
hij vertelt van zijn ontmoeting met den jongsten knecht van
"Zorgwijk", die hem voor was geweest bij de boeren, om op last van
Van Gulven de lieden tegen hem op te zetten.
Maar de toornige trek wijkt van dat beweeglijk gelaat, en maakt
plaats voor een uitdrukking van neerslachtigheid, als Hannes spreekt
van het vervelende, verdrietige werk zoeken in de stad. Hoe hij
overal hetzelfde weigerend antwoord ontving en hoe hij moedeloos en
vermoeid in storm en sneeuwjacht eindelijk de oude jagershut aan den
Davel bereikte.
Met dankbaarheid verhaalt Hannes verder, hoe gastvrij de oude,
eenzame man hem ontving in zijn wonderlijke, geheimzinnige woning,
nadat de oude zich overtuigd had, dat zijn late bezoeker met geen
kwade bedoeling kwam. En met glinsterend oog en zonnig gelaat besluit
Hannes met de mededeeling, dat hij op dit oogenblik jagersknecht is
bij Krijn Vermeeren, en dat zijn tehuis het "Uilennest" is.
Vrouw Sanne slaat de handen ineen, en zegt anders niet dan: "wel,
Hanneske, wel Hanneske", maar Olbert strekt de lange beenen uit naar
het vuur, en met de bruine, magere hand over den witten knevel
strijkend, kijkt hij Hannes Klinge recht in de oogen.
"Hannes," zegt de schaapherder op ernstigen toon, "Hannes, ik kan je
niet zeggen, hoeveel genoegen het mij doet, dat je werk en tehuis
hebt gevonden bij Krijn Vermeeren. Hij mag wat zonderling wezen en
over het algemeen menschelijk gezelschap vermijden, maar hij heeft
een hart van goud en een kinderlijk eenvoudig geloof.
Het moest zoo zijn, Hannes, dat storm en noodweer je naar het
"Uilennest" dreven, het moest zoo zijn, dat de jager, die anders
nooit gezelschap of hulp begeert, juist jou moest aantreffen, om in
jou een voor hem geschikt persoon te vinden. Het eene is een gevolg
van het andere, maar het is de goede God hierboven, die al ons doen
en handelen bestuurt, die ons den weg aanwijst, dien wij hebben te
bewandelen, en Hem alleen is het ook bekend, of het jagersleven in
het "Uilennest" je ten zegen of ten verderve zal zijn. Neem dezen
raad van mij aan, Hannes Klinge: laten vijandschap en haat je hart
niet overweldigen en wend je tot Hem, die je levenslot beheerscht;
die bloemen kan doen bloeien op je pad, en je kan voeren in de
donkerste diepten van menschelijk lijden; die heden geeft en morgen
neemt, al naar zijn Goddelijk welbehagen; maar geloof mij, mijn
jongen, of Hij ons zonneschijn schenkt, of lijden ons beschikt, het
is alles tot ons bestwil, want Hij, die zijn eenigen Zoon gaf tot
bloedig zoenoffer voor menschelijke zonde en schuld, kan alles tot
ons bestwil schikken. Daarom nog eenmaal, Hannes, wend je naar het
Kruis van Christus, en heb je geluk in het leven, dank er Hem voor;
treft je smart of lijden, bid tot Hem om kracht om te dragen wat Hij
je oplegt, maar bovenal, Hannes, strijd onder biddend opzien tot God
tegen haat en drift, want dat is je kwetsbare plek en daarop zal
Satan zijn aanvallen richten. En indien je geen kracht zoekt in het
gebed, dan zul je overwonnen worden en je brengt ellende en jammer
over jezelven en over hen, die je lief en dierbaar zijn op aarde.
Mogelijk," vervolgt de schaapherder, "mogelijk zul je denken: die
Olbert komt altijd met vermaningen en hij is er altijd op uit, mijn
vroolijke stemming te bederven, maar het is mijn plicht, Hannes, je
op deze dingen te wijzen, want ik weet immers uit mijn wilde jeugd
hoe ver men afdwaalt zonder God; en wellicht zul je nog om mijn
woorden denken als reeds lang de graszoden het overschot van "Olbert
den eenarm" dekken."
Hannes is opgestaan; hij vat het bundeltje kleeren, dat vrouw Sanne
voor hem heeft gereed gezet, in de linkerhand en met de rechterhand
grijpt hij de hand van den gewezen soldaat van Napoleon en zegt:
"Ik weet, Olbert, dat er niet veel menschen hier in den omtrek zijn,
die ik nu bepaald mijne vrienden zou kunnen noemen, maar gij zijt dat
wèl, en daarom wil ik alles van u aannemen wat gij mij aanraadt voor
zoover mij zulks mogelijk is, want ik ben overtuigd, dat ge mijn
geluk bedoelt."
Hartelijk schudde Hannes Olbert en vrouw Sanne de hand, beloofde dat
hij spoedig weer eens zou komen aanloopen, en richt dan zijn schreden
weer naar het "Uilennest", om daar zijn nieuwe loopbaan aan te
vangen.