HOOFDSTUK V.

Met een licht hart en een lied op de lippen stapte Hannes door de

mulle sneeuw, die met een dikke laag, hier en daar tot heuvels

opgewaaid, den landweg bedekte.

Gisteravond had hij den sneeuwstorm verwenscht, die hem, afgemat en

moedeloos als hij was, had gedwongen bescherming en schuilplaats te

zoeken in het "Uilennest"; nu wenschte hij er zich geluk mede, want

zonder dien sneeuwstorm zou hij nooit aan de jagershut hebben,

aangeklopt, en zou hij thans weer dezelfde ellende beleven als

gisteren: overal aankloppen om werk en het nergens vinden.

Frisch blaast de noordenwind over den Davel, en kleurt hem de wangen

rood en doet het fijne sneeuwstof uit de knotwilgen langs den weg

zacht op hem neerdalen.

Hoog in de blauwe lucht gaggelt een voorbijtrekkende troep wilde

ganzen, ginds in de verte achter de ingesneeuwde grienden hoort

Hannes eenden kwaken in de wakken van den Davel, waar eens Frank van

den jager verdronk.

Daar hoort de eenzame wandelaar flauw het klinken van zilveren bellen

voor hem op den weg, en dat vroolijk en melodieus geluid is hem

bewijs dat een arreslee nadert.

"'t Is waar ook," zegt Hannes bij zich zelven, "het is vandaag

marktdag in de stad; het zal een boer zijn, die uit H. komt arren, en

den weg langs den Davel verkiest boven den ringdijk."

Daar komt de slede achter de boomen vandaan en het heldere

winterzonnetje doet het beltuig schitteren en blikkeren als louter

goud.

Op den kop van het koolzwarte paard lijkt de roode pluim in dat

zonnelicht wel een golvende bloedstroom en de vergulde leeuw voor op

de ar staat als tot springen gereed.

In de ar achter den leeuw zit, warm ingepakt, een jonge frissche

boerin, met donkere oogen en blozende wangen terwijl achter op het

stuurbankje een statige boer zit, die met vaste hand de lange

leidsels voert, welke het vurige paard in bedwang houden.

De klepper doet de sneeuw opstuiven onder zijn hoefslag, en Hannes

Klinge heeft zoowel paard als ar herkend; zoowel de jonge boerin als

den man op het stuurbankje.

En het hart van den koenen Gelderschman begint te kloppen van geweld,

want de jonge boerin is Martha van Gulven, en die heeft hij lief met

onwankelbare trouw, en de voerman van de ar is haar vader, de boer

van "Zorgwijk", en dien haat hij als zijn bittersten vijand. Voor de

eene zou hij bereid zijn het leven te wagen, en voor den ander zou

het gevaarlijk kunnen zijn hem op een eenzame plek in den weg te

komen, want Hannes Klinge geeft liefde voor liefde, maar ook haat

voor vijandschap.

En vijandschap had die man hem betoond en zijn macht had de rijkaard

hem doen gevoelen, maar thans was hij buiten zijn bereik, want op den

ouden jager uit het "Uilennest" had boer Van Gulven geen vat. Krijn

Vermeeren was een vrij man, die niemand naar de oogen behoefde te

zien; die boog zich slechts voor God en anders voor niemand.

Nu heeft de ar hem bereikt en ongetwijfeld herkent de boer van

"Zorgwijk" zijn gewezen bouwknecht, want zijn zware wenkbrauwen

trekken zich te zamen en een fluitende zweepslag treft zijn klepper.

Steigerend vliegt het paard vooruit en bliksemsnel passeert de ar

Hannes Klinge. Maar nog sneller ontmoeten elkaar de blikken van den

Gelderschman en van Martha van Gulven, en de jonkman leest in die

mooie donkere oogen onwankelbare liefde en trouw.

Zonneschijn is er in het hart van Hannes, en al bemerkt hij de

vijandige houding van den boer wel, dat verdrijft toch zijn goede

luim niet, en met een soldatenlied op de lippen, stapt hij vioolijk

het erf op van de Schaapskooi.

Blaffend schiet Spits, de nijdige herdershond, op Hannes af, maar

maakt dadelijk rechtsomkeert, als hij de zware basstem van Olbert den

eenarm hoort.

Onder de noteboomen stond de schaapherder, en leunde met zijn ééne

hand op den langen steel van een bijl, en een stapel gehakt hout

naast hem bewees, dat hij dezen schoonen wintermorgen niet in

ledigheid heeft doorgebracht; ook dat zijn rechterarm gespierd genoeg

is om met hetzelfde gemak de bijl te voeren als een ander man met

twee armen.

"Ha! ben je daar, Hanneske," roept vrouw Sanne, en kijkt over de

onderdeur, "je brengt goede tijding, dat kan ik wel aan je gezicht

zien. Olbert," vervolgt ze tot haar man, "breng Hannes mee binnen,

dan kan hij ons zijn wedervaren vertellen, en een kop warme koffie

drinken; ik heb ze net gezet!"

De vriendelijke vrouw gaat naar binnen, en beide mannen volgen haar.

Als de koffie in de kommen dampt en de stoelen bij den haard zijn

geschoven, dan vertelt Hannes, hoe het hem gegaan is sinds hij

gistermorgen vroeg de Schaapskooi verliet.

Zijn aangezicht wordt donker, als hij spreekt van de boeren, bij wie

hij zich aanmeldde om werk, en die hem afwezen, hoewel hij zeker

wist, dat men hem goed kon plaatsen; en hij knarst op de tanden als

hij vertelt van zijn ontmoeting met den jongsten knecht van

"Zorgwijk", die hem voor was geweest bij de boeren, om op last van

Van Gulven de lieden tegen hem op te zetten.

Maar de toornige trek wijkt van dat beweeglijk gelaat, en maakt

plaats voor een uitdrukking van neerslachtigheid, als Hannes spreekt

van het vervelende, verdrietige werk zoeken in de stad. Hoe hij

overal hetzelfde weigerend antwoord ontving en hoe hij moedeloos en

vermoeid in storm en sneeuwjacht eindelijk de oude jagershut aan den

Davel bereikte.

Met dankbaarheid verhaalt Hannes verder, hoe gastvrij de oude,

eenzame man hem ontving in zijn wonderlijke, geheimzinnige woning,

nadat de oude zich overtuigd had, dat zijn late bezoeker met geen

kwade bedoeling kwam. En met glinsterend oog en zonnig gelaat besluit

Hannes met de mededeeling, dat hij op dit oogenblik jagersknecht is

bij Krijn Vermeeren, en dat zijn tehuis het "Uilennest" is.

Vrouw Sanne slaat de handen ineen, en zegt anders niet dan: "wel,

Hanneske, wel Hanneske", maar Olbert strekt de lange beenen uit naar

het vuur, en met de bruine, magere hand over den witten knevel

strijkend, kijkt hij Hannes Klinge recht in de oogen.

"Hannes," zegt de schaapherder op ernstigen toon, "Hannes, ik kan je

niet zeggen, hoeveel genoegen het mij doet, dat je werk en tehuis

hebt gevonden bij Krijn Vermeeren. Hij mag wat zonderling wezen en

over het algemeen menschelijk gezelschap vermijden, maar hij heeft

een hart van goud en een kinderlijk eenvoudig geloof.

Het moest zoo zijn, Hannes, dat storm en noodweer je naar het

"Uilennest" dreven, het moest zoo zijn, dat de jager, die anders

nooit gezelschap of hulp begeert, juist jou moest aantreffen, om in

jou een voor hem geschikt persoon te vinden. Het eene is een gevolg

van het andere, maar het is de goede God hierboven, die al ons doen

en handelen bestuurt, die ons den weg aanwijst, dien wij hebben te

bewandelen, en Hem alleen is het ook bekend, of het jagersleven in

het "Uilennest" je ten zegen of ten verderve zal zijn. Neem dezen

raad van mij aan, Hannes Klinge: laten vijandschap en haat je hart

niet overweldigen en wend je tot Hem, die je levenslot beheerscht;

die bloemen kan doen bloeien op je pad, en je kan voeren in de

donkerste diepten van menschelijk lijden; die heden geeft en morgen

neemt, al naar zijn Goddelijk welbehagen; maar geloof mij, mijn

jongen, of Hij ons zonneschijn schenkt, of lijden ons beschikt, het

is alles tot ons bestwil, want Hij, die zijn eenigen Zoon gaf tot

bloedig zoenoffer voor menschelijke zonde en schuld, kan alles tot

ons bestwil schikken. Daarom nog eenmaal, Hannes, wend je naar het

Kruis van Christus, en heb je geluk in het leven, dank er Hem voor;

treft je smart of lijden, bid tot Hem om kracht om te dragen wat Hij

je oplegt, maar bovenal, Hannes, strijd onder biddend opzien tot God

tegen haat en drift, want dat is je kwetsbare plek en daarop zal

Satan zijn aanvallen richten. En indien je geen kracht zoekt in het

gebed, dan zul je overwonnen worden en je brengt ellende en jammer

over jezelven en over hen, die je lief en dierbaar zijn op aarde.

Mogelijk," vervolgt de schaapherder, "mogelijk zul je denken: die

Olbert komt altijd met vermaningen en hij is er altijd op uit, mijn

vroolijke stemming te bederven, maar het is mijn plicht, Hannes, je

op deze dingen te wijzen, want ik weet immers uit mijn wilde jeugd

hoe ver men afdwaalt zonder God; en wellicht zul je nog om mijn

woorden denken als reeds lang de graszoden het overschot van "Olbert

den eenarm" dekken."

Hannes is opgestaan; hij vat het bundeltje kleeren, dat vrouw Sanne

voor hem heeft gereed gezet, in de linkerhand en met de rechterhand

grijpt hij de hand van den gewezen soldaat van Napoleon en zegt:

"Ik weet, Olbert, dat er niet veel menschen hier in den omtrek zijn,

die ik nu bepaald mijne vrienden zou kunnen noemen, maar gij zijt dat

wèl, en daarom wil ik alles van u aannemen wat gij mij aanraadt voor

zoover mij zulks mogelijk is, want ik ben overtuigd, dat ge mijn

geluk bedoelt."

Hartelijk schudde Hannes Olbert en vrouw Sanne de hand, beloofde dat

hij spoedig weer eens zou komen aanloopen, en richt dan zijn schreden

weer naar het "Uilennest", om daar zijn nieuwe loopbaan aan te

vangen.

Het Uilennest · 第 10 / 28 题