Nog een oogenblik hoorde Hannes den ouden man tot zijn hond praten,
dien trouwen makker zijner eenzaamheid; nog een oogenblik hoorde hij
hem stommelen, en toen was het stil in het "Uilennest". Diep kroop
hij onder de wollen dekens, die eens het jonge lichaam van den zoon
des jagers hadden gedekt. Hoe lief, hoe oneindig lief had deze man de
zijnen gehad, want hun beeld leefde na zoovele jaren nog in zijn,
hart als waren het pas zoovele maanden, geweest, sinds de slag hem
trof. Wat God doet is welgedaan, had hij gezegd, maar was het niet
hard, niet vreeselijk hard, dien armen mensch alles te ontnemen wat
hem lief was op aarde? Neen, Hannes kon dat niet vatten. Gisteravond
kon hij Olbert den schaapherder niet begrijpen, en nu was de oude
jager hem een raadsel. Maar de oogen van den Gelderschman vallen toe,
en spoedig slaapt hij zoo vast als een muur. Doch Krijn Vermeeren
slaapt nog niet. Allerlei gedachten woelen hem door het brein, en
verdrijven den slaap van zijn leger.
In de eentonige gelijkvormigheid van zijn bestaan was de komst van
Hannes Klinge een gebeurtenis, die hem uit zijn gewone doen bracht,
en hoe het kwam wist de oude man niet, maar hij had zich dadelijk tot
dezen jongen, kloeken Gelderschman aangetrokken gevoeld.
Hij heeft dezelfde oogen als eens mijn jongen had, vermetel en koen,
maar trouwhartig en rondborstig.
Zeggen wat hij denkt, en doen wat hij zegt, dat leest men in die
oogen. Een traan wischte hij weg, toen ik hem vertelde van mijn leed,
een onmiskenbaar bewijs van een warm en gevoelig hart.
Morgenochtend zal hij weer heengaan en verder trekken om werk te
zoeken, de wereld in, alleen en zonder vrienden, want in het dorp
werpt men hem uit, omdat men den rijken Van Gulven, tot wiens dochter
hij de oogen durfde opheffen, naar de oogen ziet. Alleen staat hij,
geheel alleen. Geen vader, die hem steunt, geen moeder, die voor hem
bidt. Zeker, hij is een kloek gezel; hij zal mogelijk wel werk en
brood vinden, maar toch, het is midden in den strengen winter en het
weinigje geld, dat hij bezit, zal spoedig zijn opgeteerd, en dan?
Zoo peinst en tobt de oude jager en kan den slaap niet vatten; hij
luistert naar het loeien van den storm en naar het krassen van de
uilen, en een angstig mensch zou bang worden voor de spookachtige
geluiden, die men hoort in de oude jagershut; maar Krijn is met die
geluiden van den nacht vertrouwd en wat bang-zijn is, dat weet de
oude jager niet. Het is lang na middernacht als eindelijk de slaap
zich ook over hem ontfermt.
Het is reeds lang dag als Hannes Klinge eindelijk ontwaakt. Helder en
vroolijk speelt een zonnestraal schuin door de kleine ruitjes, en
verlicht met vriendelijken glans de wonderlijke keuken van het
"Uilennest".
Hannes wrijft zich de oogen uit; hij heeft heerlijk geslapen, maar
hij schaamt zich, dat het reeds zoo laat is. Van den jager of zijn
hond hoort of ziet hij echter niets; geen ander geluid verbreekt de
stilte van den wintermorgen dan het tikken van de klok in het
binnenvertrek en het sjilpen van de hongerige musschen daarbuiten.
Snel springt hij uit zijn bed, trekt zijn kleeren aan en opent de
bovendeur.
Stormen doet het niet meer, maar scherp en fijn is de nog krachtige
noordenwind, die Hannes in het gezicht blaast. Alles om hem heen is
stijf bevroren, terwijl de sneeuw voeten hoog op den Davel en op de
velden ligt, en de takken der wilgen voor de hut buigen onder de
witte vacht, die hen bedekt.
Daar hoort Hannes het blaffen van een hond, en achter de hut om
nadert Krijn Vermeeren. Bijna tot aan de knieën waadt de oude jager
door de sneeuw, maar de hooge laarzen, die bij, draagt, reiken tot
boven de knie, dus het hindert hem niet.
Aan den breeden draagriem hangt het geweer hem over den schouder, en
de muts van ottervel heeft hij diep in de oogen getrokken. Zooals hij
daar aan komt stappen door de sneeuw, met twee bunsings in de
linkerhand, terwijl zijn hond vroolijk om hem heen springt, zou men
niet zeggen, dat Krijn Vermeeren reeds zulk een hoogen leeftijd
bereikt heeft.
"Goeden morgen, Hannes," roept hij den Gelderschman toe. "Goeden
morgen! Ik wilde je niet wakker maken, toen ik een goed half uur
geleden er op uit ging om naar mijn bunsingvallen te gaan zien. Je
sliept zoo vast, dat ik het niet over mijn hart kon krijgen je wakker
te maken; daarom heb ik maar vuur aangemaakt binnen, en je stilletjes
laten liggen."
Hannes verzekerde, dat hij heerlijk geslapen had, maar dat hij zich
schaamde zoolang te zijn blijven liggen, terwijl een oud man buiten
door de sneeuw dwaalde. Maar de jager glimlachte.
"Dat is het voorrecht der jeugd, mijn jongen," sprak hij, en wierp
zijn bunsings op den vloer der keuken. "Wees er dankbaar voor, want
als men, zooals jij, jong is en gezond, en de slaap ontvliedt ons
leger, dan spookt er iets rond daarbinnen in ons hart, dat ons den
grootsten schat ontrooft, namelijk den vrede des gemoeds."
Hannes zweeg, en handig als hij was, nam hij het geweer van den ouden
jager van diens schouder en hing het aan een haak. De jager stampte
de sneeuw van zijn laarzen en trok het duffelsche buis uit; toen ging
hij naar binnen en wenkte Hannes Klinge hem te volgen.
In het andere vertrek was het warmer, want Krijn had, eer hij naar
zijn vallen was gaan zien, het vuur onder de schouw aangemaakt en
toen hij het met een ijzeren laadstok oprakelde, brandden de
smeulende houtblokken weer lustig op.
"Ga daar weer eens zitten, Hannes, op je eigen bankje van
gisteravond, en terwijl wij ons ontbijt gebruiken wil ik je eens wat
vragen. Veel tijd heb ik niet, omdat met een noordoosten-wind, zooals
er nu waait, veel kans is dat er koppels ganzen of vluchten eenden
komen overvliegen, en dan moet de oude Krijn present zijn met den
snaphaan."
De zwartberookte koperen ketel met water kookt, en de jager maakt de
koffie klaar, krijgt brood en een homp spek uit het hoekkastje, trekt
een lang, scherp mes uit den broekzak en snijdt er voor zich een paar
sneden af, die hij met schijfjes spek belegt. Daarna reikt hij zijn
mes den Gelderschman toe en noodigt hem uit flink toe te tasten; en
als de koffie in de steenen kommen dampt, en Krijn overluid het "Onze
Vader" heeft gebeden, dan zegt de oude man:
"Hannes Klinge, je hebt me gisteravond gezegd, dat je van morgen weer
op het pad wenschte te gaan om elders werk te zoeken, wat je gisteren
niet gelukt is. Maar vertel mij nu eens waar je vandaag heen wilt om
je doel te bereiken."
De jonkman zucht en zijn heldere blik verduistert. Aarzelend
antwoordt hij, het eigenlijk zelf niet te weten, doch allereerst zal
hij naar de Schaapskooi gaan en Olbert den Schaapherder en moeder
Sanne vertellen waar hij hedennacht geweest is; en dan de dorpen
verderop afloopen. Er zal toch wel ergens werk te vinden zijn voor
een man, die werken kan en wil.
"Luister eens, Hannes," zoo spreekt de jager, "luister eens. Sinds
den dood van mijne vrouw en mijn zoon ben ik steeds alleen geweest,
en nooit heb ik lust gevoeld iemand bij mij te nemen hier in het oude
"Uilennest". Wat ik tot mijn levensonderhoud noodig heb, wordt mij
door bakker of winkelier uit het dorp thuisbezorgd. Iedere week komt
de handelaar uit het dorp, die tevens vrachtschipper is op D. Deze
koopt mij mijn wild en mijn visch af, en al maak ik nu niet den
hoogsten prijs, wat ik ontvang is voor mijn behoeften ruimschoots
voldoende. In den zomer als de jacht gesloten is, visch ik met mijn
netten in den Davel, en des winters schiet ik wat waterwild en vang
ik otters, bunsings en hermelijnen. Tot nog toe heb ik, Gode zij
dank, dit werk altijd nog alleen kunnen verrichten, maar thans
beginnen de jaren mij te drukken, en in de laatste weken is de
gedachte wel eens bij mij opgekomen, een jongen bij mij te nemen, om
mij te helpen in mijn bedrijf. Dan weer dacht ik er over een
volwassen knecht te huren, een die de behandeling van het geweer
verstond, maar telkens verwierp ik mijn plannen, want ik heb de
eenzaamheid lief, en ik ken niemand, dien ik gaarne bij mij zou
hebben hier in het oude "Uilennest".
Maar jij bevalt mij, Hannes Klinge, en als je wilt kun je aanstonds
deze hut als je tehuis beschouwen. Hetzelfde loon, dat je op
"Zorgwijk" verdiende als bouwknecht, kan ook ik je betalen, maar ik
zeg van te voren, dat het leven hier aan den Davel eenzamer is dan op
"Zorgwijk" en dat je geen ander gezelschap hier vindt, dan den ouden
jager en zijn hond.
Je kunt echter ook eerst nog trachten elders werk te vinden,"
vervolgde Krijn, "en lukt dat niet, kom dan als laatste toevlucht het
"Uilennest" maar opzoeken en wij zullen het met elkander dan wel eens
worden. Is dat goed?"
Hannes is opgesprongen. Met een stuk brood in de hand heeft hij
geluisterd naar het voorstel van den ouden jager, en nu schittert de
vreugde hem in de heldere oogen en op zijn gebruind gelaat.
"Dadelijk en met vreugde neem ik uw voorstel aan," zegt Hannes, "en
ge behoeft mij waarlijk het loon van een bouwknecht niet te betalen.
Ik ben met minder ook tevreden, en uw gezelschap en de eenzaamheid
zullen mij lief zijn. Trouw zal ik u dienen, baas Vermeeren, en ge
zult over Hannes Klinge tevreden zijn, want zoo waar ik leef, het
geweer is mij liever dan de ploeg, al kan ik er wel mee overweg, en
ik verkies het "Uilennest" boven "Zorgwijk". Een ding zou ik u echter
willen verzoeken, baas Vermeeren; of ik nu even naar de Schaapskooi
gaan mocht, om Olbert den eenarm en zijn goede vrouw te gaan
vertellen, dat ik werk gevonden heb als jagersknecht, en om de
weinige spulletjes, die ik bij Olbert heb achtergelaten, te halen en
hierheen te brengen; mag ik?"
Het wordt den ouden jager warm om het harte, als hij de onmiskenbare
vreugde van den Gelderschman ziet, en vriendelijk en gemoedelijk
klinkt zijn zware stem, als hij zegt:
"Dus je neemt mijn voorstel aan, Hannes Klinge. Welnu, dan betaal ik
je wat Van Gulven betaalde. Ik ben wel niet zoo rijk als hij, maar ik
wil toch van je werkeloosheid geen gebruik maken, om je te laten
werken voor half geld. En ga nu maar naar den schaapherder, en groet
hem van den ouden Krijn uit het "Uilennest"."