HOOFDSTUK IV.

Nog een oogenblik hoorde Hannes den ouden man tot zijn hond praten,

dien trouwen makker zijner eenzaamheid; nog een oogenblik hoorde hij

hem stommelen, en toen was het stil in het "Uilennest". Diep kroop

hij onder de wollen dekens, die eens het jonge lichaam van den zoon

des jagers hadden gedekt. Hoe lief, hoe oneindig lief had deze man de

zijnen gehad, want hun beeld leefde na zoovele jaren nog in zijn,

hart als waren het pas zoovele maanden, geweest, sinds de slag hem

trof. Wat God doet is welgedaan, had hij gezegd, maar was het niet

hard, niet vreeselijk hard, dien armen mensch alles te ontnemen wat

hem lief was op aarde? Neen, Hannes kon dat niet vatten. Gisteravond

kon hij Olbert den schaapherder niet begrijpen, en nu was de oude

jager hem een raadsel. Maar de oogen van den Gelderschman vallen toe,

en spoedig slaapt hij zoo vast als een muur. Doch Krijn Vermeeren

slaapt nog niet. Allerlei gedachten woelen hem door het brein, en

verdrijven den slaap van zijn leger.

In de eentonige gelijkvormigheid van zijn bestaan was de komst van

Hannes Klinge een gebeurtenis, die hem uit zijn gewone doen bracht,

en hoe het kwam wist de oude man niet, maar hij had zich dadelijk tot

dezen jongen, kloeken Gelderschman aangetrokken gevoeld.

Hij heeft dezelfde oogen als eens mijn jongen had, vermetel en koen,

maar trouwhartig en rondborstig.

Zeggen wat hij denkt, en doen wat hij zegt, dat leest men in die

oogen. Een traan wischte hij weg, toen ik hem vertelde van mijn leed,

een onmiskenbaar bewijs van een warm en gevoelig hart.

Morgenochtend zal hij weer heengaan en verder trekken om werk te

zoeken, de wereld in, alleen en zonder vrienden, want in het dorp

werpt men hem uit, omdat men den rijken Van Gulven, tot wiens dochter

hij de oogen durfde opheffen, naar de oogen ziet. Alleen staat hij,

geheel alleen. Geen vader, die hem steunt, geen moeder, die voor hem

bidt. Zeker, hij is een kloek gezel; hij zal mogelijk wel werk en

brood vinden, maar toch, het is midden in den strengen winter en het

weinigje geld, dat hij bezit, zal spoedig zijn opgeteerd, en dan?

Zoo peinst en tobt de oude jager en kan den slaap niet vatten; hij

luistert naar het loeien van den storm en naar het krassen van de

uilen, en een angstig mensch zou bang worden voor de spookachtige

geluiden, die men hoort in de oude jagershut; maar Krijn is met die

geluiden van den nacht vertrouwd en wat bang-zijn is, dat weet de

oude jager niet. Het is lang na middernacht als eindelijk de slaap

zich ook over hem ontfermt.

Het is reeds lang dag als Hannes Klinge eindelijk ontwaakt. Helder en

vroolijk speelt een zonnestraal schuin door de kleine ruitjes, en

verlicht met vriendelijken glans de wonderlijke keuken van het

"Uilennest".

Hannes wrijft zich de oogen uit; hij heeft heerlijk geslapen, maar

hij schaamt zich, dat het reeds zoo laat is. Van den jager of zijn

hond hoort of ziet hij echter niets; geen ander geluid verbreekt de

stilte van den wintermorgen dan het tikken van de klok in het

binnenvertrek en het sjilpen van de hongerige musschen daarbuiten.

Snel springt hij uit zijn bed, trekt zijn kleeren aan en opent de

bovendeur.

Stormen doet het niet meer, maar scherp en fijn is de nog krachtige

noordenwind, die Hannes in het gezicht blaast. Alles om hem heen is

stijf bevroren, terwijl de sneeuw voeten hoog op den Davel en op de

velden ligt, en de takken der wilgen voor de hut buigen onder de

witte vacht, die hen bedekt.

Daar hoort Hannes het blaffen van een hond, en achter de hut om

nadert Krijn Vermeeren. Bijna tot aan de knieën waadt de oude jager

door de sneeuw, maar de hooge laarzen, die bij, draagt, reiken tot

boven de knie, dus het hindert hem niet.

Aan den breeden draagriem hangt het geweer hem over den schouder, en

de muts van ottervel heeft hij diep in de oogen getrokken. Zooals hij

daar aan komt stappen door de sneeuw, met twee bunsings in de

linkerhand, terwijl zijn hond vroolijk om hem heen springt, zou men

niet zeggen, dat Krijn Vermeeren reeds zulk een hoogen leeftijd

bereikt heeft.

"Goeden morgen, Hannes," roept hij den Gelderschman toe. "Goeden

morgen! Ik wilde je niet wakker maken, toen ik een goed half uur

geleden er op uit ging om naar mijn bunsingvallen te gaan zien. Je

sliept zoo vast, dat ik het niet over mijn hart kon krijgen je wakker

te maken; daarom heb ik maar vuur aangemaakt binnen, en je stilletjes

laten liggen."

Hannes verzekerde, dat hij heerlijk geslapen had, maar dat hij zich

schaamde zoolang te zijn blijven liggen, terwijl een oud man buiten

door de sneeuw dwaalde. Maar de jager glimlachte.

"Dat is het voorrecht der jeugd, mijn jongen," sprak hij, en wierp

zijn bunsings op den vloer der keuken. "Wees er dankbaar voor, want

als men, zooals jij, jong is en gezond, en de slaap ontvliedt ons

leger, dan spookt er iets rond daarbinnen in ons hart, dat ons den

grootsten schat ontrooft, namelijk den vrede des gemoeds."

Hannes zweeg, en handig als hij was, nam hij het geweer van den ouden

jager van diens schouder en hing het aan een haak. De jager stampte

de sneeuw van zijn laarzen en trok het duffelsche buis uit; toen ging

hij naar binnen en wenkte Hannes Klinge hem te volgen.

In het andere vertrek was het warmer, want Krijn had, eer hij naar

zijn vallen was gaan zien, het vuur onder de schouw aangemaakt en

toen hij het met een ijzeren laadstok oprakelde, brandden de

smeulende houtblokken weer lustig op.

"Ga daar weer eens zitten, Hannes, op je eigen bankje van

gisteravond, en terwijl wij ons ontbijt gebruiken wil ik je eens wat

vragen. Veel tijd heb ik niet, omdat met een noordoosten-wind, zooals

er nu waait, veel kans is dat er koppels ganzen of vluchten eenden

komen overvliegen, en dan moet de oude Krijn present zijn met den

snaphaan."

De zwartberookte koperen ketel met water kookt, en de jager maakt de

koffie klaar, krijgt brood en een homp spek uit het hoekkastje, trekt

een lang, scherp mes uit den broekzak en snijdt er voor zich een paar

sneden af, die hij met schijfjes spek belegt. Daarna reikt hij zijn

mes den Gelderschman toe en noodigt hem uit flink toe te tasten; en

als de koffie in de steenen kommen dampt, en Krijn overluid het "Onze

Vader" heeft gebeden, dan zegt de oude man:

"Hannes Klinge, je hebt me gisteravond gezegd, dat je van morgen weer

op het pad wenschte te gaan om elders werk te zoeken, wat je gisteren

niet gelukt is. Maar vertel mij nu eens waar je vandaag heen wilt om

je doel te bereiken."

De jonkman zucht en zijn heldere blik verduistert. Aarzelend

antwoordt hij, het eigenlijk zelf niet te weten, doch allereerst zal

hij naar de Schaapskooi gaan en Olbert den Schaapherder en moeder

Sanne vertellen waar hij hedennacht geweest is; en dan de dorpen

verderop afloopen. Er zal toch wel ergens werk te vinden zijn voor

een man, die werken kan en wil.

"Luister eens, Hannes," zoo spreekt de jager, "luister eens. Sinds

den dood van mijne vrouw en mijn zoon ben ik steeds alleen geweest,

en nooit heb ik lust gevoeld iemand bij mij te nemen hier in het oude

"Uilennest". Wat ik tot mijn levensonderhoud noodig heb, wordt mij

door bakker of winkelier uit het dorp thuisbezorgd. Iedere week komt

de handelaar uit het dorp, die tevens vrachtschipper is op D. Deze

koopt mij mijn wild en mijn visch af, en al maak ik nu niet den

hoogsten prijs, wat ik ontvang is voor mijn behoeften ruimschoots

voldoende. In den zomer als de jacht gesloten is, visch ik met mijn

netten in den Davel, en des winters schiet ik wat waterwild en vang

ik otters, bunsings en hermelijnen. Tot nog toe heb ik, Gode zij

dank, dit werk altijd nog alleen kunnen verrichten, maar thans

beginnen de jaren mij te drukken, en in de laatste weken is de

gedachte wel eens bij mij opgekomen, een jongen bij mij te nemen, om

mij te helpen in mijn bedrijf. Dan weer dacht ik er over een

volwassen knecht te huren, een die de behandeling van het geweer

verstond, maar telkens verwierp ik mijn plannen, want ik heb de

eenzaamheid lief, en ik ken niemand, dien ik gaarne bij mij zou

hebben hier in het oude "Uilennest".

Maar jij bevalt mij, Hannes Klinge, en als je wilt kun je aanstonds

deze hut als je tehuis beschouwen. Hetzelfde loon, dat je op

"Zorgwijk" verdiende als bouwknecht, kan ook ik je betalen, maar ik

zeg van te voren, dat het leven hier aan den Davel eenzamer is dan op

"Zorgwijk" en dat je geen ander gezelschap hier vindt, dan den ouden

jager en zijn hond.

Je kunt echter ook eerst nog trachten elders werk te vinden,"

vervolgde Krijn, "en lukt dat niet, kom dan als laatste toevlucht het

"Uilennest" maar opzoeken en wij zullen het met elkander dan wel eens

worden. Is dat goed?"

Hannes is opgesprongen. Met een stuk brood in de hand heeft hij

geluisterd naar het voorstel van den ouden jager, en nu schittert de

vreugde hem in de heldere oogen en op zijn gebruind gelaat.

"Dadelijk en met vreugde neem ik uw voorstel aan," zegt Hannes, "en

ge behoeft mij waarlijk het loon van een bouwknecht niet te betalen.

Ik ben met minder ook tevreden, en uw gezelschap en de eenzaamheid

zullen mij lief zijn. Trouw zal ik u dienen, baas Vermeeren, en ge

zult over Hannes Klinge tevreden zijn, want zoo waar ik leef, het

geweer is mij liever dan de ploeg, al kan ik er wel mee overweg, en

ik verkies het "Uilennest" boven "Zorgwijk". Een ding zou ik u echter

willen verzoeken, baas Vermeeren; of ik nu even naar de Schaapskooi

gaan mocht, om Olbert den eenarm en zijn goede vrouw te gaan

vertellen, dat ik werk gevonden heb als jagersknecht, en om de

weinige spulletjes, die ik bij Olbert heb achtergelaten, te halen en

hierheen te brengen; mag ik?"

Het wordt den ouden jager warm om het harte, als hij de onmiskenbare

vreugde van den Gelderschman ziet, en vriendelijk en gemoedelijk

klinkt zijn zware stem, als hij zegt:

"Dus je neemt mijn voorstel aan, Hannes Klinge. Welnu, dan betaal ik

je wat Van Gulven betaalde. Ik ben wel niet zoo rijk als hij, maar ik

wil toch van je werkeloosheid geen gebruik maken, om je te laten

werken voor half geld. En ga nu maar naar den schaapherder, en groet

hem van den ouden Krijn uit het "Uilennest"."

Het Uilennest · 第 9 / 28 题