HOOFDSTUK III.

Loom en traag vervolgde hij zijn weg. Het had gedurende den dag niet

meer gesneeuwd, maar nu stak de wind weer op en begonnen de witte

vlokken weer te vallen. Maar de eenzame voetganger bekommerde er zich

niet om, want er woelden zooveel gedachten in zijn brein, dat hij

niet eens bemerkte dat de sneeuw al dichter begon te vallen.

Hoe dikwijls had hij dezen dag op zijn vraag om werk een weigerend

antwoord ontvangen! Eerst, in den vroegen morgen, had hij zich tot

een boer in H. gewend, dien hij een paar dagen geleden toevallig had

hooren zeggen, dat hij best een man gebruiken kon om tarwe te

dorschen, want met zijn eigen volk kwam hij niet op tijd klaar.

Toen Hannes den boer echter om werk vroeg, haalde deze de schouders

op, en zei, dat hij het wel met zijn eigen volk afkon.

Eenigszins teleurgesteld, maar niet ontmoedigd, vervoegde Hannes zich

bij een anderen boer, van wien hij wist, dat hij een knecht noodig

had, want diens eigen knecht lag hopeloos ziek, en de boer zat er erg

mee onthand. Tot zijn groote verwondering liet deze man hem niet eens

uitpraten, maar voorkwam zijn vraag, door te zeggen, dat zijn knecht

al iets beter was, dus dat hij nog maar zou wachten om zich van een

ander te voorzien. Nu kreeg Hannes kwaad vermoeden, en dat werd

zekerheid, toen hij een jongen knecht van "Zorgwijk" ontmoette, die

hem zonder groeten voorbij wilde loopen.

"Halt, Klaas," zoo sprak de Gelderschman den jongen aan, en er was

iets in den toon van zijn stem, dat den ander na eenige aarzeling het

geraden deed achten aan dat bevel te voldoen.

"Zeg mij eens eerlijk, Klaas, wat je al zoo vroeg in het dorp hebt

uitgevoerd? Ik zal je niet verklappen, daarvoor ken je mij te goed;

maar betrof de boodschap die je brengt niet mij? En ben je al niet

daar en daar geweest?" En Hannes noemde de namen der boeren, waar hij

zooeven het hoofd gestooten had, toen hij om werk vroeg.

"Ja," zei de jongen openhartig, "van morgen, toen het nog donker was,

kwam de baas al bij mij in den stal met een gezicht als een

onweersbui. "Klaas!" zeit ie, "je mot dadelijk bij al de boeren op

het dorp gaan zeggen, dat als vandaag of morgen Hannes Klinge bij hen

om werk komt vragen, zij mij een groot plezier zullen doen door hem

niet aan te nemen, en dat ik dengene, die hem ook maar een uur werk

verschaft, als mijn persoonlijker vijand beschouw."

"En nu ben ik zoowat bij allen geweest; dus Hannes, er is voor jou

niet veel kans hier werk te zullen krijgen, want de boeren van het

dorp zullen niet gemakkelijk iemand in hun dienst nemen, die bij een

anderen boer met ruzie is weggegaan; en nog minder als ze zich

daardoor de vijandschap op den hals halen van Van Gulven, want die

heeft hier heel wat te vertellen."

De jongen vervolgde zijn weg, en ook Hannes stapte voort, en nergens

in het dorp vroeg hij meer om werk, doch aanvaardde dadelijk de lange

voetreis naar de stad. Ook hier echter bleek alle moeite vruchteloos,

en nu tornt hij, terwijl de wind aanwakkert tot een storm, tegen de

sneeuwjacht op, en de vermoeide voeten in de zware vetleeren laarzen

zinken steeds dieper in het ongebaande pad.

Donker is het in de ziel van Hannes Klinge, donker en somber, en een

bittere glimlach plooit zijn vastgesloten mond.

"Niet haten, Hannes," had Olbert de eenarm gezegd, "niet haten, want

de haat werkt als de kanker. Zie naar het offerlam van Golgotha, en

het leed dat de menschen je aandoen verzinkt in het niet bij wat men

Hem deed lijden."

"Maar het vuur der jeugd is uitgebrand in de borst van den

schaapherder, en zijn leven vloeit kalm en effen daarheen; maar ik

ben jong, en ik kan niet gelooven, zooals hij," zoo mort Hannes.

"Mij geschiedt onrecht." De sterke tanden knarsen op elkander als hij

er aan denkt, hoe Van Gulven gebruik maakt van den invloed, dien hem

zijn geld, zijn kwaliteit als lid van den gemeenteraad en lid van het

polderbestuur, dijkgraaf en wat niet al, geven op de andere boeren

van het dorp.

Hem, den armen vreemdeling, moet het leven in het dorp onmogelijk

worden gemaakt; hij moet worden uitgestooten, omdat hij de oogen

dorst opheffen tot de dochter van boer Van Gulven.

Ha! als het niet om Martha was, dat hij het liet, dan zou hij dien

trotschen rijkaard toonen waartoe Hannes Klinge in staat is, maar nu

zijn hem de handen gebonden.

Een geweldige rukwind doet hem waggelen, en ontwakend uit zijn

gepeins, richt hij den blik vooruit, tenminste voor zoover de

duisternis en de jagende sneeuwvlokken het hem veroorloven.

Aan zijn linkerhand ligt de Davel, slechts aangeduid door het dorre

riet en de bladerlooze struiken aan den oever. De strenge vorst heeft

een ijskorst over het donkere water gelegd, maar hier en daar plekken

als inktvlekken op een wit kleed groote wakken, want uit den diepen

moerassiger bodem stijgen op sommige plaatsen gassen op, die het

water beletten te bevriezen.

Aan zijn rechterhand strekken zich ver weg de witte, hoog met sneeuw

bedekte velden uit, maar Hannes Klinge kan geen meter van zich

afzien, zoo dicht dwarrelt de jachtsneeuw om hem heen.

Naar zijne berekening is hij nog bijna drie kwartier van de

Schaapskooi verwijderd, en een machtig verlangen naar rust komt over

den moeden zwerver, en steeds logger en moeilijker verplaatsen zich

de strompelende voeten.

Daar verheft zich iets als een donkere massa in de witte schemering.

Het is een groep wilgeboomen, die door den stormwind wild heen en

weer worden geslingerd, en Hannes loopt er op toe om te onderzoeken

of er achter de boomen niet een huis of schuur staat, want in dit

noodweer en zoo vermoeid als hij is van een langen dagmarsch,

wanhoopt hij er aan om tegen den wind in de Schaapskooi te bereiken.

Tusschen de oude stammen door ziet Hannes na eenig scharrelen en

zoeken een rooden lichtschijn gloren, en vastberaden loopt de jonkman

er op toe.

Hoe somber en spookachtig is deze plek; achter Hannes Klinge in het

geboomte krassen uilen, en voor hem rijst een oud vervallen gebouw

op, met scheefhangende vensterluiken en bedekt met verdorde

wingerdranken.

De lichtschijn, dien Hannes ziet, straalt uit het scheeve venster, en

hier staat hij betrekkelijk uit den wind. Maar nu hij stilstaat voelt

hij de snerpende koude, en hij besluit om aan te kloppen, hoewel hij

den bewoner van dit sombere huis niet kent. Luide tikt de forsche

vuist van den Gelderschman op de gebarsten deur, en dan het hoofd

naar voren buigend, luistert hij scherp toe.

Eerst hoort Hannes niets, maar dan volgt een dof gestommel, voorts

een zware tred in de richting van de deur, en daarna een eigenaardig

geluid, maar een geluid dat Hannes zeer goed kent. Het is het scherpe

knik-knak van een geweer, waarvan men den haan spant.

Een ruwe, zware stem roept luid: "Wie daar! spreek op, wat moet je!"

en die stem wordt begeleid door het brommen van een toornigen, hond.

Dat is ook geen "welkom binnen" mort Hannes zacht voor zich heen, en

luid roept hij voor de gesloten deur:

"Ik ben, op reis naar de Schaapskooi als ge die weet, maar ik ben

doodvermoeid, en kan bijna niet verder; laat mij een half uur rusten,

dan kan ik mijn weg wel weer vervolgen."

Hierop wordt een, grendel weggeschoven, de deur geopend en een korte,

gedrongen gestalte met een zwaar jachtgeweer in de hand, staat voor

Hannes Klinge, en naast hem een groote, grimmige wolfshond--gereed

om hem op een wenk van zijn meester naar de keel te vliegen.

"Terug, Wolf," beveelt de man den hond, en het gevaarlijke dier gaat

gehoorzaam een paar meters achteruit, maar houdt toch onafgebroken de

oogen gevestigd op Hannes Klinge.

"Kom nader, vriend," vervolgt de man, "en trek de deur achter je

dicht, want het spookt buiten geweldig."

Een groot houtvuur brandt onder de schouw en de hoog opflikkerende

vlam verschaft met een brandende vetkaars, die op een flesch gestoken

op de tafel staat, een allesbehalve heldere verlichting. Maar de

oogen van Hannes Klinge zijn aan dergelijk licht gewoon.

Een zonderlinge man is het, die daar voor hem staat. Zwaar van bouw,

met breede, maar door ouderdom gebogen schouders, en geweldig lange

armen, lijkt hij wel wat op een beer.

Het groote hoofd op den korten breeden nek is nagenoeg geheel met

haar begroeid, dat lang in den hals afhangt, en een ruige baard

bedekt bijna het geheele gelaat, en laat slechts de diepliggende

oogen vrij.

Wit, zilverwit zijn haar en baard, maar scherp en doordringend staren

de donkere oogen den Gelderschman aan, terwijl de blanke geweerloop

hem dreigend in de oogen glinstert.

Een oogenblik blijft de man Hannes aankijken; dan zet hij den haan

van zijn geweer in de rust, en hangt het wapen aan een haak tegen de

lage zolderbalken.

Zoodra de hond ziet, dat zijn meester het geweer weghangt, loopt hij

naar een hoek van het vertrek, en strekt zich op zijn gemak bij den

haard uit.

"Wolf heeft al gemerkt, dat je met geen kwade bedoeling komt," zegt

de oude man tot Hannes en een ruw getimmerd houten bankje bij het

vuur schuivend, noodigt hij dezen uit het zich gemakkelijk te maken.

"Erg fijne meubelen heb ik niet, merk je wel? Maar toch is het hier

beter dan buiten. En zeg eens, van waar ben je gekomen, en wou je nu

bij Olbert den eenarm overnachten?"

Deze vragen volgden elkander snel op, en Hannes keek eens rond, maar

moest toch ook bekennen, dat de woning van zijn gastheer alles miste

wat ook maar eenigszins op weelde geleek. Rondom aan de wanden hingen

vischnetten en aalkorven, benevens allerlei gereedschap;

reigervlerken en bunsingvellen, bossen teenen van taai wilgenrijs en

houten lokeenden, die men gebruikt op de eendenjacht; de zware buks

en een lang ganzenroer, groote laarzen en houten klompen, kortom alle

benoodigdheden, die men aantreft in de hut van een alleen levend

jager en visscher.

"Neen," zegt Hannes, "weelderig is het hier niet, maar heerlijk warm

wel, en ge vraagt mij van waar ik kom; dat zal ik u eens vertellen,

dan zal het u ook niet verwonderen dat ik u ben lastig gevallen zoo

laat in den avond,"--en Hannes Klinge vertelt openhartig, zooals zijn

aard is, zijn gansche eenvoudige geschiedenis.

Zonder hem met een enkel woord te storen, laat de oude jager Hannes

uitpraten. Nu grijpt hij in den wijden broekzak en haalt er een

groote stalen tabaksdoos uit; met de andere hand vat hij zijne pijp,

een groote Duitsche, die aan een groen koord tusschen een koperen

kruithoorn en een oude leeren hageltasch hangt.

De pijp wordt gestopt en zwijgend biedt hij de doos aan Hannes; doch

deze heeft zelf tabak, en spoedig dwarrelen de blauwe rookwolkjes om

de beide mannen heen.

Een oogenblik blijft het stil in de hut, maar buiten vaart de

sneeuwstorm huilend en brullend door de hooge wilgen, en rukt en

schudt aan het oude huis, dat deur en vensters rammelen.

"Het waait geweldig, maat," zegt de oude jager en werpt nog eens paar

struiken op het vuur; "maar het "Uilennest" is sterk, en heeft reeds

menigen storm getrotseerd. Het is nu echter een weinig in verval,

evenals zijn bewoner. Doch laat ik voor den pot zorgen, dan kunnen we

daarna op ons gemak nog wat praten, want je bevalt mij." Zoo sprekend

haalt de oude man een ijzeren ketel van achter een kist, opent een

deur, die toegang verschaft tot een soort keuken, en komt na eenig

rondscharrelen terug met een houten nap met grutten, en een emmertje

met karnemelk.

Hij werpt de grutten in den, ijzeren ketel, doet er karnemelk bij en

hangt daarna den ketel aan een ijzeren ketting boven het haardvuur,

waarna hij weer plaats neemt op zijn bankje bij het vuur.

Met verwondering had Hannes opgemerkt, dat de groote, grijze

wolfshond de fonkelende oogen niet van hem had afgewend gedurende het

oogenblik, dat de jager het vertrek had verlaten om de melk en de

grutten te halen.

Nu de oude man echter weer in het vertrek terug was, legde de hond

rustig en slaperig den kop op de voorpooten, en keek niet meer naar

Hannes Klinge om.

"Ge hebt daar in dien hond een trouwen makker," merkt Hannes op, "een

makker, die altijd gereed zal zijn, als het noodig is, zijn leven

voor u te laten."

"Ja, zeg dát wel," is het antwoord, "zeg dat wel. Ik ben vijf en

zeventig jaar oud, maar dit zeg ik je, dat ik altijd meer goede trouw

van mijn honden heb ondervonden dan van de menschen, en daarom moet

het je niet verwonderen, dat ik je daareven met de buks in de hand.

ontving. Ik woon hier eenzaam en ben een oud man, maar ik zou met

mijn buks en mijn hond nog best een paar landloopers, die kwaad in

den zin hadden, het vuurtje warm stoken."

De oude jager lachte, streek met de groote breede hand over den

witten baard, en haalde geweldige rookwolken uit zijn Duitsche pijp.

"Men noemt het hier het "Uilennest"," vervolgde hij, "en mij noemt

men 'den uil' en de naam is goed, want ik leef als een uil.

Op deze plek ben ik geboren en hier wensch ik te sterven, maar toch

heb ik meer van de wereld gezien dan den Davel en het "Uilennest."

Mijn vader was jager en visscher, evenals ik nu; mijne moeder heb ik

nooit gekend, en mijn eenige broeder en ik hielpen vader in zijn

bedrijf. Doch wij waren wilde gasten en gaven om God noch zijn gebod,

en uren in het rond waren geen beter schutters of visschers te

vinden. Toen ik achttien jaar oud geworden was, werd het "Uilennest"

mij te eng, en ik verliet op een mooien lentedag vader en broeder, en

ging naar zee. Acht jaar voer ik ter koopvaardij; toen had ik genoeg

van het gewoel en gedruisch der wereld, en een brandend verlangen

naar het stille "Uilennest" bekroop mijn hart.

Onverwacht stond ik hier weder op deze plek, maar ach,--wat vond ik

alles veranderd!

Het huis, dat mijn vader placht te onderhouden, was gansch verveloos

en vervallen; brandnetels en distels groeiden welig in den vroeger

altijd goed onderhouden moestuin, kortom, het zag er toen uit, zooals

het er nu uitziet.

En vader? Ziek en half blind lag hij op zijn armoedig bed daar in

dien hoek, en een oude vrouw uit het gehucht P., dat een half uur

loopens van hier ligt, paste hem op zoo goed en zoo kwaad als het

ging.

Eerst herkende hij mij niet, maar toen hij goed mijn stem hoorde,

toen wel.

"Krijn," zei hij, "ben je daar? Je bent juist bijtijds teruggekomen

om je armen vader te begraven; jongen, het was niet goed mij allebei

te verlaten!"

"Vader," riep ik, "waar is mijn broeder Wouter dan, is die ook

heengegaan?"

"Ja; eenige maanden na je vertrek heeft een vreemde werver in de

herberg te H. hem doen teekenen voor soldaat en Wouter heeft zijn

handgeld verdronken en verbrast met slechte makkers, en is

weggetrokken. Wie zal zeggen waarheen!"

Arme vader! Reeds enkele weken na mijn terugkomst stierf hij, en na

zijn begrafenis bleef ik alleen. Een jaar lang leefde ik zoo voort.

Toen zocht ik een vrouw, en in het oude "Uilennest" kwam weer

vroolijkheid en leven.

Mijn geweer en mijn netten verschaften mij het noodige voor mijn

levensonderhoud, en toen ons een jongen geboren werd, waren wij den

koning te rijk.

Zestien jaar lang leefde ik gelukkig en tevreden hier op deze plek.

Mijn jongen groeide op, flink en krachtig als een jonge wilg. Zijn

oog was scherp als van een valk, en zijn schot zoo zeker als het

mijne. Ik leerde hem mijn matrozenliedjes, en zingend voeren wij in

den zomertijd, als de jacht gesloten was, den Davel op om te gaan

visschen, en zingend keerden wij des middags weer. Dan wachtte moeder

ons met het maal, en daarna bracht ik de visch naar den handelaar in

H., of werkte met mijn jongen in den moestuin.

Maar als de herfst in het land kwam, dan werden de netten opgeborgen,

en wij namen de geweren ter hand. Mijn jongen wist van koude noch

vermoeienis; de vroolijke levenslust straalde hem uit de oogen. Hij

was onze oogappel, en liefde en geluk woonden in het "Uilennest".

Dat was de gelukkigste tijd van mijn leven, jongeman, maar mijn geluk

verdween zooals de zon verdwijnt voor de donderwolken."

De oude jager zweeg en staarde droevig in het vuur, terwijl buiten de

stormwind loeide, en de vlammen van het haardvuur dansten onder de

schouw.

Ook Hannes Klinge sprak geen woord, want het eenvoudig verhaal van

den grijsaard ontroerde den Gelderschman, en hij begreep, dat 's

levens leed en lijden, dien man hadden vergezeld op zijn somber pad.

Geruimen tijd bleef het stil in de hut; de pijp van den ouden man was

uitgegaan en het was, of hij, zooals reeds zoovele jaren, alleen, was

in zijn huisje. De hond was opgerezen uit zijn hoek, had den ruigen

kop op de knie van den jager gelegd, en keek dezen met trouwhartigen

blik aan.

"Ja, ja, Wolf," sprak Krijn Vermeeren, "dat alles is lang voorbij, en

wat voorbij is keert nimmer weer." En zich tot Hannes Klinge

wendende, vervolgde hij zijn verhaal.

"'t Was de dag voor Kerstmis, en het vroor, dat het kraakte, maar

sneeuw was er niet gevallen.

Het ijs in den Davel was spiegelglad, en het jonge volk uit den

omtrek haalde het hart op aan schaatsenrijden. Ook mijn jongen nam er

met hart en ziel aan deel, en de schaatsen waren hem bijna den

ganschen dag niet van de voeten.

Vroeg in den morgen van dien voor mij zoo vreeselijken

vierentwintigsten December kwam hij naar mij toe en zei: "Vader, toen

ik gisterenavond den Davel uit kwam rijden, zag ik dat een groote

koppel eenden in een wak neerstreek, en toen dacht ik zoo: wacht, die

blijven daar totdat ze verjaagd worden. Nu is alles nog stil; ik zal

de schaatsen onderbinden en hoop ze met mijn schot goeden morgen te

wenschen. Ga je niet mede, vader?"

Neen, ik ging niet mede met mijn jongen, maar tot mijn jongsten snik

zal het mij berouwen, dat ik het niet deed. Doch het moest zoo zijn,

en Olbert de schaapherder heeft mij geleerd, dat ik mij moet

onderwerpen, aan den wil van Hem, die alles regeert, wiens wijsheid

ondoorgrondelijk is, en die ons geen verantwoording schuldig is van

zijne daden.

Neen, ik ging niet mede met Frank, zoo heette mijn zoon, want ik wist

hoe weinig kans er is voor een schutter om eenden te bekruipen en te

schieten in een wak, als er geen sloot of laagte of andere dekking

is, waar de jager zich achter kan verschuilen; het minste geritsel

doet ze opvliegen eer men ze onder schot heeft. Maar Frank was vol

vuur en terwijl hij daarbuiten in de morgenschemering van den kouden

winterdag zijn schaatsen aanbond, laadde ik een geweer voor hem en

reikte het hem toe. Met een vroolijken lach riep hij nog: "Zeg maar

aan moeder, dat ik haar vóór tien uur een paar mooie bouten

thuisbreng!"

Toen hing hij het geweer aan den draagriem over den schouder, en vlug

als een vogel wegrijdend, zag ik zijn kloeke jongensgestalte

verdwijnen in den morgennevel, die optrok boven den Davel.

"Ik herinner mij nog zeer goed," vervolgde de jager, "dat ik na het

vertrek van Frank hier achter in de keuken netten ging zitten breien,

en ongeveer een half uur nadat hij was heengegaan, hoorde ik

daarginds in het noordoosten een schot vallen. Dat was het geweer van

Frank,--en het was zijn laatste schot!

Geruime tijd verliep en ik werkte al maar door aan mijn vischnet.

Toen kwam mijn vrouw bij mij staan, en maakte de opmerking, dat Frank

lang weg bleef. Ik keek naar de klok, en dadelijk kwam een vreemde

onrust over mij,--een gansch onverklaarbare onrust. Want Frank was

goed bekend op den Davel, en zoo lang was hij nog niet weg dat er

reden tot ongerustheid kon zijn.

"Hij zal eenden hebben aangeschoten," antwoordde ik mijne vrouw, "en

die fladderen dan overal heen, en je weet hoe Frank is; hij geeft

niet makkelijk iets op, als hij er eenmaal aan begonnen is."

Mijne vrouw maakte ons ontbijt klaar en ik bezorgde mijn werk en ging

eens buiten kijken.

Schaatsenrijders zag men nog niet op den Davel, het was nog te vroeg

in den morgen, en wat eerst morgennevel geweest was, werd nu mist,

die als een lijkkleed uitgestrekt lag over het gladde ijs. Zoo

verliep weer een half uur; wij zaten te wachten met ons ontbijt, en

nog altijd kwam Frank niet terug.

"Krijn," zei mijne vrouw, en er klonk angst in haar stem, een angst

die weerklank vond in mijn hart, "Krijn, zou er niet wat gebeurd zijn

met Frank? Groote God, het is zoo mistig, en er liggen in den Davel

zooveel wakken! Als hij er eens ingereden was . . .!"

Ik sprak geen woord. Ik kòn niet spreken, maar ik sprong op van mijn

stoel, en mijn laarzen aantrekken en de schaatsen grijpen was het

werk van een oogenblik. "Ga je hem zoeken, Krijn?" sprak mijn arm,

klein vrouwtje, "ach, ik wou dat ik je al met hem terug zag; het is

mijn dood als hem wat overkomen is."

Ik trachtte haar nog te troosten en te bemoedigen; maar zij kende mij

veel te goed om niet te zien hoe de onrust mij aangreep. Ik vloog weg

op mijn schaatsen als een stormwind, in de richting waar ik wist dat

Frank heengereden was, want daar, waar de Davel met een bocht om een

elzengriend loopt, lagen verschillende wakken, en in een daarvan

moest Frank gisteravond de eenden hebben zien neerstrijken. Stil,

beangstigend stil, was het om mij heen, en het krassen der kraaien,

die in de knotwilgen van het weiland zaten, dat ik voorbij vloog, was

het eenige geluid, dat die akelige stilte verbrak.

Ik had Frank eigenlijk al moeten ontmoeten, indien er niets gebeurd

was, want de Davel is niet zoo breed, dat twee menschen elkander

kunnen voorbijrijden, zonder dat de een den ander hoort of ziet.

De angst beklemde mij het hart en gaf mij vleugels aan de voeten.

Ik was een man, die zich nooit om God of zijn gebod had bekommerd, en

die als zeeman een losbandig leven had geleid, maar vindt ge het niet

opmerkelijk, Hannes Klinge, dat onze gedachten, wanneer angst voor

het leven van hen die ons dierbaar zijn ons hart doet beven, steeds

opstijgen tot Hem, om wien we ons anders niet bekommeren?

Nu schreeuwde ik zoo hard ik kon: Frank, Frank! maar mijn stem stierf

weg in de wijde verte, want Frank kon mij niet meer antwoorden. Dan

vouwde ik wanhopig de handen saam en bad: "Goede God, spaar mijn

kind, geef mij mijn jongen weder, of neem mijn leven voor het zijne."

Daar lag aan mijn rechterhand een groot wak, en tot vlak bij den rand

rijdend, staarden mijn door angst gescherpte oogen in het inktzwarte

water, en reeds dadelijk vond ik een spoor.

Ik bemerkte namelijk, dat aan den anderen kant van het wak

eendenveeren in het water dreven, en daartusschen een halfverbrande

papieren geweerprop. Ik reed er heen en vond al spoedig bloeddruppels

op het ijs, en een weinig terzijde een langen wilgentak, waarvan het

uiteinde nog nat was.

Met iedere seconde steeg mijn angst en tot zoover was alles mij

duidelijk. Op de schaatsen, onhoorbaar en snel voortrijdend, steeds

zorgend den wind in het gezicht te hebben, en de buks tot schieten

gereed, had Frank de eenden in het wak als het ware overrompeld, en

toen de vogels verschrikt opvlogen, waren ze onder het schot van mijn

jongen. Wat onder schot was, miste Frank niet dikwijls, en toen er

een of meer eenden in het wak vielen, had hij ze met den boomtak naar

zich toe kunnen halen.

Op de knieën over het ijs kruipend, zocht en vond ik de streken

zijner schaatsen, en die voerden mij in een bocht naar den anderen

oever van het meer. Enkele veeren, en hier en daar een bloeddroppel,

wezen mij verder den weg, dien mijn rampzalig kind genomen had, den

weg naar huis, dat hij nimmer zou bereiken want deze weg voerde hem

den dood tegemoet.

Nu reed ik onder de overhangende takken van elzengriend, en hier

moest het, toen Frank er onder door reed, nog schemerdonker geweest

zijn, want zelfs nu was het er, mede door den dikken mist, nog niet

goed helder.

Plotseling draaide ik om, knarsend sneden mijn schaatsen in het harde

ijs, want vlak voor mij lag een lang smal wak; kort bij den oever en

gedeeltelijk overschaduwd door de takken, was ik er bijna zelf

ingereden.

"Frank! Frank!" gilde ik half zinneloos.

"Groote God, hij is verdronken!" Want tot ver over het blanke ijs was

het modderwater opgespat, en twee doode eenden, de pooten met een

touwtje bij elkander gebonden, dreven in het wak rond.

Mijn eerste beweging was, mijn mes te trekken en de riemen van mijn

schaatsen doorsnijden, want tijd om ze los te maken, gunde ik mij

niet.

Hoogstwaarschijnlijk zou ik in de razernij van de wanhoop in het wak

gesprongen zijn, en er zonder twijfel den dood hebben gevonden, want

voldoende water om te kunnen zwemmen of duiken staat daar in den

Davel niet; maar peilloos diep is de zwarte modder, waarin de

drenkeling, indien geen redding opdaagt, onherroepelijk versmoort.

Reeds vloog mijn zware duffelsche buis, dat ik droeg, over het ijs,

en stond ik op het punt mij in het gevaarlijke wak te werpen, toen

een man met een haak in de hand, luid roepend: "houd op! houd op!"

over het ijs op zijn kousen naar mij toe kwam stormen.

't Was Arie, de molenaar van gindschen watermolen, waar je van avond

langs gekomen bent.

Hij had mijn schreeuwen gehoord, en vermoedend dat er iemand in een

wak geraakt was, had hij terstond een haak gegrepen en was op zijn

kousen het ijs op gevlogen.

Hij kwam juist bijtijds om mij van mijn roekeloozen sprong terug te

houden, maar zonder een woord te spreken, rukte ik hem den haak uit

de handen, en woelde er mede in het wak. In het eerst was mijn zoeken

vruchteloos, maar eindelijk, diep, diep in de modder, daar stuitte

mijn haak op een vast lichaam, en spoedig haakte ik vast."

Weer zweeg de verteller, en hield zich bezig met het avondeten,

waarin hij al pratend had zitten roeren, en nog steeds brulde buiten

de stormwind om het "Uilennest."

Een klein hangklokje aan den muur sloeg tien slagen, een zeer laat

uur op het platteland.

De oude man zette haastig een rood aarden schotel op de tafel, kreeg

uit een hoekkastje een pot met spekvet en de stroopkan, benevens twee

lepels, en verontschuldigde zich over het late uur, en dat hij Hannes

zoolang aan den praat had gehouden, zonder te bedenken, dat hij een

zwaren tocht door storm en sneeuwjacht achter den rug had.

"Het komt er niet op aan, Vermeeren," sprak Hannes Klinge, "ik ben

heerlijk warm geworden en goed uitgerust. Vertel mij dus, indien ge

wilt, de geschiedenis van uw armen jongen verder, want het avondeten

is toch nog veel te warm om het zoo te kunnen eten, en ik voor mij

heb nog geen slaap."

"Ach," sprak de oude jager, "wat nog volgen moet is spoedig genoeg

verteld. Toen ik voelde dat ik met den haak iets vast had, trok ik

het langzaam naar boven, maar om voldoende kracht te kunnen

ontwikkelen, waagde ik mij zoo kort aan den rand van het wak, dat den

molenaar het angstzweet uitbrak en hij elk oogenblik dacht mij in de

modder te zien verdwijnen.

Doch ik hield vol en daar verscheen uit de zwarte stinkende modder

het lichaam van mijn eenigen zoon.

De haak was achter zijn geweerriem blijven zitten, en toen ik hem zoo

hoog had opgetrokken, dat ik den riem met mijne hand kon grijpen,

liet ik den haak los, die dadelijk door den molenaar ter hand werd

genomen, want mijn positie was uiterst gevaarlijk.

Op den buik op het ijs liggend aan den rand van het wak, gelukte het

mij met inspanning van alle krachten het verstijfde lichaam van mijn

Frank op het ijs te trekken, dat kraakte en scheurde onder dat

dubbele gewicht.

Toen sloeg de wakkere molenaar den haak in mijn kleeren en sleepte

ons beiden uit de nabijheid van het rampzalige wak.

Had ik daareven nog mijn smart uitgebruld en den omtrek van den Davel

doen weergalmen van mijn geschreeuw, thans, nu ik den blik wierp op

het bleeke gelaat van mijn jongen, werd ik stil, en geen jammerklacht

kwam mij meer over de lippen.

Met mijn zakdoek wischte ik de modder van het blauw-witte gelaat, en

toen de molenaar haastig vroeg: "Krijn, zou het niet mogelijk kunnen

zijn dat hij nog leeft?" toen antwoordde ik kalm, dat mijn Frank

reeds meer dan anderhalf uur dood was.

Ik wist wanneer ik zijn laatste schot gehoord had, en sinds dat

oogenblik en zijn dood in het wak kon ternauwernood een kwartier

verloopen zijn. Want het leed bij mij geen twijfel, of dadelijk,

nadat hij de geschoten eenden, met de pooten bij elkander gebonden

had, was hij teruggekeerd, en had het noodlottige pad naar huis

genomen, waarop hij den dood vond.

Wat zal ik er meer van zeggen, Hannes Klinge? De molenaar haalde op

den molen, die kort in de nabijheid was, een slede. We legden Frank

er op, en ik bedekte zijn koud gezwollen gelaat met mijn duffelsch

buis. Zoo reden wij huiswaarts.

Juist toen Arie de molenaar mij voorstelde vooruit te loopen naar het

"Uilennest", om mijn arm vrouwtje eenigszins voor te bereiden op de

ramp, die haar levensgeluk zou verwoesten, zag ik haar door den nevel

op ons toeloopen. In haar angst had ze het thuis niet langer kunnen

uithouden, en nu stond ze voor de slede en voor het lijk van onzen

Frank.

Vier en dertig jaar is het geleden, dat die slag ons trof, maar alsof

het gisteren gebeurd is, zoo helder staat mij alles nog voor den

geest. Mijn ongelukkige vrouw schreeuwde niet, zooals ik had gedaan,

neen, geen geluid kwam over haar lippen, maar het was of haar

bloeiend gelaat inzonk, en haar oogen werden star als van haar dooden

lieveling.

"Breng hem gauw thuis, Krijn," sprak ze met vreemde stem, "breng hem

gauw thuis, hij wordt zoo koud,". . . en den wollen doek, dien ze om

den hals droeg, losmakend, dekte ze dien zorgvuldig over het

verstijfde lichaam van den doode.

Mijn zoon was verdronken en mijn vrouw was zinneloos, en eer het ijs

geheel was weggedooid in den Davel, volgde mijn vrouw haar zoon in

het graf.

Dat ik er toen doorgekomen ben zonder de hand aan mijn leven te

slaan, heb ik naast God aan Arie den molenaar te danken.

Hij was een eenvoudig en braaf man, en hij leerde mij, ruwen jager,

berusten in mijn lot, en wat meer is, Hannes Klinge, hij leerde mij

gelooven, dat wat God doet welgedaan is, en dat Hij niets doet zonder

heilig oogmerk. Want zie, Hannes, in mijn eenzaamheid leerde ik

bidden; daar zou ik, als mijn zonnig geluk was blijven voortduren,

niet toe gekomen zijn, en daarom moest ik door het donker en treurig

floers van wanhoop en verdriet naar boven leeren zien, naar Hem, den,

Vader der lichten.

Ook de molenaar is gestorven, reeds jaren geleden, en mijn haar en

baard zijn wit geworden van ouderdom. Al die jaren, sinds den dood

van vrouw en kind, heb ik alleen gewoond in het "Uilennest", en

altijd ben ik gezond gebleven en krachtig, maar nu begint de ouderdom

mij toch parten te spelen; dezen morgen nog schoot ik een vlucht

eenden mis, die goed onder schot was, en die ik voorheen gewis zou

hebben getroffen.

Mijn oogen zijn nog goed, maar mijn hand is niet vast meer; doch geen

nood, als dit het begin van het einde is, dan zal de oude jager door

Gods goedheid dat einde niet met angst en beven tegemoet zien, maar

er het oog op richten, zooals de zeeman na een langen zwerftocht het

oog richt op de vaderlandsche kust."

Tersluiks wischt Hannes Klinge een traan weg, maar hoe verscholen hij

zulks ook doet, het scherpe oog van den ouden jager heeft het toch

opgemerkt, en het doet hem goed, zooals het ons altijd goed doet

wanneer een ander gevoel toont voor ons leed.

"Nu zullen we eindelijk gaan eten, Hannes, en dan zullen we zien of

er in het "Uilennest" nog een slaapplaatsje voor je te vinden is."

De brij dampte op de ruwe tafel, de vlammen in het haardvuur doofden,

langzamerhand uit, en ook de vetkaars op de flesch vertoonde teekenen

van een naderend einde.

Krijn vouwt de bruine handen en bidt fluisterend het "Onze Vader".

Ook Hannes vouwt de handen maar zijn lippen bewegen zich niet, en

zwijgend gebruiken beide mannen hun maal. De oude jager eet niet

veel, maar Hannes heeft honger en eet met smaak, zooals alleen een

gezond krachtig jongmensch eet. De hond, die nu en dan Hannes nog

wantrouwend aanziet, krijgt de rest, en maakt den schotel verder

leeg.

"Nu zullen we zien waar ge slapen kunt," zegt Krijn. "Volg me maar."

En de flesch met de kaars van tafel nemend gaat hij Hannes voor.

Dwars door de hut strompelend, opent de witgebaarde jager een deur en

brengt zijn gast in de keuken, of wat voorheen, toen zijn vrouw nog

leefde, keuken geweest was; thans staat het vertrek, evenals de

binnenkamer, vol voorwerpen, die het beroep van den bewoner

kenmerken.

Ottervellen, met stroo opgevuld, en omgestroopte bunsingvellen hangen

aan de zolderbalken; bossen stroo en bundels biezen liggen

opgestapeld tegen de wanden, terwijl op den rood tegelen vloer

allerlei klemmen en vallen staan en liggen.

Een met ijzeren grendels gesloten boven- en onderdeur leidt naar

buiten, naar den Davel, en een paar kleine raampjes verschaffen licht

in het vertrek, dat wel laag van zoldering, maar toch tamelijk groot

is. Aan de eene zijde van den binnenmuur is een groote kast

getimmerd, aan de andere zijde een bedstede, die nu evenwel ledig is.

"Hierin zul je moeten slapen, Hannes," zegt de oude man, en laat er

weemoedig op volgen: "Dit is de bedsteê waar mijn Frank placht te

slapen. Met een lied op de lippen sprong hij des avonds in bed, en

met een lied begroette hij elken nieuwen dag, onverschillig of het

stormde of regende, of wel dat het zonnetje door die ruitjes scheen;

doch sinds Frank en zijn moeder zijn heengegaan, zong niemand meer

een lied in het oude "Uilennest"."

De jager gaf Hannes de flesch met de kaars, wierp eenige bossen stroo

in de ledige bedstede en haalde uit de groote kast drie dikke wollen

dekens. Eén spreidde hij uit over het stroo, en de beide andere er

bovenop.

"Ziezoo, mijn jongen," sprak de oude man, "nu zul je niet bevriezen;

de wind, die over den Davel huilt, zal je wel in slaap zingen; goeden

nacht!"

"Goeden nacht, vader Krijn," zegt Hannes, "goeden nacht, en nimmer

zal ik de goedheid vergeten, mij, armen vreemdeling, betoond. Ik wou

maar dat ik het u kon vergelden, want als ge mij dezen avond van uwe

deur gejaagd hadt, dan geloof ik niet, dat ik levend de Schaapskooi

van Olbert den eenarm zou hebben bereikt, want ik was moe, doodmoe."

"Het was de goede God, die uwe schreden hierheen richtte, Hannes. Hij

alleen weet waar het goed voor is; goeden nacht."

Het Uilennest · 第 8 / 28 题