Geweldig had boer Van Gulven tegen zijn bouwknecht opgespeeld, toen
hij vernam dat deze met Gerrit Dubbe had gevochten, en hem
toegevoegd, dat hij van hem de ware toedracht der zaak verlangde te
weten, want van wat men hem verteld had, beweerde hij niets te
begrijpen.
"Er valt niet veel van te vertellen, baas," had Hannes droogjes
geantwoord.
"Dubbe stond mij in den weg, en toen hij op mijn verzoek geen plaats
maakte, heb ik zelf gezorgd dat er ruimte kwam; dat is alles."
Toornig schold Van Gulven zijn bouwknecht een twistzoeker en
vechtersbaas, maar de bedreigingen en scheldwoorden van zijn meester
lieten den man tamelijk koud. Het zachte, vermanende woord van den
grijzen predikant had meer indruk op het ruwe gemoed van den
Gelderschman gemaakt, want deze was één van die karakters, die
gevoelig zijn voor ieder vriendelijk woord, maar daartegenover altijd
gereed om hardheid met hardheid te beantwoorden.
Waarschijnlijk zou het tusschen Van Gulven en Hannes Klinge tot een
hevigen twist gekomen zijn, want de boer begreep zeer goed, dat
Hannes de ware aanleiding tot den twist niet wilde zeggen, toen
Martha binnenkwam, en zich dadelijk in het gesprek der beide mannen
mengde.
"Vader, ge moest Hannes om deze zaak niet hard vallen, want niet hij,
maar Gerrit Dubbe is de schuldige." En met weinige woorden vertelde
het meisje den vertoornden boer de aanleiding, waarom het vechten
begonnen was.
Brommend en mopperend keerde Van Gulven zijne dochter en Hannes den
rug toe en verliet de kamer met de bedreiging, dat indien er weer
iets dergelijks voorviel, hij zich van een anderen bouwknecht zou
voorzien. Sinds dien tijd zochten de eenige dochter van den rijken
boer en de arme bouwknecht zooveel mogelijk elkanders gezelschap, en
eer een jaar verloopen was, verklaarde Martha haar vader en moeder
dat zij nimmer de vrouw van Gerrit Dubbe zou worden, en dat zij nooit
met iemand anders zou trouwen dan met Hannes Klinge.
Het woord was gesproken, en de uitwerking, die het op den rijken Van
Gulven had, was te voorzien. De op zijn rijkdom en aanzien in het
dorp zoo trotsche man was buiten zichzelven van woede.
Op staanden voet werd Hannes Klinge ter verantwoording geroepen, en
de grofste beleedigingen werden hem door den woedender boer naar het
hoofd geworpen. Tegen zijn gewoonte bleef Hannes kalm.
Hij liet den storm over zich heen gaan en eerst toen Van Gulven hem
toebulderde, dat het hem alleen te doen was om het geld en goed, dat
eenmaal de rijke erfdochter zou ten deel vallen, steeg het bloed den
jongen kerel naar het hoofd, en de beide ferme handen vooruitstekend,
klonk het flink van de lippen van den Gelderschman: "Arm ben ik, dat
is waar, maar met deze handen hoop ik toch voor Martha en voor mij
het dagelijksch brood te verdienen. Van uw geld, dat uw afgod is,
verlang ik geen enkelen penning."
"Weg, van hier! Oogenblikkelijk!" brulde Van Gulven, en naar een kast
loopend, haalde hij geld voor den dag, en een handvol grijpend wierp
hij het den bouwknecht voor de voeten.
"Hier is je achterstallig loon, en nu, marsch! Als je je ooit weer
binnen de poort van "Zorgwijk" vertoont zoolang ik leef, dan zal ik
er je met de honden doen afjagen!"
Zonder een woord te spreken raapte Hannes Klinge zooveel van het geld
op als hem aan loon toekwam, en het overige latende liggen waar het
lag, voegde hij Van Gulven toe: "Mij kunt ge als een hond wegjagen,
dat staat u vrij, maar er zal een tijd komen, dat het u zal berouwen,
dat ge uw eenig kind van u hebt afgestooten, want haar lot is aan het
mijne verbonden, en dat kunt gij niet keeren!"
"Waar jij blijft, daar blijf ik ook, Hannes," riep Martha hem nog na.
Toen viel de deur achter hem dicht, en naar den zolder gaande boven
den stal, waar zijn kist stond, pakte Hannes wat kleeren in een
bundeltje bij elkander en verliet toen met opgericht hoofd de schoone
bezitting van den rijken Van Gulven.
Kwispelstaartend sprong Turk, de groote waakhond, tegen hem op, en
toen hij de deur van den paardenstal voorbijliep, hinnikte de bruine
merrie daarbinnen, die hem herkende aan zijn stap.
Het was een schoone hoeve, dat "Zorgwijk", zooals het daar lag in het
heldere maanlicht van den winteravond, en op het voetpad, waar Hannes
verleden jaar met Gerrit Dubbe vocht, daar bleef hij nu een wijle
staan.
Nu vestigde hij nog eenige oogenblikken het oog op de hoeve; een jaar
lang was het zijn tehuis geweest, en nu was hij van daar weggejaagd.
Doch de liefde van Martha nam hij meê; maar zijn onrustig kloppend
hart verweet hem, dat hij haar, die hij liefhad, een harde toekomst
bereidde. Dan wendde hij zich langzaam af van "Zorgwijk", dat hij
mogelijk nimmer meer zou betreden, en met snellen tred zijn weg
vervolgend, liet hij spoedig het dorp achter zich.
Hobbelig en met diepe wagensporen doorploegd is het voetpad, waarop
de eenzame wandelaar thans gaat, maar Hannes Klinge is duisternis en
moeilijke paden gewoon, want in zijn jongelingsjaren, eer hij soldaat
werd, heeft hij dikwijls met het geweer in de hand door de Geldersche
bosschen gezworven, en menige haas en reebok zijn onder zijn schot
gevallen.
Nu voert zijn pad hem naar "den Davel" en een uur lang volgt hij den
kronkelenden loop van het meer. Slechts hier en daar schijnt een
lichtje door hoog opgaand geboomte, en wijst de plaats aan, waar zich
een boerenhoeve bevindt, maar Hannes verlaat het voetpad niet voordat
hij aan een kruisweg komt.
Een weinig terzijde van den weg rijst een hooge doornheg op, en
achter de heg de donkere omtrek van een klein boerenhuisje, waar nog
een groote schuur is aangebouwd.
Twee eeuwenoude, ontzaglijke noteboomen breiden hun breede takken
over het rieten dak uit, en de duisternis is hier zoo dicht, dat
Hannes Klinge aarzelend blijft staan.
Daar klinkt het scherpe, eigenaardige blaffen van een echten
herdershond, en uit de groote schuur wordt het dadelijk beantwoord
door het veelstemmig blaten van een kudde schapen.
Nu gaat de bovendeur open, en een zware basstem roept naar buiten:
"Wie is daar nog zoo laat op het pad, en wat zoekt gij hier?"
"Ik ben het, Olbert!" roept Hannes, "ik ben het, maar houd uw
nijdigen Spits bij u, want ik wensch geen kennis te maken met zijn
gebit." De als "Olbert" aangesprokene herhaalt half binnensmonds: "Ik
ben het; wie is ik, en toch ken ik zijn stem.
Ha! ik weet het al, kom maar binnen, Hannes, en jij Spits, in je
hoek, marsch!"
De onderdeur gaat ook van de klink, en Hannes treedt binnen.
De man, die door Hannes met den naam van "Olbert" is aangesproken,
sluit de buitendeur zorgvuldig dicht en gaat door een klein portaal,
waar emmers, potten en pannen en klompen staan. Dan duwt hij een
binnendeur open en is in de huiskamer van "Olbert den schaapherder".
Maar uren in den omtrek noemt men hem niet anders dan "den eenarm".
Hij is een Gelderschman van geboorte, en uit dezelfde streek
afkomstig als Hannes Klinge. Hij heeft hem slechts bij toeval leeren
kennen, toen Hannes hem hielp om een in een sloot gevallen schaap
weer op den kant te brengen.
Sinds dien tijd hebben beide mannen elkander dikwijls ontmoet, en het
moest al wonder slecht weer wezen als Hannes Klinge des
Zondagsnamiddags het voetpad langs "den Davel" niet afkuierde, om een
bezoek te brengen aan de "Schaapskooi", zooals men algemeen de
woonplaats van "Olbert den eenarm" noemt.
Doch nu was hij er in geen weken geweest, want andere dingen hadden
zijn hoofd en hart vervuld, en boeiden hem op "Zorgwijk". Maar dat is
nu voorbij, voorgoed voorbij.
"Goeden avond, moeder Sanne," zegt Hannes, de vrouw van den
schaapherder groetend.
"Genaovend, Hanneske; ge komt nog laat de "Schaapskooi" opzoeken.
Toch geen zwarigheid op "Zorgwijk"?"
De kloeke Geldersche vrouw, die door Hannes "moeder Sanne" genoemd
wordt, legt de breikous, waaraan ze heeft zitten werken, ter zij, en
één der zware eikenhouten stoelen bij het vuur schuivend, ziet ze den
jonkman met haar vriendelijke bruine oogen onderzoekend aan.
Hoe echt warm en gezellig is het in de woonkamer van Olbert den
eenarm!
De koperen tuitlamp op de vierkante tafel is niet bij machte het
groote vertrek geheel te verlichten, en laat de verste hoeken in een
geheimzinnig duister, terwijl de flikkerende vlam van het groote
houtvuur onder de breede schouw grillige schaduwen werpt tegen de
lage zoldering en de helder gewitte muren.
Laag is de zoldering, zoo laag, dat men zou denken, dat Olbert zijn
hoofd zal stooten tegen de dikke balken, als hij rechtop loopt, want
de schaapherder is een buitengewoon lang man, en zoo mager als een
brandhout.
Ondanks die magerheid is "de eenarm" gezegend met een ijzersterk
lichaamsgestel, dat zelfs niet geschokt is door het ruwe
soldatenleven, dat hij achter den rug heeft. Want Olbert volgde in
zijn jeugd de vanen van Napoleon Bonaparte en rijkelijk had hij zijn
deel gehad aan den roem, de gevaren en het lijden van de soldaten van
den "kleinen korporaal". Hoe veel, hoe ontzettend veel van zijn
wapenbroeders waren niet achtergebleven op de groote slagvelden van
Europa, maar Olbert keerde weer naar zijn sinds lang vergeten dorpje
in het schoone Gelderland; doch zonder linkerarm, want dien verloor
hij op den met bloed gedrenkten grond, daarginds bij Leipzig.
Maar Olbert is er dankbaar voor, want in het hospitaal, waar hij met
zooveel anderen werd verpleegd, leerde hij zijn Heiland kennen en
daar leerde de veldprediker, die het middel was in Gods hand om zijn
ruw hart te treffen, hem het leven van een gansch andere zijde
beschouwen dan hij tot dusver deed.
Toen hij hersteld was en het hospitaal kon verlaten, was hij, zooals
reeds gezegd, naar zijn dorp in Gelderland gegaan, maar allen, die
hij er vroeger had liefgehad, waren heengegaan, of lagen op den
stillen doodenakker.
Toch vestigde de invalide zich op het dorp, want bij den schout was
een klein kapitaaltje gedeponeerd, dat aan zijn ouders had
toebehoord, en dat de brave schout hem uitkeerde, zoodra het in het
dorp bekend werd, dat de eenige zoon van den ouden Olbert was
teruggekeerd.
Voor hij soldaat werd, was Olbert bij een schapenboer in dienst
geweest, en de kennis, die hij in zijn jonge jaren van het wollige
vee had opgedaan, kwam hem thans goed van pas, want ondanks zijn
eenen arm, verdiende hij met het kleine koppeltje schapen, dat hij
van de nalatenschap zijns vaders had gekocht, een eerlijk stuk brood.
Van een bijenhouder--of, zooals de Gelderschman zegt, van een
"iemker"--had hij een schuur gehuurd en deze als schaapskooi
ingericht, en hier in de stille landelijke omgeving vond de eens zoo
roofgierige en woeste soldaat van Napoleon een ongekender vrede, en
rust voor zijn gemoed.
Na verloop van een paar jaar was Olbert gehuwd met de dochter van den
iemker en woonde toen met zijn schoonvader onder één dak, want Sanne
was een eenig kind, en haar moeder was reeds jaren geleden gestorven.
Vijf jaren later klopte de dood ook bij den ouden iemker aan, en
Olbert bleef met Sanne alleen, want hun echt was kinderloos gebleven.
Toen kwam een kwade tijd voor de talrijke schapenhouders uit die
streek.
Op een natten zomer volgde een lange en buitengewoon strenge winter.
De prijzen van het veevoeder stegen tot een ongekende hoogte, en toen
eindelijk het lang verbeide voorjaar kwam, bleef het zóó lang koud en
guur, dat het gras niet groeide, en de schapen gebrek leden op de
dorre heide.
Ook Olbert zag voor zijn bedrijf de toekomst donker in, en de man,
die er door het woelige soldatenleven, dat hij achter den rug had,
aan gewoon was geraakt dikwijls van plaats te verwisselen, dacht er
thans ernstig over, om elders te trachten meer en beter weideveld
voor zijn kudde te gaan zoeken.
Nu had zijn schoonvader, naar de wijze der iemkers, de gewoonte
gehad, om tegen den tijd, dat het koolzaad bloeit, met zijn
bijenkorven naar ZuidHolland te trekken, waar dan zijn vlijtige
diertjes een rijken honingoogst inzamelden op de gouden velden.
Op een dezer jaarlijksche tochten had Olbert den ouden iemker eens
vergezeld, en was toen met bewondering vervuld over de malsche weiden
en de met gras begroeide wegen en paden in de nabijheid van den
Davel. In den boomgaard van een hoeve aan het kleine meer namelijk
stonden dan de korven van Sannes vader.
Naar deze plaats trok Olbert na rijp beraad heen, en het gelukte hem,
van een naar elders trekkenden boer, voor niet veel geld, de kleine
hoeve te koopen, waar hij in den omtrek en langs wegen en paden, in
weer en wind zijn kudde weidt en waar wij hem thans aantreffen.
Reeds meer dan vijf en twintig jaar woont Olbert hier op deze plek,
en al wordt zijn donker hoofdhaar grijs, en al komen er zilveren
draden in den langen knevel, de hooge magere gestalte is nog
ongebogen, en de blauwe eerlijke oogen staan nog zoo helder in het
bruine gelaat als toen hij de Fransche vaandels zag wapperen op het
oorlogsveld.
De schaapherder werpt nog een struik op het haardvuur, en vrouw Sanne
herhaalt haar vraag tot Hannes Klinge.
"Toch geen zwarigheid op "Zorgwijk"?"
Ja, Hannes had zwarigheid, en met horten en stooten vertelde hij
alles wat daar sinds de vechtpartij met Gerrit Dubbe was
voorgevallen.
Zwijgend had Olbert de eenarm geluisterd en met geen enkel woord was
hij den spreker in de rede gevallen, en toen Hannes zweeg, was het
een oogenblik stil in het vertrek.
Buiten was de wind opgestoken en het maantje was schuil gegaan achter
de dikke sneeuwwolken. De vlammen onder de schouw dansten met lange
tongen op en neer, als een rukwind in den schoorsteen huilde.
Olbert streek, zooals hij gewoon was te doen als hij ergens over
nadacht, met de magere bruine hand over den grijzen knevel, en zei
toen tot Hannes:
"Heb je goed bedacht wat je gedaan hebt, Hannes? Weet je wel, dat
Martha van Gulven in weelde is opgevoed, en wat kun je haar anders
aanbieden dan een toekomst vol arbeid, zorgen en kommer? En dat was
alles nog niets, mijn jongen, als je die toekomst tegemoet gingt met
het oog omhoog gericht, hulp en bijstand afbiddend van den goeden God
hierboven. Niet vertrouwend op eigen kracht en bovenal geen haat in
het hart tegen den rijken Van Gulven, die je denkt te vertrappen
onder zijn voet, omdat je arm bent en alleen staat in den strijd om
het bestaan. Hij zal je dien strijd zwaar maken, Hannes, als je in
deze streek blijft; zwaar en moeilijk, want ik ken hem. Maar nog
eens, geef den haat geen plaats in je hart, want haat is als een
kanker: hij vreet in, diep in het gemoed, en hij weert al wat goed is
in je. Ook geeft hij den duivel gemakkelijk spel; daarom Hannes,
luister naar den raad van een man, die het goed met je meent, die de
wereld gezien heeft, en die eenigszins menschen kent."
"En welken raad geeft ge mij, Olbert, behalve dat ik niet haten moet,
hoewel men mij haat?"
De schaapherder buigt zich naar den jonkman toe, en hem de magere
hand op den schouder leggend, ziet hij hem in de oogen.
"Geloof mij, Hannes, een huwelijk met Martha kan jou en haar naar
menschelijke berekening niet gelukkig maken. Je kunt haar geen ander
bestaan aanbieden dan dat van een dagloonersvrouw, en zou het niet
vreeselijk zijn, Hannes, als je na jaar en dag moest bemerken, dat
Martha terugverlangde naar het leven, dat zij om uwentwil liet varen?
Zou het dan niet beter zijn, dat je de wijde wereld introkt, en je
ver van hier een bestaan trachttet te verwerven, zonder nu reeds haar
lot aan het uwe te verbinden?
Want," vervolgde Olbert met nadruk, "liever zag boer Van Gulven zijn
eenige dochter van honger omkomen, dan dat hij jou zou steunen om
harentwil. Nog eens, Hannes, ik ken hem, dien man met zijn steenen
hart en onverzadelijke heerschzucht.
Martha en jij hebt het gewaagd hem te trotseeren, en hij zal je den
voet dwars zetten, overal waar hij kan. In dien strijd zul jij het
onderspit delven. De haat, waartegen slechts het gebed je kan
behoeden, zal, zonder dat, postvatten in je hart. Wil en mag je nu
het meisje, dat je liefhebt, mengen in dien bitteren strijd?"
De schaapherder zwijgt. Op vaderlijken toon heeft de oude soldaat
gesproken tot den gewezen bouwknecht van "Zorgwijk", en nu de
eigenaardige diepe stem van Olbert den eenarm zwijgt, nu hoort men
zooveel te duidelijker de bulderende stem van den stormwind, die over
den Davel giert, het dorre riet doet ruischen en de takken der oude
noteboomen als met reuzenhand door elkander schudt.
De fijne jachtsneeuw dringt door de vensterreten en kruipt als witte
wol tegen de kleine groenachtige ruitjes op; het vuur flikkert onder
de schouw, en in dien donkeren hoek gromt de ruige herdershond in den
slaap.
Stormen doet het daarbuiten, en stormen doet het in het hart van
Hannes Klinge.
Zwijgend staart hij in het vuur, en het gefronste voorhoofd en de
harde trek om de saamgeperste lippen doen duidelijk zien, dat de
welgemeende raad van Olbert niet strookt met de wenschen en plannen,
die Hannes Klinge in het hoofd heeft. "Ge spreekt van niet haten,
Olbert, en ge vraagt mij of ik Martha in mijn armoede mag doen
doelen, terwijl zij gewend is aan weelde en overvloed. Ge raadt mij
aan, weg te trekken, ver van hier en haar lot niet te verbinden aan
het mijne!
Zie, Olbert, ik acht u hoog, meer dan eenig ander mensch, maar ge
kent mij niet. Want als ge mij kendet, zoudt ge weten, dat Hannes
Klinge niets vergeet, geen goed en geen kwaad. Ik zal ieder mensch,
hetzij arm of rijk, die mij vriendelijk behandelt, evenzoo
behandelen, en hem helpen, en bijstaan waar ik kan; maar beleedigt
men mij, of is men zonder oorzaak hard en onredelijk, dan komt alles
wat in mij is daartegen in opstand, en ik betaal met gelijke munt, al
moest ik het met den dood bekoopen.
Had Van Gulven tegen me gezegd: Hannes, Martha is mijn eenig kind en
een rijke erfdochter, dus zij kan je vrouw niet worden, je verschilt
te veel in stand, het kan tot haar geluk niet zijn, dus is het beter
dat je weggaat van hier,--zoo waar ik leef, Olbert, ik zou gegaan
zijn, want ik had hem immers nog niets gevraagd? Maar neen; hij liet
mij uit den stal roepen waar ik de paarden voederde, en hij
overstelpte mij met beleedigingen en scheldwoorden; hij wierp mij
zijn geld voor de voeten en joeg mij weg. Neen!" vervolgt de
bouwknecht, "ik haat dien rijkaard, die om den wille van het geld
zijn eenig kind verkwanselen wil aan dien rooden Gerrit Dubbe, en
Martha haat dien vent. Van Gulven weet dat, en toch zou hij zijn wil
doordrijven als hij kon. Martha is dit voorjaar mondig, en dan kan
niets of niemand haar beletten mijn vrouw te worden. Zelf heb ik er
haar op gewezen, dat aan mijn zijde een hard lot haar deel zal zijn;
maar dat schrikte haar niet af, en met flikkerend oog verklaarde zij
liever met mij bedelend door het land te trekken dan in weelde en
overdaad te leven met Gerrit Dubbe. Daarom ben ik vast besloten, om
dit voorjaar met Martha te trouwen, en wil Van Gulven mij zijn macht
doen gevoelen, het is mij wel, ik zal hem trotseeren, en de rijke
boer zal in den armen Gelderschman een tegenpartij vinden, die hij
mogelijk wel kan breken, maar nimmer zal kunnen buigen. Wil hij den
strijd, het is mij wel; ik ben bereid.
Nu rest mij nog te vragen, Olbert, of ge dezen nacht een plaatsje
voor mij hebt in het hooi; dan ga ik morgen werk zoeken, en vind ik
het niet hier in den omtrek, dan wandel ik naar R., waar ik wel iets
zal vinden, want in de groote stad kan men licht een paar krachtige
handen gebruiken."
Olbert schudt het hoofd en ziet Hannes droevig aan. "Hard tegen hard,
zoo was ik óók, toen ik zoo oud was als jij, en indien ons hart vol
is van bitterheid en haat, dan woelen en werken daarbinnen de
duistere machten van den booze, en geef je er aan toe, dan zullen die
de overhand krijgen en je ziel vergiftigen, je leven vergallen, en
den vrede voor het gemoed zul je nimmer vinden.
Richt het oog op den "Man van Smarten", die zoo schuldeloos leed, en
zoo geduldig dat vreeselijk lijden droeg, Hem door der menschen zonde
aangedaan; die als men dreigde, niet weder dreigde, en niet
terugschold als men Hem schold.
Wiens hand zich niet ophief als men Hem sloeg, en toch was die hand
gewapend met Goddelijke almacht. Maar de Goede Herder gaf zijn leven
voor zijn schapen, en op den heuvel van Golgotha vloeide zijn
schuldeloos bloed en stierf Hij den ontzettender kruisdood. Daar
betaalde Hij onze schuld, Hannes! Mijne schuld en de uwe!
Dat voorbeeld gaf de groote Meester, en wij willen steeds en altijd
weer vergelding oefenen. Ik heb het je gezegd, Hannes, ééns was ik
zooals jij, en spoedig in blinde drift ontstoken, heb ik dikwijls
dingen gedaan, die mij later bitter hebben berouwd. Maar 't gedane
wordt niet ongedaan, en in mijn wild soldatenleven telde ik op het
oorlogsveld een menschenleven voor niets. Doch een lichtstraal uit
den hooge viel in mijn schuldig gemoed, en ik gruwde van mijzelven,
want de booze weg, dien ik tot nu toe had bewandeld, lag in al zijn
donkerheid voor mijn zielsoog. Groote God, hoe klaagden ze mij aan,
die bleeke dooden met hun starre trekken en bloedige wonden, zooals
ik er zoovele duizenden heb zien liggen op de groote vreeselijke
slagvelden.
Zij waren gevallen in den strijd tegen den overweldiger, in de
verdediging van den grond hunner vaderen, maar ik, waarvoor had ik
gevochten? Waarvoor volgde ik vrijwillig de Fransche adelaars van
dien man des bloeds? Voor den roem, voor de eer, voor dat ijdele
klatergoud, en daarvoor alléén, want in Napoleon Bonaparte zag ik
mijn ideaal, den afgod, dien ik aanbad.
Maar mijn afgod viel, want een machtiger Potentaat dan hij deed hem
het "tot hiertoe en niet verder" in de ooren klinken, en zijn macht
en, heerschappij, gekocht met zóóveel bloed en jammeren, spatte
uiteen als een door een kind geblazen zeepbel.
En ik, als een invalide keerde ik weer, ongeschikt voor het
soldatenwerk. Maar God lof en, dank, het was zijn wil, dat ik een
ander veldteeken zou volgen dan de Fransche adelaars, en toen vond ik
het geluk waarnaar ik gezocht had op plaatsen waar het nimmer te
vinden is. Toen vond ik vrede voor mijn gemoed en in het bloed van
het offerlam van Golgotha.
Den moordenaar aan het kruis wees Hij niet af en ook mij, armen
verdoolde, bestraalde zijn Goddelijk licht.
Wend je tot Hem, Hannes Klinge, en geef den haat geen plaats in je
hart."
Hoog opgericht staat de lange gestalte van den schaapherder voor den
jonkman, en de blauwe oogen staren dezen onderzoekend aan. Hebben de
woorden, die hij gesproken, heeft, dat harde hart getroffen? Trillen
er zachtere snaren in dat ruw gemoed? Wie zal het zeggen; maar Hannes
zwijgt, en drinkt met langzame teugen zijn koffie, die vrouw Sanne
voor hem heeft ingeschonken.
Dan praten beide mannen, nog een wijle over verschillende
onderwerpen, maar eindelijk kijkt Olbert naar de klok, en vrouw Sanne
schept het avondeten op.
Olbert de eenarm bidt overluid het "Onze Vader", en als het eenvoudig
maal met smaak is genuttigd, dan spreekt hij ook het dankgebed uit.
Op den zolder is een, slaapplaatsje voor Hannes, maar reeds lang
slapen Olbert en vrouw Sanne den slaap des rechtvaardigen, als Hannes
nog ligt te luisteren naar het huilen van den wind door de takken der
oude noteboomen.
Zouden het de woorden zijn, die Olbert vanavond sprak? En zouden die
woorden naklinken in zijn hart, en hem den slaap uit de oogen houden?
Wij weten het niet, maar reeds eer den, volgenden morgen de korte
winterdag aanbrak, was Hannes weer beneden, en toen het schemerde in
het oosten, baande hij zich een weg door de ingesneeuwde voetpaden,
om werk te gaan zoeken, overal waar hij dacht het te kunnen vinden.
Wij zullen Hannes Klinge niet volgen op zijn tocht. Het is genoeg als
we zeggen, dat zijn moeite vruchteloos was. Overal had hij
aangeklopt, maar overal het hoofd gestooten, en in de stad was de
werkeloosheid zóó groot, dat er voor den vreemdeling in het geheel
geen kans was werk te vinden.
Moedeloos en vermoeid keert Hannes terug naar de Schaapskooi, want
Olbert had hem des morgens toen hij vertrok, gezegd, dat zoo lang hij
nog geen werk had en dus ook geen tehuis, hij de Schaapskooi kon
beschouwen als de ouderlijke woning. En vrouw Sanne voegde er
moederlijk aan toe: "Kom maar naar ons toe, Hanneske, we zullen oe
wachten van aovond," en ze had hem nog een paar flinke boterhammen
met spek medegegeven op reis, die Hannes uitmuntend goed te pas waren
gekomen.