HOOFDSTUK I.

't Is een groote, mooie bezitting, de hoeve "Zorgwijk", en de

eigenaar, boer Barend van Gulven, wordt dan ook voor een der rijkste

boeren van het dorp gehouden.

In hoeverre dit waarheid bevatte, zullen we in het midden laten, doch

zeker is, dat boer Van Gulven graag had dat er op zijn rijkdom

gezinspeeld werd, en niemand had daar beter slag van dan Gerrit

Dubbe, een boerenzoon uit de buurt, met wiens vader Van Gulven

bevriend was.

Reeds lang was tusschen de wederzijdsche ouders besloten, dat Martha

en Gerrit man en vrouw zouden worden, doch de mooie Martha lachte en

spotte met den rooden Gerrit, en het werd de oude geschiedenis; de

mensch maakt plannen en berekeningen: zoo zullen we doen en zoo zal

het gaan, en hij denkt meester te zijn van den toestand, doch vergeet

den grooten Meester daarboven, wiens heilige wil alleen wet is, en

dat slechts Hij en Hij alleen den weg bepaalt, dien wij, nietige

stervelingen, hebben te bewandelen.

Eerst met zachtheid en toen met toornige bedreigingen had Van Gulven

zijn dochter aan het verstand gebracht, dat het zijn wil was, dat zij

de vrouw werd van Gerrit Dubbe, maar noch het een, noch het ander had

het gewenschte gevolg.

Eerst lachte Martha met haars vaders woorden, toen werd ze driftig,

en een heftig tooneel volgde, waarbij het meisje verklaarde, dat ze

nog liever met den armsten daglooner zou trouwen dan met den rijken

Gerrit Dubbe, dien ze niet uitstaan kon.

Met een dreunenden vuistslag op de tafel schreeuwde Van Gulven, paars

van woede, dat ze met Gerrit Dubbe zou trouwen of anders met niemand,

doch deze bedreiging liet Martha koud, en ze verliet trotsch het

vertrek, waarin de woordenwisseling plaats had, en waarin haar vader

woedend en haar moeder schreiend achterbleef.

Kort na het hierboven verhaalde had boer Van Gulven een nieuwen

bouwknecht noodig, en omdat de boerenknechts altijd met November in

een anderen dienst gaan, en het nu reeds bijna Kerstmis was,

wanhoopte de boer er al aan, of het hem gelukken zou een goeden

bouwknecht machtig te worden. Maar eindelijk meldde er zich een aan,

en daar diens persoon hem goed aanstond, haastte Van Gulven zich hem

in zijn dienst te nemen.

Gelderschman van geboorte, was Hannes Klinge soldaat geweest in een

Zuidhollandsch garnizoen, en na volbrachten diensttijd was hij in een

naburig dorp boerenknecht geworden. Daar hij niets meer op de wereld

had dan een broeder, die als schippersknecht op den Rijn voer, was er

ook niets dat hem aan Gelderland bond, en zoo was dan Hannes Klinge

bouwknecht bij boer Van Gulven.

De boer was niet gemakkelijk voor zijn knechts, maar met dezen

Gelderschman kon hij goed opschieten. Geen boerenknecht, uren in den

omtrek, die zulke rechte voren ploegde als de bouwknecht van

"Zorgwijk," en toen Van Gulven een jong paard gekocht had op de

B.-sche paardenmarkt, dat hij zelf niet temmen kon, had Hannes Klinge

gevraagd of hij het eens mocht probeeren, en hoewel het er Spaansch

genoeg naar toe ging, gelukte het den Gelderschman toch, het wilde

dier onder den duim te krijgen, en boer Van Gulven had er voortaan

een buitengewoon goed paard aan, waarop hij wat trotsch was. Een jaar

lang ging alles goed; de jongens uit het dorp mochten den knecht van

"Zorgwijk" bijna allen goed lijden. Echter had hij ook zijn vijanden,

maar was Hannes een goed vriend, als vijand was hij geducht.

Nog maar kort was hij bij Van Gulven, of reeds toonde Hannes, dat het

hem in geen geval aan moed ontbrak, en een paar boerenzoons moesten

dat tot hun schade ondervinden.

't Had gesneeuwd en de wegen en voetpaden van het dorp lagen dik

onder de wollige vacht. Thans sneeuwde het niet meer, maar een helder

winterzonnetje aan de reine blauwe lucht gaf levendigheid en licht

aan het doodsche winterlandschap.

Vroolijk babbelend loopen een drietal boerendochters de dorpsstraat

uit: zoo aanstonds zullen ze het voetpad volgen, dat naar "Zorgwijk"

voert, want een der drie meisjes is Martha van Gulven; de twee andere

zijn haar vriendinnen.

Ze zijn ter kerk geweest, want het is Zondagvoormiddag, en omdat ze

een poosje bij het kerkpad hebben staan praten met meisjes, die een

anderen kant uit moesten, is het wat laat geworden; en nu haasten ze

zich huiswaarts, want daar wacht haar de dampende koffie. Een poosje

geleden was de dorpsstraat nog vol kerkgangers, maar nu zijn ze allen

binnenshuis, want al schijnt de zon, de ijzige noordoostenwind kleurt

de neuzen rood en paars en doet vingers en ooren tintelen.

Toch zijn er behalve Martha en haar vriendinnen nog andere lieden,

die de koude niet schromen, want daar achter die groote schuur bij

het voetpad naar "Zorgwijk" staat een groepje jonge boeren te praten

en te rooken.

Ze staan uit den wind en in het zonnetje, en ze kunnen trouwens wel

tegen de koude, want de meesten van hen zijn stevige, gezonde

klanten, aan het leven in de open lucht gewoon.

Het gesprek heeft over arren en schaatsenrijden geloopen en een

hunner voert het hoogste woord. Hoor, hoe schettert zijn stem, als

hij beweert dat er nog veel meer sneeuw in de lucht zit; en als een

ander zulks betwijfelt, dan wil hij om tien gulden wedden, dat er nog

eer de zon is ondergegaan sneeuw zal vallen.

't Is toch zoo'n bluffer, die roode Gerrit Dubbe, maar ondanks zijn

hatelijk optreden wordt hij toch door allen ontzien, want hij is de

rijkste boerenzoon uit het dorp, en nergens meer dan op het

platteland geeft veel geld den bezitter daarvan tevens gezag en

overwicht.

Slechts één man in het dorp heeft den naam van in rijkdom niet voor

den ouden Dubbe (de vader van den rooden Gerrit) onder te doen, en

dat is de boer van "Zorgwijk". Daarom ook zal Van Gulven met vreugde

zijn dochter Martha, zijn eenig kind, tot vrouw geven aan Gerrit

Dubbe, den eenigen erfgenaam van zijn schatrijken vader.

Dat Martha niet wil, acht haar vader van geen beteekenis; zijn wil is

wet, en hij is gewoon steeds te worden gehoorzaamd.

Trouwens geen der boerenzoons uit het dorp zou het wagen als

mededinger van den rooden Gerrit op te treden, want ontziet men hem

om zijn geld, men vreest nog veel meer zijn geweldige lichaamskracht

en zijn blinde drift.

"Ik ga koffiedrinken, jongens," zegt een der jongere boeren achter de

schuur, en treedt een weinig ter zijde. "Ha!" vervolgt hij, "daar

komt Martha van Gulven ook nog aan. Gerrit, moet je haar niet vragen

of ze morgen meê gaat arren?"

Het is op het dorp een publiek geheim, dat de roode Gerrit door den

vader wordt begunstigd, maar door de mooie Martha niet wordt begeerd,

want deze maakt er volstrekt geen geheim van, dat ze den jongen Dubbe

niet kan uitstaan.

De jonge boeren weten dat en daarom zeggen ze plagend: "Toe, Gerrit,

laat ons eens zien hoe ze tegen je lacht, als je haar vraagt morgen

met je te gaan arren, of durf je niet?"

Het bloed stijgt Dubbe in het toch reeds zoo roode gelaat, en zijn

borstelige wenkbrauwen samentrekkend, roept hij dreigend: "Wie praat

van durven; heb je wel eens iets gezien dat ik niet durf?" Maar

glimlachend laat hij er op volgen: "Hou je stil, jongens; ik zal de

dames eens verschrikken!"

Zijn groote handen grijpen in de sneeuw, en juist als de argeloos

babbelende meisjes de schuur passeeren, vliegt een groote sneeuwbal

Martha vlak in den hals.

De jongens lachen uitbundig, en de beide vriendinnen van Martha

vluchten, om voor meerdere projectielen beveiligd te zijn, het

voetpad af naar "Zorgwijk"; doch Martha vlucht niet. Zij heeft zeer

goed gezien, wie den sneeuwbal wierp, en een minachtende blik uit de

mooie oogen treft den "rooden Gerrit". Zonder haar tred te verhaasten

wil ze doorloopen, doch dit is niet naar den zin van den rijken

boerenzoon, die niet gewoon is geminacht te worden. Naar het meisje

toeloopend, plaatst hij zijn logge, vierkante gestalte vlak voor haar

op het voetpad en verspert haar aldus den weg naar huis.

"Kom, kom, Martha," zegt Dubbe, "word nu niet boos om het gooien van

een lossen sneeuwbal; geef me de hand en ga morgen met me arren; dat

was ik juist van plan je te vragen. Nou meid, wat zeg je daarvan? Sla

toe, dan ga ik nu met je meê naar "Zorgwijk", en zal dadelijk je

vader vragen of hij het goedvindt."

Gerrit blijft met uitgestoken hand voor Martha staan, doch deze doet

alsof ze zijn groote hand niet ziet, en wil hem zonder een enkel

woord te spreken voorbij loopen op het smalle pad. Hij hoort het

spottend lachen van zijn vrienden en dat maakt hem inwendig woedend,

en brutaal blijft hij haar den weg versperren.

"Laat mij toch door, vervelende vent!" roept nu Martha heftig, "zie

je dan niet, dat ik van je opdringen niet gediend ben? Laat mij door,

en gedraag je niet als een kwajongen!"

Maar koppig blijft roode Gerrit staan, en lachend, hoewel hij geen

lach in het hart heeft, klinkt het: "Neen, neen, ik laat je niet door

voor je me de hand geeft, al moeten we hier nog een uur staan. Je

komt er niet door."

Daar nadert met de handen in de broekzakken, op zijn gemak, Hannes

Klinge; hij heeft de koffie al op, en komt zoo de poort van

"Zorgwijk" uit. Hij wil nog even een kijkje nemen in de dorpsstraat,

daarom heeft hij zijn pijp opgestoken en loopt lustig te dampen. Maar

met eenige verwondering blijft zijn scherpe blik op het tweetal

rusten, daar vóór hem op het pad.

Wat beteekenen het toornige gelaat van Martha en haar van woede

glinsterende oogen? En waarom blijft die boer daar zoo sarrend haar

den weg versperren? Hannes verhaast zijn tred, en nu krijgt ook

Martha hem in het oog.

"Hannes!" roept ze heftig tot den bouwknecht van haar vader, "Hannes!

maak jij hier voor mij het pad eens vrij, want deze vent denkt, dat

hij hier in het dorp alles doen mag, omdat allen bang voor hem zijn;

maar jij bent niet bang voor hem, dat weet ik zeker!"

Neen, Hannes Klinge vreesde Gerrit Dubbe niet, want regelrecht op hem

toeloopend, voegt hij den jongen boer op forschen toon toe: "Dubbe,

je hebt geen recht hier op dit pad iemand tegen zijn wil den weg te

versperren, dus maak plaats."

Verbaasd kijkt Gerrit Dubbe den vermeteler spreker aan, als begrijpt

hij niet wat deze bedoelt; doch ook maar één oogenblik duurt zijn

verbazing. Dan maakt een geweldige woede zich van hem meester, doch

eer hij één woord zeggen kan, geeft Hannes Klinge hem een duw, zoodat

hij zijdelings van het pad in de mulle sneeuw terecht komt. Met een

helderen spotlach loopt Martha hem voorbij.

"Dank je, Hannes," roept ze, "dat is kloek gedaan," en met vluggen

tred spoedt ze zich naar haar beide vriendinnen, die bij de poort van

"Zorgwijk" op haar staan te wachten.

Maar Hannes is er nog niet af, want als een woedende bulhond stormt

Gerrit Dubbe op hem los.

"Ellendige Gelderschman," brult hij, en trilt als een toornige stier,

"dat zal ik je duur laten betalen," en met opgeheven vuist werpt hij

zich op Hannes Klinge. Doch de bouwknecht van "Zorgwijk" was een

uiterst gevaarlijke tegenpartij, en als soldaat was hij een der beste

schermers van zijn bataillon geweest. Behendig ontwijkt hij de

geweldige slagen van den boer, en snel uitvallend treft zijn

gespierde vuist Gerrit Dubbe vlak in het gelaat.

Deze verliest thans alle zelfbeheersching; razend grijpt en slaat hij

om zich heen, en doet geweldige pogingen om Hannes Klinge te pakken

te krijgen, doch glijdt hem als een paling door de vingers, en

vuistslag op vuistslag treft Dubbe in het gelaat.

Het bloed stroomt den boer uit neus en mond, zijn oogen zijn bont en

blauw geslagen, en met toenemende verbittering vecht de bouwknecht.

Maar er daagt hulp voor den rooden Gerrit Dubbe.

De meeste toeschouwers van dit Sabbat-ontheiligend tooneel gunden

Gerrit Dubbe zijn nederlaag van ganscher harte, en de geheele

geschiedenis ging zoo snel in zijn werk, dat eigenlijk nog niemand

tusschenbeiden kon komen.

Maar een der jonge boeren had nu de laagheid om achter de vechtenden

om te loopen, en verraderlijk Hannes Klinge van achteren aan te

vallen.

Het was de lange Gijs Lemmer, en deze meende zich verdienstelijk te

maken door partij te kiezen tegen den vreemdeling; mogelijk met de

gedachte, dat er wel meer zouden komen, die hem hielpen den

gevaarlijken Gelderschman onschadelijk te maken.

Hij bracht Hannes Klinge een geduchter vuistslag op het hoofd toe, en

greep hem met de linkerhand bij den nek. Maar met een sprong als van

een tijger maakte deze zich los, en trok knarsetandend van woede zijn

mes.

Het breede, scherpe lemmet schittert in het zonlicht, en indien God

het niet verhoedt, zal deze rampzalige twist een noodlottiger afloop

hebben; want een scherp geslepen mes is een vreeselijk wapen in een

zoo forsche vuist als die van Hannes Klinge.

Plotseling komt van achter de schuur de in het zwart gekleede

gestalte van een oud man te voorschijn.

Leunend op zijn wandelstok, en zoo snel zijn voeten hem kunnen

dragen, nadert hij de vechtenden en de hen omringende opgewonden

boeren.

Zijn verschijning oefent een buitengewonen invloed uit op den man,

tot wier hij zich wendt.

Zelfs Gerrit Dubbe komt tot bedaren, en veegt met zijn zakdoek het

bloed van zijn gelaat.

Gijs Lemmer sluipt tusschen de anderen in, maar Hannes Klinge blijft

staan op het pad, met het mes in de vuist en de woede in het oog. Het

is tot dezen dat de oude heer het woord richt.

Ernstig en droevig klinkt zijn stem: "Steek uw mes weg, jonge man. Is

het niet vreeselijk, dezen schoonen dag des Heeren te ontwijden, door

u in des Satans dienst te stellen, en elkander als wilde dieren te

bevechten? Komt mannen, begeeft u allen huiswaarts en bidt den goeden

God, dat Hij u deze dingen genadiglijk vergeeft!"

Wat mogelijk geen tien politiemannen zoo spoedig zouden hebben gedaan

gekregen, bereikte de oude heer met zijn eenvoudig woord. Het was de

predikant van het dorp, en het zou niemand in de gedachten komen zich

tegen hem te verzetten, geacht en geëerd als hij werd door allen.

Beschaamd en verlegen verliet men de plaats, waar het werpen van een

sneeuwbal bijna manslag tengevolge had gehad.

Doch Gerrit Dubbe vertrok niet zonder Hannes Klinge nog eerst een

wraakzuchtigen blik toegeworpen te hebben; toen verdween hij met Gijs

Lemmer om den hoek der schuur, en een oogenblik daarna lag het

voetpad van boer Van Gulven zoo stil en verlaten in den kouden

noordenwind, als hadden er nimmer dwaze jongelingen den schoonen

Zondag ontheiligd.

Het Uilennest · 第 6 / 28 题