Zeventien kleine gasten zijn vereenigd op het plein van 't dorp: Wij
kiezen er één uit; wij zetten hem in 't midden; wij blazen met den
mond, terwijl wij de hand over den mond strijken, alzoo: Fua. Dien wij
aangewezen hebben, dat hij ons vervolge! Indien hij iemand aanraakt,
aan hem is de Zio [289] vastgehecht. Die moet weer een andere trachten
aan te raken.
Dan was het heel plein van 't dorp in beweging en in beweging. Zij
liepen tot op den hoek van 't dorp; zij kwamen terug, zij vluchtten
dien jongen, die met den zio was. Indien die jongen hem gegeven had
aan een anderen kleine, zoo hij niet heel sterk was in 't loopen,
kon hij den zio niet meer kwijt geraken.
Toen de kinderen gespeeld en gespeeld hadden, riepen de moeders hunne
kinderen. Ieder moeder riep haar kind. Dien kleine, die met den zio
was, begonnen zij uit te lachen, alzoo: O, o, o, o; hij zit met den
zio, dat is een stank in 't huis zijner moeder. O, o, o, o, morgen
heeft hij hoofdpijn. O, o, o, o, hij heeft geen verstand.
Kiduma.