De zon was ondergegaan. De avond was gevallen.
De kleine jongens waren vereenigd: hunne bende te zamen; de meisjes
ook hunne bende.
De jongens, aldus: Gij, meisjes, begint, dan zullen wij betalen.
Zij, de meisjes, alzoo: 't Is goed.
En zij begonnen de raadsels.
Het eerste meisje van den troep begon dus: Luistert wel! Ring.
Een jongen, de eerste van den troep, antwoordde, alzoo: Smeed hem.
Zij, 't meisje, alzoo: Een geheel dorp bouwen wij, ouden en ouden
slechts, kleinen daar zijn er geen [290].
De jongens antwoordden, alzoo: Een huis.
Zij, de meisjes, alzoo: Wandelt maar, 't is dat niet, 't is geen huis.
En de jongens raadden en raadden, zij konden het niet.
't Meisje, die het raadsel had gezegd, alzoo: Noemt een dorp, dat
wij het slaan.
Zij, de jongens, aldus: 't Is goed, zusterken.
Zij, alzoo: Neemt Kisantu.
Zij, de jongens, alzoo: 't Is wel, wij slaan en slaan; wij vermorzelen
en vermorzelen.
Zij vroeg: Aan welke rivier gaat gij drinken?
Zij, de jongens, aldus: De rivier Nyanga.
Zij, 't meisje: Gij blijft rivierafwaarts; wij rivieropwaarts. Al de
lijken, die wij gedood hebben, werpen wij in de Nyanga.
Zij vroeg weer, alzoo: Zijt gij verzadigd?
Zij, de jongens, alzoo: Ja.
't Meisje, die haar raadsel had gezegd, alzoo: Ik zoek de besten uit,
in mijn zak. De heele slechten, in uw zak.
Wo! Wel, gij beste, gij hoort, aldus: Een geheel dorp hebben wij
gebouwd, ouden en ouden slechts, kleinen daar zijn er geen. Wel, ga
een stuk land maïs planten, laat de maïs groeien, en als hij groot
en rijp geworden is, allen dragen een baard. Ziet gij een maïs,
die geen baard heeft?
De jongen, aldus: 't Is zoo, zusterken, uw raadsel.
De jongens, alzoo: Blijft stil, wij ook, wij stellen u ons raadsel.
Allen zwegen.
Een jongen sprak, aldus: Ring.
Zij, de meisjes, alzoo: Smeed hem.
Hij, alzoo: Vader heeft een dier geschoten, 't bloed verspreidt zich
in heel de streek.
En de meisjes, zij dachten en dachten, zij dwaalden en dwaalden in
hunne gedachten, zij konden het niet.
Die zijn raadsel gesteld had, alzoo: Noemt een dorp, gij zult het
slaan.
Zij, de meisjes, alzoo: 't Is wel, broederkens, wij geven u Kipasa.
Zij, alzoo: 't Is wel, gaat slaan.
En de meisjes sloegen en sloegen.
De jongens vroegen, alzoo: Aan welke rivier drinkt gij?
Zij, alzoo: Wij drinken aan de Ngufu.
Hij, alzoo: Gij blijft rivierafwaarts, wij blijven rivieropwaarts. Al
de lijken die wij gedood hebben, werpen wij in de Ngufu, opent uwen
mond, slikt ze in.
Zij, alzoo: Wij hebben ze ingeslikt.
Hij, alzoo: Zijt gij verzadigd?
Zij, alzoo: Wij zijn verzadigd.
Hij, alzoo: Ik kies de besten uit, in mijn zak. De heele slechten,
in uw zak. Wel, luistert wel, ik leg 't raadsel uit. Wel, zusterkens,
gij hebt het gehoord, alzoo: Vader heeft een dier geschoten, 't bloed
heeft zich verspreid in heel de streek. Wel, als men 't gras in brand
steekt, 't verbrande gras, ziet gij het niet opstijgen, hoe het zich
verspreidt in heel de streek.
De meisjes, alzoo: 't Is zoo, broerken, uw raadsel.
Terwijl zij daar bleven raadsels vertellen, hoorden zij de hanen,
die kraaiden; 't weer was klaar geworden.
De meisjes, alzoo: Wij zijn gewonnen. Haalt een geweer, en schiet
een schot om onze overwinning.
En zij schoten een schot.
De meisjes, alzoo: Haalt een banaanplant. Wij planten ze.
Zij gingen een banaanplant halen; en zij plantten ze.
Die banaanplant, als zij vruchten heeft, als de vruchten rijp zijn,
snijden zij ze af en verdeelen ze onder malkander.
Mbengo.