Drie kleinen waren vereenigd. Een jongen, die veel verstand had,
groef een putje in den grond, ging een banaanblad halen, verwarmde het
boven 't vuur, en legde het boven den put. Hij nam water, goot het in
't blad, nam een kleine mier, legde ze boven 't water, waar zij zwom
en zwom.
Dan riep hij de andere kleinen, alzoo: He, vrienden, welaan, komt,
komt luisteren, de kleine mier slaat de trommel op 't water.
Zij, de onnoozelen, kwamen af. Hij beval, alzoo: Komt, zit om den
put. Dat er een luistere!
Maar, die verstand hadden, alzoo: Neen, neen, bedriegen, gij zoudt
ons hier bedriegen.
Een kleine, die niet veel verstand had, zegde zoo: maak plaats, ik
luister naar de kleine mier, hoe zij de trommel slaat. En zij lieten
hem door, terwijl zij zegden: Wel, ga door!
En hij ging door. Toen hij op zijn knieën zat, en zijn hoofd boog over
't water, de jongen, die zijn spel kende, duwde hem 't hoofd in 't
water. 't Water kwam tot in zijn ooren, hij werd doornat. De anderen
vielen aan 't lachen. Hij, zijn oogen, hij deed ze wijd open, hij wist
niet wat zeggen. Eindelijk, tergde hem dat schaterlachen; hij wist
niet wat antwoorden; hij trok met haast op. Hij ging 't huis van zijn
moeder binnen, en hij ging daar zitten, zonder een woord te haperen.
Zijne broeders, alzoo: Ziet ge wel, die vreugde is nu eens
uit. Toen wij u zegden: Blijf hier! Gij antwoorddet: Naar 't spel
ga ik spelen. Ziet ge nu, wat er is in 't spelen! Dat zal u leeren
luisteren, jongen.
Kiduma.