De kleine gasten waren vereenigd op 't land van de aardnoten. Een
kleine, die verstand had in zijn spel van aardnoten, riep zijnen
vriend, alzoo: Drie aardnoten, als wij ze uit hunne peulen doen,
dan zijn er negen gepelde aardnoten; die negen kunt gij niet opeten.
Hij, alzoo: Ye [286]! Die negen gepelde aardnoten, ik zou ze niet
kunnen opeten!
Hij, alzoo: Gij kunt ze niet opeten.
Wel, 't is goed. Ik ga drie aardnoten nemen in den korf van mama;
ik zal ze u brengen en gij zult ze pellen. Dan zal ik ze opeten,
hoor je, ik kan ze niet.
En hij liep heel rap naar den korf van zijne moeder.
Hij, die zijn spel kende, bleef daar wachten. En hij riep, alzoo:
Breng ook een weinig assche van 't vuur mede.
Hij, waar hij bleef, schudde zijn zaksken uit, nam rijpe peper,
verbrijzelde de peper op zijn hand, en hij bestreek met het sap zijne
twee vingeren: den duim en den wijsvinger, en hij wierp 't groen weg.
Toen riep hij, alzoo: Wel, maar breng nu de aardnoten, hoor je. Drie
aardnoten, die gij gaan zoeken zijt, moet gij ze nog uitdoen?
Hij, de kleine, antwoordde, alzoo: Ik kom aan, wacht, ik ga een beetje
assche nemen.
En hij nam een beetje assche, en hij kwam.
En alzoo: Wel nu, pel uwe aardnoten, gij?
En hij pelde zijne drie aardnoten, en hij legde op zijne hand negen
gepelde aardnoten.
Hij, die zijn spel kende, alzoo: Als gij eene aardnoot opeet, ik, ik
steek mijne twee vingers in de assche, ik duw ze onder uwe oogen. Als
gij de negen aardnoten opeet, ik wrijf u negen wrijven in uwe oogen.
Hij, de kleine, alzoo: 't Is wel. Toon uwe handen, dat ik zie.
Hij, alzoo: Mijne handen, wel, zie, zie maar. Wat ziet gij er aan? Zij
zijn toch niet vuil.
Hij, de onnoozele kleine, nam een aardnoot, wierp ze in den mond,
hij kauwde, en slikte haar in.
Hij, die zijn spel kende, stak zijne twee vingeren in de assche,
en wreef ze hem in de oogen; 't peper begon niet rap te steken.
De kleine at weer een tweede aardnoot, en hij, hij nam een weinig
assche en stak ze hem in de oogen. De oogen begonnen stillekens aan
te jeuken.
Maar hij, de kleine, dacht, alzoo: 't Is uit oorzaak van de assche.
En hij nam een derde aardnoot, en hij wierp ze in den mond, en hij
at ze.
De deugniet nam weer assche, wreef ze hem in de oogen; 't was nu
't derde wrijven. En de peper had hem gevat. Hij wilde zijn oogen
opendoen; maar hij kon niet om ze open te doen, 't peper had hem vast,
de tranen aan 't uitloopen waren zij. 't Was een gekerm en gehuil. Hij
schreeuwde en schreeuwde, hij liet zich op den grond vallen.
Zijn moeder beval aan hare dochter, die met haar op 't land aardnoten
aan 't uitdoen was, alzoo: Welaan, mama, ga ons kind nazien. Hoor je
niet, hoe hij aan 't kermen is met veel tranen, wat is er?
De dochter, alzoo: Ik, ik ga niet. Hij, wat is hij ginder gaan
verrichten, wat is 't?
Zij, de moeder, alzoo: Wel, ga, beste mama, moeder van smarten,
ga zien naar den graver van ons graf [287].
Zij, de dochter, toen zij dit hoorde, haar lichaam was gebroken. En
zij ging.
Toen zij ging, toen zij aankwam, lag haar broerken aan 't huilen en
kermen op den grond.
Wel, gij, wat is er, welk is de reden? Wel, gij, spreek rap, of ik
ga weg!
Hij, de kleine jongen, alzoo: Haast u, draag mij, ik, uw broerken,
ga mij wasschen in 't water. Die deugniet van een jongen heeft mij
met zijn peper bestreken. Toen hij zag dat ik aan 't huilen ging,
is hij weggeloopen.
Zij, de zuster, terwijl zij hem droeg, riep op hare moeder: He,
mama, ik ben naar 't water gegaan. Ons jongentje ga ik in 't water
wasschen. Die deugnieten hebben hem vol peper bestreken.
En zij ging, en zij waschte hem. Toen zij terugkwamen op 't veld,
waar zij hunne moeder gelaten hadden, zij, de moeder, alzoo: Wel,
wat is er geweest?
Hij, 't jongentje, alzoo: Die deugniet heeft mij bedrogen, alzoo:
Drie groote aardnoten, waar negen gepelde aardnoten in zijn, gij kunt
ze niet opeten. En ik, ik was aan 't redetwisten met hem, ziet ge;
hij beval mij, alzoo: Wel, ga drie groote aardnoten halen, kom dan
waar ik ben, met een weinig assche. En ik kwam af. En hij, alzoo:
Als gij een aardnoot eet, elken keer, als er één op is, dan steek ik
mijne twee vingeren in de assche, en ik bestrijk u onder de oogen.
Ik at een aardnoot en hij nam assche tusschen zijne twee vingeren,
en hij stak ze in mijn oogen, en ziet, mijn oogen deden pijn en pijn,
en ik viel op den grond; de aardnoten, ik heb ze niet opgeëten. En
hij is weggeloopen. Ware mijn oudste niet gekomen om mij te dragen,
ik was er gestorven, mama!
Zij, de moeder, alzoo: Gij, wat gaat gij daar doen, wat is 't? Gij
sterft nog vroeg of laat door de slechte geesten. Waarlijk, indien gij
met zulke vrienden nog volhardt, op zekeren dag, dood zijt gij zeker,
dood. Gij, gij hier groot worden! Neen, neen! De oogen, indien ik ze
niet opendeed, gij zoudt niet groot worden. Zulke makkers zullen u wel
eens beet hebben. Speel niet meer, vader [288]. Hoor je het, niet waar!
Hij, alzoo: Ja, mama, ik zal niet meer spelen.
Mbengo.