Indien iemand een longontsteking heeft, komt de toovenaar, die de
longontsteking heeft. Hij neemt een verkensribbe; hij bindt ze vast aan
een band; hij neemt een palmnoot en een soort van gras: dinsusu. Daarna
slaat hij de palmnoot in stukken, hij legt gras op de palmnoot en
bestrijkt er de ribben van den zieke mede. Als hij bestreken heeft,
dan legt hij alles op de borst van den zieke, en hij spreekt 't verbod
uit: Verkensribben mag hij niet eten, noch verkensvleesch.
Dan geeft men zeven en twintig mitakos. En hij, de toovenaar, trekt op.
Als de zieke genezen is, dan komt de toovenaar terug, om 't verbod
af te nemen. Hij doet 't vleesch eten dat hij verboden had, en hij
ontvangt negentig mitakos en een kieken.
Daarna trekt hij op.
Songia.