Indien iemand hoofdpijn heeft, doet men den toovenaar roepen. Als
de toovenaar komt, neemt hij een palmnoot van een palmnotenrist;
hij haalt er den palmsteen uit; hij neemt roode verf, en een soort
van gras: dinsusu; hij slaat den palmsteen in stukken, en op de kern
strijkt hij roode verf, hij legt haar in een band, en hij bindt het
vóór het aangezicht; daarna perst hij de palmnoot uit, hij bestrijkt er
't hoofd van den zieke mede; en hij bestrijkt drie keeren, terwijl hij
het verbod zegt, alzoo: Palmsteenen, dat hij ze niet in stukken sla!
De toovenaar vraagt negen mitakos; zij geven ze hem en hij trekt op.
Indien de zieke genezen is, komt de toovenaar terug om 't verbod
af te nemen. Hij vraagt drie keeren negen mitakos; hij ontvangt ze;
en dan doet hij den zieke een palmsteen in stukken slaan op een steen.
Songia.