Dan vragen de broeders, die geboren zijn met dit meisje, ieder hun
draagmes aan dien jongeling, die hunne zuster wil trouwen. Daarna
is het huwelijk geregeld. De jongeling gaat zijne hut binnen, doet
't geld te voorschijn komen, en daarbij nog de messen voor zijne
schoonbroeders, en hij betaalt de zes stukken van vijf frank. Als dit
gedaan is, dan scheiden zij van malkander; de verwantschap gaat terug
naar haar dorp. Als zij in hun dorp aangekomen zijn, dan stellen zij
onder malkander den dag, waarop zij hunne zuster zullen zenden naar
haren echtgenoot.
Indien de familiestam rijk is, dan koopen zij eenen bok en wel
twintig kiekens. Dan bereiden de vrouwen ook groote maniokbrooden,
om 't huwelijk te vieren. Zij dooden de kiekens en zij bereiden in
eenen aardpot wel twee of drie kiekens te zamen. Dan verzamelen zij
de schoonste korven, leggen er de aardpotten met kiekens op, en de
groote maniokbrooden. Alles hebben zij vereenigd, wel misschien zeven
schoone korven; den bok leiden zij ook, maar hij is nog levend.
Dan komen de zusters allen te zamen, die met haar ofwel van denzelfden
vader geboren zijn of van dezelfde moeder, om hare zuster naar 't
huwelijk te sturen, en om de namen van den familiestam van hare zuster
te zeggen. Wanneer zij allen vereenigd zijn met hunne oudste zuster,
dan wachten zij totdat de zon een weinig verkoeld is, dien oogenblik
immers gaan zij hunne zuster naar 't huwelijk sturen.
Als de zon verkoeld is, tegen drie uren, dan komt hun oudste broeder
aankondigen, dat het tijd is hunne zuster naar 't huwelijk te
sturen. Maar eerst komt de moeder af, om hare dochter eenige goede
lessen te leeren, die lessen waarmede zij naar haar huwelijkshuis
moet vertrekken. 't Zijn lessen om er de goede deugden te toonen:
He kindlief, waar gij gaat, werk er goed, toon geene ondeugd. Wij,
dat wij niets slechts hooren.
Als het leeren gedaan is, dan vertrekken zij naar 't huwelijksfeest.
En zij gaan, en gaan, en gaan. Als zij aankomen waar de man is van
hunne zuster, dan vragen zij naar zijn huis.
De menschen van 't dorp toonen zijn huis. Dan gaan zij 't huis binnen
en zij regelen al de schoone maniokkorven langs den strooien muur
van de hut. Hij, de echtgenoot van hunne jongste zuster, komt dan
een goeden dag geven.
Dan zegt de oudste zuster tot den echtgenoot, alzoo: Ga uwe ouden
verwittigen, dat zij komen om uwe vrouw te nemen.
Dan gaat hij zijnen oudsten broeder halen, die met hem geboren is
en zijn andere broeders en zusters. Als hij afkomt, dan geeft men
malkander den goeden dag bij handgeklap, zij en hunne verwantschap.
Dan groet de oudste zuster haren oudsten schoonbroeder bij handgeklap,
en zij zegt, alzoo: Zij, de vrouw van uwen broeder, zijn wij komen
sturen naar 't huwelijk; maar zij is niet ledig gekomen. Daar die
maniokkorven; daarenboven, dien man [276] die daar op de koer staat
met zijn vier pooten, slacht hem; en daar nog die kruik palmwijn,
schenk hem uit om de maniokbrooden goed te verteren.
Hij, de oudste broeder, zegt dan aan zijne jongeren, alzoo: Laat ons
groeten, kinderen.
En de groeten bij handgeklap weergalmen, en spreken alzoo: Boloko,
boloko, boloko [277].
Dan trekken zij de korven naderbij, en zij geven een maniokbrood terug,
aan degenen die ze gedragen hebben. Hij, de schoonbroeder, spreekt,
alzoo: Dat is voor uw last, eet hem op.
Die hunne vrouw nu bezitten, nemen al de maniokbrooden op, en zij
gaan ze bewaren in 't huis van hunnen oude, en zij stellen eenen dag,
waarop zij ze zouden verdeelen, en zij zeggen, alzoo: Morgen immers
zullen wij ze verdeelen.
Als de zon opgestaan is, vereenigt zich heel het gehucht om te
verdeelen en hunne kiekens en hunne maniokbrooden. Als 't gedaan is
met verdeelen, dan stellen zij ook eenen dag om hunne verwantschap
te beloonen en den dag ook van hun teruggaan.
Als alles gedaan is, dan gaat men uiteen, en men gaat terug, ieder
in zijne hut. Maar hij, de echtgenoot, die nu zijne vrouw heeft, hij
blijft met zijne verwantschap. Als de verwantschap daar is sedert
twee dagen, gaat de echtgenoot een verkensbil op de markt koopen,
en hij geeft ze aan de verwantschap, dat zij eten.
Die dagen, dat zij daar blijven, de vrouw slaapt niet in 't zelfde
bed met haren man.
Vier of vijf dagen zijn vervlogen, den vijfden of den zesden dag,
gaat de man palmwijn koopen om den familienaam en den naam van den
stam op te zeggen. Als hij den palmwijn gekocht heeft, dan zegt hij
tot zijn verwantschap, alzoo: Vandaag, tegen den avond, zullen wij
onze namen van 't huwelijk zeggen.
En tegen den avond, gaan de schoonzusters hout rapen om hare namen van
't huwelijk te zeggen. Als de zon ondergegaan is, gaan zij eten. Als
men gedaan heeft met eten, dan vergadert de heele verwantschap in 't
huis met hunne zuster; hij, de man ook, gaat zijne broeders zoeken, die
met hem geboren zijn van vaders kant, twee of drie; dan komen zij in
dat huis ook binnen en zij spreiden schoone, schoone biezenmatten uit.
Zij, de schoonzusters, maken een heel groot vuur; het vuur glinstert
met zijn glinsteren; allen bekijken malkander in 't gezicht en met
oogen, die niet beschaamd zijn.
De man doet dan eene kruik palmwijn te voorschijn komen.
Daarna begint de man zijnen familienaam van moeders kant te zeggen,
alzoo: Ik, ik ben wie? Ik ben Fula Ma Nsaku Kalunga.
De verwantschap, als zij dat hooren, dan schreeuwen zij al te zamen:
E yelelelele, e kuyelete ku tat'e!
Daarna zegt hij ook den familienaam van vaders kant, alzoo: Waar ik
geboren ben, zij, wie zijn het? Zij, Ba Kisila zi ngombi zi nsundi!
De verwantschap, als zij dat hooren, dan schreeuwen zij weer al te
zamen: E yelelelele, e kuyelete ku tat'e!
Daarna zegt hij nog den naam van zijne moeder op, en den naam van
zijn vader.
De verwantschap, als zij dit hooren, schreeuwen weer opnieuw: E
yelelelele, e kuyelete ku tat'e!
Dan groet de vrouw den grooten groet aan haren echtgenoot [278].
En daarna begint de vrouw ook hare familienamen op te zeggen, met
dezelfde omstandigheden en plechtigheden, gelijk de echtgenoot zijne
namen gezegd heeft.
Als 't opzeggen der namen gedaan is, dan eet en drinkt men, en den
volgenden dag, als de zon is opgekomen, na een groeten bij handgeklap,
gaat de verwantschap terug naar hun dorp.
Waar de man en de vrouw gebleven zijn, doet men den toovenaar komen,
die den naam draagt van Nganga Kesa.
De toovenaar doet man en vrouw op een biezenmat zitten, en hij
besproeit ze met water, terwijl er in 't dorp wordt vuur geschoten.
En 't huwelijk is ingezegend. En nu mag de man in de hut, die hij
voor zijn vrouw gebouwd heeft, binnentreden [279]!
De vrouw maakt het eten gereed, stampt den maniok in den stampersblok,
gaat water scheppen en brandhout rapen.
Op het veld, gaan man en vrouw dikwijls te zamen werken. 't Bosch
afkappen, om er maniok te planten, is 't werk van den man, gedurende
het droog seizoen, alsook tabak planten.
Maniok en aardnoten en boonen planten, dit is vooral het werk der
vrouw.
Indien de vrouw zwanger geworden is, komt de toovenaar met zijn
toovermiddelen om de vrouw te zegenen. Hij legt ook het verbod op van
eenige zaken niet te eten, zooals sprinkhanen en een soort van rat,
die men nkusu noemt. Daarna trekt de toovenaar op met zijn toovergeld,
negentig mitakos.
Als het kind geboren is, wordt dezelfde toovenaar, Nganga Kesa,
weer uitgenoodigd. Hij komt met zijn toovermiddelen, hij geeft man
en vrouw te eten en hij legt weer een ander verbod op, alzoo: Geiten
dat zij in de hut niet binnenkomen, sprinkhanen mag men niet branden,
het nieuwgeboren kind mag men in de zon niet toonen, de moeder mag
op het veld niet gaan werken.
Men geeft den toovenaar negentig mitakos en een kieken en hij
vertrekt. Waar hij gaat, moet men een handvol aarde werpen.
Als het kind eene maand oud is, dan komt een andere toovenaar om het
in de zon te toonen [280]. De toovenaar komt de hut binnen, de vrouw
moet een zijner vingers vastnemen, en alzoo komen toovenaar en vrouw,
die haar kind op hare armen draagt, buiten en gaan driemaal om rond
de hut. Vóór de hut, op het plein, maakt dan de toovenaar eene plaats
schoon, teekent er een kruis op en legt het kind op het kruis, dat
hij besproeit met water. De toovenaar vraagt gewoonlijk de waarde
van twaalf frank voor al zijne moeite en voor zijne toovermiddelen.
Na deze plechtigheid is het de vrouw toegelaten haar werk op het veld
te hernemen, terwijl het kind op haren rug is vastgebonden met een
schouderriem. Eene moeder draagt gewoonlijk haar kind op hare heupen,
bij middel van een draagband.
Zoolang eene vrouw de borst geeft aan haar kind, wat wel twee en drie
jaar duurt, mag zij aan geen ander kind het leven geven. Zulk iets
is ongeoorloofd: Het kind zou vermageren, zijn haar zou ros worden,
het zou dikke kaken krijgen en de neus zou gedurig uitloopen.
Indien er hevige twist moest ontstaan tusschen man en vrouw, ofwel
ook tusschen de broeders van de vrouw en den echtgenoot, dan zegt hij,
alzoo: De verwantschap is niet goed. Het huwelijk is verbroken.
En de familie geeft het huwelijksgeld aan den echtgenoot terug. Zelfs,
als de vrouw er hoegenaamd niet in toestemt, is de man vrij, hij
vertrekt naar zijn dorp en hij trouwt met een andere vrouw. De vrouw
doet hetzelfde.
Indien zij kinderen gebaard hebben, zijn het jongens of meisjes,
die behooren de moeder toe. De vader heeft er geen recht op.
Een man, die zijne vrouw schuldig weet van overspel, mag haar wegjagen,
en hij trouwt een andere vrouw.
Eene vrouw, die twee of driemaal weduwe geworden is, kunnen onze
zwarten felle pijnen doen uitstaan en uitschelden om haar te leeren,
dat zij haren echtgenoot niet meer mag vermoorden.
Alzoo wordt ook een man behandeld, wiens vrouwen te rap sterven.
Kisantu.