In Kongo draagt ieder mensch den naam van zijn familiestam. Ieder
familiestam heeft eenen naam. Men zal hem onthouden totdat de wereld
vergaat.
Ziehier eenige namen van familiestammen:
Mbenza Ma Nkunku (familiestam in het dorp Kiduma).
Ngwanina Kongo (dorp Kipasa).
Mata Ma Kongo.
Vuzi Na Nku.
Kisila Ngombi (dorp Kingombe).
Mbamba Kalunga.
Kongo kapitau lembo kifikidi wembo (dorp Kimbambi).
Fula Mansako Kalunga (dorp Kisantu).
Eertijds in een groot dorp waren er wel van tien tot twintig
familiestammen.
Maar sinds dat de blanken gekomen zijn, zijn de menschen uitgestorven;
er blijven in een dorp, misschien slechts twee familiestammen, ofwel
misschien één over. De menschen zijn doodgegaan door de slaapziekte
en de pokken.
In een stam kan geen slaaf of slavin binnen, omdat men ze gekocht
had. De bloedverwanten alleen behooren tot den familiestam.
In elk dorp zijn er kinderen van 't huis. Als men eene vrouw had
gekocht, en men zette ze in huis, indien zij kinderen baarde, dat
waren kinderen van 't huis.
Er zijn ook kinderen van den palmwijn van 't huwelijk. Dat zijn
opperhoofden of vrije kinderen, mannen of vrouwen.
Indien een vrouw met een man van een ander dorp trouwt, en indien zij
kinderen baren, dat zijn kinderen van den palmwijn van 't huwelijk. Als
zij groot geworden zijn, gaan zij naar den familiestam hunner moeder;
daar verblijven zij bij hunne bloedverwanten en hun moederlijken oom en
hun grootvader. De kinderen behooren tot den familiestam hunner moeder.
In een familiestam zijn er ook twee deelen.
Het eerste deel bestaat uit de ouden.
Het tweede deel bestaat uit de kinderen.
De ouden zijn altijd in den familiestam geweest, zij zijn niet
gekocht geweest.
Zij, de ouden, als zij eene vrouw gekocht hadden, en als die vrouw
kinderen heeft gebaard, dan verdeelen zij den familiestam in twee:
de vrije kinderen en de slaven.
Er mogen jaren voorbijgaan, en men zal de slaven altijd blijven
kennen, ware het zelfs in het begin van den stam, als men die vrouw
gekocht had.
Buiten den naam van den familiestam der moeder, heeft ieder nog
zijnen naam.
Als eene moeder haar eerste kind baart, dan geeft de vader gewoonlijk
den naam. Een kind (meisje), dat op de wereld komt, den derden dag
van de kongoleesche week, Nkenge, noemt men dikwijls Nkenge. Zoo ook,
den vierden dag, Nsona, dan is haar naam Nsona.
Als zij een tweede kind baren, is 't een jongen of een meisje, dan
geeft de moeder den naam aan den nieuwgeborene.
Daarbij geeft men aan ieder kind nog den naam van een heilige
[281]. Indien degene, die hem den naam geeft, Dombasi [282] heet,
dan heet het kind ook Dombasi, ofwel Dompaolo, Dompetelo, Domanuele,
enz. enz. Is het een meisje, dan geeft men den naam van Ndona Maria,
Ndona Ngalasa [283], Ngudi mpasi, (Moeder van smarten) ofwel Moeder
van 't leven, ofwel Moeder van den oorlog.
Verscheidene kinderen dragen ook spotnamen. Indien iemand veel kan
eten, en niets laat voorbijgaan, dan zegt men: Gij, dat kind, veel
vreugde is met u. Gij zijt een fuik, er gaat geen blad door. En het
kind wordt FUIK geheeten.
Dan zijn er nog namen van toovermiddelen, als men door den eenen of
den anderen toovenaar geheeld wordt.
Mbengo.