Al jaren en jaren bestaan er in Kongo gewoonten om te trouwen.
Een man, als hij wilde trouwen, ging en zag eene maagd, die hij in
zijn hart beminde, was het in 't dorp, ofwel op de markt ofwel in
een ander dorp.
Daarna ging die jongeling denken en denken in zijn hart, alzoo: Deze
vrouw zou ik willen trouwen. Dan ging hij nader bij deze vrouw, op
iedere plaats dat het 't beste was, om eens te beproeven; want zij
was misschien getrouwd, ofwel zij had reeds haren verloofde.
Toen hij nader kwam, ging hij haar den vrouwelijken groet groeten,
alzoo: Ik groet u, jonge dochter!
Zij, de jonge dochter, antwoordde hem, alzoo: Ik bemin u, vader man
[273]!
De jongeling dan ook vroeg haar, alzoo: He, gij, jonge dochter,
wie heeft u getrouwd?
De jonge dochter ook antwoordde dit antwoord, als zij nog niet getrouwd
was, alzoo: Ik ben nog niet getrouwd, eene maagd ben ik nog altijd.
Dan ook ging hij denken en denken in zijn hart, hoe hij kon vriendschap
sluiten met deze jonge dochter; maar hij zegde nu niets meer,
waarschijnlijk zou zij beschaamd wezen, indien de jongeling vroeg,
alzoo: Laat ons vriendschap sluiten; dan zou deze maagd misschien
antwoorden, alzoo: Ik wil geen vriendschap met u sluiten. En dan zou
de jongeling vol schaamte zijn.
Maar de jongeling, als hij aan de maagd gevraagd had of zij nog niet
getrouwd was, of zij geenen verloofde had, dan zweeg hij. Daarna
begonnen zij te kouten over zaken, die hen deden lachen, en zij
taterden en taterden om aan malkander hunne vriendschap te toonen. Die
jongeling, toen hij in zijne hut teruggekomen was, dacht en dacht
hoe hij zijn vleesch kon koopen om deze vrouw te beproeven. Misschien
zou zij 't vleesch gaarne aannemen.
Dan op den dag, dat de markt aangebroken was, ging die jongeling naar
de markt om vleesch te koopen en zout en tabak; toen hij deze zaken
gekocht had, ging hij terug naar zijn dorp.
Die jongeling zocht dan een kleinen knaap van verstand. Toen hij
hem gevonden had, zegde hij zoo aan dien jongen: Wel, kom bij mij,
zenden ik zend u, ik zal u iets geven, als gij terugkomt.
Die jonge knaap zegde, alzoo: Zend mij.
De jongeling zond dus den kleine, alzoo: Welaan, ga dit vleesch
dragen en dit zout en dezen tabak naar die jonge dochter, die den
naam draagt van den die..... (hier volgt de naam van 't meisje). Ga,
jongen, geef haar deze zaken.
Als gij gaat, als gij aankomt, zeg dan: Dit stukje vleesch en dit
weinigje tabak en dit pakske zout, die zijn van dien jongeling, die den
naam draagt van den dien..... (hier volgt de naam van den jongeling).
En de jonge knaap trok op naar die jonge dochter, en gelijk men hem
bevolen had, zegde hij, alzoo: Neem uw stukske vleesch aan en uw zout
en uwen tabak, die waren van dien jongeling, die den naam draagt van
den dien...
De jonge dochter, eer dat zij het aannam, was verwonderd, en zij ging
hare zusters spreken, en zij zegde: He mijne zusters, ziet eens met
wat die kleine gekomen is?
Dan zegden haar hare zusters, alzoo: Neem uw vleesch aan en uw zout
en uwen tabak; die jongeling, wij weten immers dat hij heel braaf is,
vol vriendschap; 't is immers ook een schoon jongeling. Maar, zuster,
als gij wilt vriendschap sluiten, 't is wonderwel, wij, uwe zusters,
wij hebben het gaarne; indien onze broeders het niet gaarne hebben,
wij toch, wij hebben het gaarne.
En zij namen alles aan. En de kleine ging terug naar den jongeling,
en hij zegde, alzoo: He, mijn oude, waar gij mij gezonden hebt,
hunne zaken hebben zij aangenomen, zij had het gaarne en hare oudere
zusters ook.
De jongeling was verheugd in zijn hart, maar alle vreugde nog niet;
misschien hadden de broeders het niet gaarne.
De volgende dagen, toen hij naar de markt ging, en hij kwam de broeders
van zijne vriendin tegen, dan kocht hij palmwijn, en hij droeg den
palmwijn op de plaats waar men palmwijn drinkt en hij beval aan een
kleinen broeder, alzoo: He, broerken, ga die menschen daar verwittigen,
dat zij bij mij komen.
Toen zij kwamen, toen schonk hij hun palmwijn uit, en hij groette ze
bij handgeklap, terwijl hij zegde, alzoo: Deze kruik heb ik gekocht,
om de warmte van de markt er mee uit te dooven.
En zij antwoordden, alzoo: Wij hebben dat gaarne, vriend.
Toen de palmwijn uitgedronken was, dan hernieuwden zij weer hunne
liefde tot dien jongeling, en dan scheidden zij van malkander en
zij gingen.
En de volgende dagen, ging hij weer een geschenk aanbieden aan de
vrouw, die hij wilde trouwen, ofwel vleesch, of vadems stoffen, of
parels, of armbanden. Kwam hij hare broeders tegen, dan slachtte hij
hun kiekens, kocht hun palmwijn en gaf hun dat.
Alzoo, toen hij hun vier of vijf geschenken had geschonken, dan
zegde hij hun stillekens, alzoo: Indien gij mij in uwe harten bemint,
trouwt mij dan met uwe zuster.
Zij, zij zagen malkander aan, en zij begonnen te spreken onder
malkander in 't geheim. En toen zij het gaarne hadden, dan zegden zij,
alzoo: 't Is wel, wij willen u met onze zuster trouwen.
Dan stelden zij den dag, alzoo: Toekomenden Nkandu den dezen niet,
maar den volgenden Nkandu, dan komen wij het geld van 't lichaam
onzer zuster eten [274].
Als de markt verschenen is, dan koopen zij hunnen palmwijn, om hun
geld te gaan eten. Hij, de jongeling, ook, koopt zijnen palmwijn en
hij slacht wel twee kiekens.
Dan de bloedverwanten van die vrouw, als zij bijeenkomen, gaan naar
't huis van dien jongeling. Hij haalt biezenmatten, waarop zij gaan
zitten, en zij groeten elkander bij handgeklap.
Hij, de jongeling, vereenigt zijne ouden. De bloedverwanten van de
vrouw groeten bij handgeklap den oude van dien jongeling, die hunne
zuster wil trouwen, en zij zeggen, alzoo: Die kruik daar hebben
wij medegebracht om 't geld te nemen van uwen jongen, die ons kind
wil trouwen.
Hij, de oude, dan ook, hij antwoordt bij handgeklap, alzoo: Wij
hebben dit gaarne, 't is met veel glorie dat wij de kruik van den
palmwijntrekker zullen uitdrinken.
En zij drinken den palmwijn.
Als de palmwijn uitgedronken is, dan gaat hij, de jongeling, ook
't eten halen, de kiekens en de maniokbrooden, en hij komt dit alles
uitspreiden op de biezenmatten.
Zij, zij trekken dit alles naderbij, en zij eten het op. Als zij geëten
hebben, als het gedaan is, dan gaan de ouden van den jongeling terug op
de plaats waar hun verwantschap is, en zij vatten ook hunnen palmwijn,
en zij schenken hem uit aan hun verwantschap. De oudste zegt dan ook,
alzoo: Dit kruiksken hier, drinkt het ook uit.
Zij ook antwoorden, alzoo: 't Is wel, wij hebben het gaarne.
Als zij den palmwijn gedronken hebben, als het gedaan is, dan stellen
zij onder malkander 't geld van 't huwelijk.
Die hun meisje bezitten, zeggen dan, alzoo: Wij stellen tien stukken
van vijf frank.
Die den jongeling bezitten, antwoorden, alzoo: Verkoopen, verkoopt
gij haar? Neemt vijf stukken aan.
Dan zeggen de bezitters van het meisje, alzoo: 't Is wel, wij zijn
met acht stukken tevreden.
De bezitters van den jongeling antwoorden, alzoo: Neemt zes stukken
aan.