In het dorp zijn palmwijntrekkers, misschien twee of drie. Die drie
trekken den palmwijn uit de palmboomen. Daar zijn nog anderen;
maar zij trekken niet. Een palmwijntrekker, die bemerkt heeft,
dat men er veel geld kan van maken, zegt, alzoo: Ik zal ook gaan,
ik ga mijn palmboommes laten smeden in de smidse.
Hij gaat, hij laat zijn palmboommes smeden. 't Is gedaan.
In de vallei, langs de rivier, heeft hij zijn palmboomslingerplant
afgesneden. Hij geeft ze aan degenen, die hoepels kunnen maken. Zij
maken hem een hoepel om op de palmboomen te klimmen, en hij betaalt
er een kalebas palmwijn voor.
Daarna gaat hij kalebassen koopen en kruiken en flesschen. Hij koopt
ook een klein mes om palmwijn te trekken: dat mes noemt men kela.
Dan denkt hij, alzoo: Mijne zaken zijn gereed.
't Is avond, 't weder is donker geworden, hij slaapt.
's Morgens, als de zon opgestaan is, 't weder ziet er lachend uit;
dan neemt hij zijn palmboommes, hij scherpt het, hij neemt zijn ander
klein mes, hij scherpt het ook; hij neemt zijn hoepel, en vertrekt naar
het verlaten dorp. Hij komt er aan. Hij maakt den eersten palmboom
schoon, wel twee mannelijke bloemen [264]; aan den tweeden palmboom
misschien drie. En alzoo maakt hij de palmboomen schoon, snijdt er
de palmtakken af, en hij werkt tot om den noen.
Daarna telt hij de palmboomen, die hij schoon gemaakt heeft, misschien
wel vijftien. Hij telt ook al de bloemen, misschien dertig. Aldus
moet hij er dertig kalebassen aanhangen.
De zon is ondergegaan, 't weder is donker geworden, en hij slaapt.
Morgen weer, als de zon is opgestaan, trekt hij op en gaat wel
honderd bloemen snijden. En 's avonds gaat hij de kalebassen aan de
palmboomen hangen.
Den volgenden dag, vroeg in den morgend, ziet men den palmwijntrekker
met zijnen hoepel en zijne messen weggaan. Hij gaat den palmwijn uit
de kalebassen ledigen. Die palmwijn is nog niet goed: hij giet hem weg,
omdat hij te zoet is.
Maar den volgenden dag, als hij zijn kruiken gaat ledigen, dien
palmwijn, eenieder, die wil, dat hij hem drinke; die hem niet wil,
drinkt hem niet.
't Is slechts met de derde lediging, dat hij den palmwijn verkoopt; bij
de vierde, is de palmwijn opperbest, dan is hij heel straf geworden.
Alzoo ziet men den palmwijntrekker alle dagen naar het verlaten
dorp gaan met zijn hoepel en zijn messen en zijn groote kruiken,
die onderweg spreken: Tsaka, tsaka [265]!
Uit twee palmboomen trekt men den palmwijn, de ntendi [266] en den
nkwangila [267].
Als men een palmboom omver kapt, dan noemt men hem mbulu. Boven in
de kruin, aan 't hart, maakt men dan groote kruiken vast, met smallen
hals, kibungu geheeten, en daar loopt de palmwijn in.
Aan den palmwijntrekker verbiedt men het verbod, alzoo: Als de markt
van het dorp op eenen Nkandu [268] valt, dan mag de palmwijntrekker
den volgenden dag, die een Konso is, geen palmwijn verkoopen. Hij
moet hem dragen aan den eigenaar van het verlaten dorp, waarop de
palmboomen groeien.
Ziehier eenige namen van kruiken: Taku di ngufu, nkalu zi bitutu,
nkalu zi Mputu ofwel masanga, en nkondo.
Eenige spotnamen van kruiken: Bwata-bwata, dibu-dibu.
Kisantu.