OPENING EENER MARKT

In heel den omtrek is er geen markt, noch Konso, noch Nsona, noch

Nkenge noch Nkandu. Al de markten zijn te ver; de vrouwen kunnen daar

niet gaan; zij geraken er niet op eenen dag. Als zij onderweg slapen,

dan komen zij er.

Hij, 't opperhoofd van 't dorp, denkt in zijn hart, alzoo: A! Ik kan

een markt oprichten, daar boven op den berg [269], omdat al de markten

te ver zijn; de menschen kunnen er niet henengaan; 't is te ver.

Als hij zoo gesproken heeft, koopt hij wel twee verkens, hij doet al

de opperhoofden van den omtrek komen.

Zij komen af, en hij zegt: He, opperhoofden, ziehier waarom ik u doen

komen heb: Kijkt eens rond. In heel den omtrek onzer streek is er geen

markt, noch Nsona noch Konso. Maar, opperhoofden, toekomenden Nsona,

den dezen niet, maar den volgenden, ziet gij, wij gaan de plaats voor

een nieuwe markt schoon maken.

In het dorp van het opperhoofd zijn er wel zestien opperhoofden van

andere dorpen vergaderd. Hij, het opperhoofd van de nieuwe markt,

zegt, alzoo: Dien dag, stel ik u vast; dat ieder opperhoofd kome met

zijne trommel. Komt af, wij gaan een markt oprichten op die hoogte

daar, boven op den berg. Indien ik een dier heb, dan stellen wij de

wetten van de markt; maar dien dag, brengt geene zaken mee om ze te

verkoopen; komt alleenlijk met de trommels.

Zij, zij antwoorden, alzoo: 't Is wel, opperhoofd.

Zij gaan weg, zij scheiden van malkander en gaan het aan de andere

menschen vertellen.

De vastgestelde dag is verschenen.

's Avonds te voren, in het dorp van 't opperhoofd, die de markt wil

oprichten, speelt men de klokjes, en 't opperhoofd zegt, alzoo: Morgen

vroeg, dat niemand ergens ga, wij gaan de plaats voor de nieuwe markt

schoon maken.

De avond is gevallen; 't is klaar geworden.

Het opperhoofd van 't dorp gebiedt aan zijn onderdanen en vrouwen

hunne hak te nemen, de trommels te dragen, en de dieren, waarmede

zij de wetten gaan stellen, vooruit te jagen.

Zij trekken op. Als zij daar komen, maken zij eerst de plaats schoon

om te dansen. De trommels verwarmt men boven 't vuur. En men danst

en danst.

De andere opperhoofden komen ook aan bij heele benden. Zij vereenigen

zich te zamen en zij vallen aan 't dansen. Terwijl men danst en danst,

slacht 't opperhoofd van 't dorp de twee dieren, en hij verdeelt ze

in zestien deelen. Dan roept 't opperhoofd ze allen te zamen, dat

zij zich komen vereenigen. Hij staat recht en hij begint te spreken:

He, opperhoofden, ik ben niet ledig gekomen; ik ga vleesch verdeelen,

omdat wij onze markt gaan oprichten; maar laat ons de wetten stellen:

Eenieder is meester van 't zijne. Als er iemand een prijs stelt,

en de eigenaar wil niet, dan is de zaak klaar.

Dat er niemand twist veroorzake. Die twist veroorzaakt wordt gestraft;

hij betaalt twee verkens en bij den hoop tien duizend mitakos.

Wie te groote deugnieterij uitsteekt, dat men hem verbrande!

En hij roept vijf onderdanen en hij beveelt hun een put te maken:

Die mensch, die te veel deugnieterij uitsteekt, daar zal men hem

inwerpen, dat hij verbrande!

En nu de wetten van de maniokbrooden.

Een vrouw mag hare maniokbrooden niet te duur verkoopen.

Een maniokbrood kost twee mitakos en geen vijf [270].

Een kieken mag men voor geen honderd parels [271] verkoopen, maar

slechts voor vijftig.

Als hij al de wetten gesteld heeft, dan verdeelt hij het vleesch,

en hij zegt: Ziet gij, mijn vleesch, dat gij gaat eten, gij moet het

niet betalen; maar dat er niemand de wetten overtrede.

Als hij gesproken heeft, beveelt hij weer te dansen.

En men danst en danst, 't is gedaan.

En zij scheiden van malkander, en zij gaan overal die markt

aankondigen. En alzoo wordt die markt wijd en zijd bekend.

En men komt af met de koopwaren. Het poeder op zijne plaats, tabak

op een andere plaats, en maniokbrooden, vleesch, visch, maniokbollen,

bananen, oranjeappels, meloenen, suikerriet, verkensvleesch, rupsen,

palmwijn, zout, dat men 't gerucht van de markt [272] noemt.

Iedere zaak heeft hare afzonderlijke plaats.

Als de markt uiteengegaan is, dan blijven de ouden te zamen, om hunnen

palmwijn te drinken, en zij trekken niet rap naar hun dorp terug. Zij

blusschen de warmte van de markt uit.

Ndemba.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 94 / 153 题