HET PLUKKEN VAN DEN CAOUTCHOUC

Als men in 't bosch aankomt, als men een schoone slingerplant disuki

[261] vindt, dan begint men er in te kerven. Men hangt er kleine potten

onder, en het wit sap komt in den pot geloopen. Het sap lijmt aaneen.

Intusschentijd kerft men andere slingerplanten.

Anderen nog laten het sap op hun lijf loopen; en het sap, door de

warmte van 't lichaam, lijmt aaneen vast. De negers verzamelen het,

terwijl zij het te zamen rollen met hunne hand.

Als de zon boven den kop staat [262], dan begint men de bollen uit de

potten te halen; men telt hoevele bollen er zijn, en men verbergt ze.

Als er dertig zijn, dan gaat men een andere slingerplant dinkalanga

[263] inkerven terwijl een potje het sap inoogst. En men komt af

met den pot. Men zet dien pot op 't vuur, en men doet er een weinig

water bij. Als het water aan 't koken is, neemt men een bol, en men

werpt dezen er in, en men draait hem om. En zoo doet men voor de

dertig bollen.

Als men deze bollen heeft voorbereid, gaat men ze verkoopen. Men

ontvangt er wel driehonderd mitakos voor. Al wat men wil, kan men

koopen: vadems stoffen of kiekens.

Uit een schoone slingerplant, waarin men nog niet ingekorven heeft,

kan men wel tien bollen trekken.

Mbengo.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 92 / 153 题