In het seizoen, dat men Kiansu noemt, als de nsafu [259] blauw worden,
zeggen de vrouwen onder malkander, alzoo: Het seizoen is verschenen
om een stuk land in 't hooge gras om te hakken.
Vandaag, welaan, wij kiezen ons stuk land uit. Hunne echtgenooten
trekken ook op. Als de mannen in 't hooge gras aankomen, eene vrouw,
alzoo: Ziet wel, ieder stuk grond dat veel maniok kan geven.
Een andere, alzoo: A! Dit, neem dit stuk land en begin.
Zij, alzoo: Neen, ik wil niet. 't Is lang geleden, die oude heeft
hier gewerkt. Er was hier geen schoon maniok. Het waren versukkelde
maniokwortels. Laat ons gaan tot op den hoek van 't hooge gras,
daar zullen wij eenige goede plaatsen uitkiezen.
Zij gingen, en zij hadden hun stuk land gevonden.
Een vrouw werkte met haren man te zamen.
Hij, de man, alzoo: Maar, als wij hier hakken, gij, neemt gij uw stuk
land. Ik, ik neem het mijne.
Een dag hakten zij te zamen, een anderen dag hakten zij
afzonderlijk. En zij hakten en hakten.
Na verscheidene dagen, toen de zon was opgestaan, de man, alzoo:
Gij, mijn vrouw, ga maniokwortels uittrekken, laat ze rotten in 't
water. Ik, ik zal vleesch koopen, en wij gaan onze hoopers zoeken,
om ons stuk land aan te hoopen.
Toen de maniokwortels, vier dagen in 't water gerot hadden, haalde
de vrouw ze uit 't water, liet ze drogen op een teenen vlechtsel in
't hooge gras, en met dit maniokmeel stampte zij maniokbrooden. De
man had vleesch gekocht.
De aanhoopers kwamen af, en hadden heel het stuk land aangehoopt. Dan
gingen zij maniokstaken uittrekken op een oud maniokland, braken de
takken af, en bonden ze in bussels.
Als er vele bussels gereed waren, dan trokken zij op naar het gehakte
land, en daar sneden zij de manioktakken in stukken, en zij begonnen
het heel stuk land te beplanten.
De takken wassen, schieten bladeren, en zij groeien en groeien. Als
zij bloeien en vruchten dragen, dan zijn de maniokwortels, die in
den grond zijn, rijp [260].
Ziehier eenige namen van maniokplanten: Dioko di kimungwa-mungwa,
kula-kula, nkolwa, nsiangi.
Kianika.